Essays

[Rede voor de Dag van de Literatuurkritiek] Poëziejongens

Tijdens de vierde editie van de Dag van de Literatuurkritiek, op 7 november 2019 in Amsterdam, spraken zes auteurs korte statements uit over het literatuuronderwijs. Hokjes en hoe we die kunnen openbreken vormden deze keer de rode draad. Deze nascholingsdag voor docenten Nederlands in het middelbaar onderwijs is een samenwerking tussen deBuren en De Reactor. Mustafa Kör sprak de inleiding uit van Poëziejongens (2019), een bundel over het project ‘Dichter in Residentie’ waarvoor Kör gedurende enkele weken op een technische school in Tessenderlo verbleef en waar hij aan de hand van taal en bewustwording een groep jongeren warm maakte voor kunst en cultuur. Dit unieke poëzieproject leverde verrassende resultaten op die terug te vinden zijn in het boek.

Toen ik me voorbereidde op dit project, was ik me bewust van de uitdagingen van het lesgeven op een technische school. Van oudsher heerst de perceptie dat zulke scholen ‘moeilijke’ werkplekken zijn. De hier schoollopende jongeren zouden grut uit de onderbuik zijn, werkvolk in spé, klaargestoomd om fabrieken te voeden. Het zijn scholen waar het geen sinecure is om over kunst en cultuur te komen praten – de prioriteiten liggen er elders. Ik kan het weten. Ik was er zelf leerling.

Niet louter om die reden, maar toch heb ik werkelijk een hekel aan de nog altijd courante uitdrukking ‘laaggeschoolden’. Alsof scholieren die onder die zogenaamde noemer vallen minder waardevol zijn.

Okay, lesgeven is geen walk in the park. En okay, wat we afgelopen lente hebben gedaan, kan je niet vergelijken met het werk van een fulltime leerkracht met een rigide lessenpakket. Niettemin, het was aangenaam voor deze klas te staan, hun mentor te mogen zijn. Met enige zin voor overdrijving was ik de herder die hen naar de hoogvlaktes van de poëzie mocht drijven.

Zij, dat zijn zestien jongens, uit de kluiten gewassen en aan het prille begin van hun reis, op een doorsnee technische school in het hart van Limburg. Hongerig naar waarachtigheid zijn ze, naar kennis en schoonheid. Noem het de parallellen met mijn eigen studententijd, noem het naïviteit, maar ik moést meewerken aan dit project. Omdat ik zelf een buitenbeentje was? Een onverbeterlijke romanticus? De waarheid is dat ik me ergerde aan de negatieve terminologie.

Ik vatte het project ‘dichter in residentie’ open minded aan. Nieuwsgierig naar wat mij te wachten stond, wilde ik mij onderdompelen in een wereld waarvan ik in een ver verleden deel uitmaakte. Ik heb zowel op een Technisch Instituut als op een concentratieschool gezeten. Ik was een goede student, tot mijn vijftiende. De cruciale jaren, scharniermomenten die de overgang – of zoals in mijn geval: de ondergang – betekenen van kind naar adolescent. Het spreekt boekdelen dat ik geen diploma bezit. Op mijn zestiende gaf ik er de brui aan. Daar zijn tal van redenen voor – alleszins voldoende stof om een roman mee te vullen. Ik noem er gemakshalve twee: locatie en inspiratie.

Dat is een kwalijk gegeven. Ten huize Kör was er weinig animo om mij, de benjamin, achter de veren te zitten inzake school en opleiding. Wij kwamen uit een arbeidersmilieu en woonden in een sociale wijk, in de schaduw van de mijnschachten aan de oevers van de Maas. Een regio waar je lot bezegeld werd door de geschiedenis van de mijnstreek – ik was een mijnwerkerszoon, voorbestemd om mijn rug te slijten aan een fabriek. Bij ons thuis geen Dostojevski en Kafka in de schappen, noch Bach of Tchaikovsky. Poëzie was een relikwie waarvan we gehoord hadden in zeemzoete films, of in flarden van levensliederen die al eens de kakofonie van een kleurrijke wijk ontstegen. Kortom, het was de ideale voedingsbodem om onconventionele keuzes te smoren, ontluikend talent te fnuiken. Sterker nog, eenheidsworst smullen primeert boven interesse kweken voor de gecompliceerde maar fijne dingen des levens. Gevolg: een hoop verspilde talenten als vaten vol onaangeroerde, zoete wijn.

Tot mijn spijt moet ik u hier vertellen over mijn handicap. Niet om zielig te doen of omdat ik behaagziek ben, maar omdat mijn beperking en het schrijven inherent met elkaar verbonden zijn. Ik ontdekte de taal, de literatuur, juist doordat ik verlamd was geraakt. Ik bespaar u heel die geschiedenis; wat u vooral moet onthouden is dat ik dankzij mijn verlamming begon te schrijven. Het lezen, vreemd genoeg, zou ik pas later ontdekken. Hetzelfde geldt voor het hoogste goed: de poëzie.

Als je zeeën van tijd hebt, gekluisterd aan een gebroken lichaam, dan worden gedachten je vijand. Waanzin schuilt om de hoek. Ik was bang voor het verlangen van mijn bespookte geest, die er niet meer wilde zijn. Maar kijk, in mijn donkerste uur daalden mysterieuze wezens in trage ovalen neer en begonnen te zingen. Met hun akkoorden bezwoeren ze me en langzaam maar zeker kroop ik uit het dal. Ik ontsteeg mijn verlamde lijf om via de literatuur een bewustzijn te ervaren dat ik nooit eerder had gevoeld. Als je de bodem bereikt en je hart klopt nog hardnekkig door, dan kan je alleen maar terug naar de oppervlakte, daar waar het licht is. De catharsis, zou ik later al lezend te weten komen. Het is een torenhoog cliché, maar kunst kan levens redden. Ik ben daar het voorbeeld van. Ik heb mezelf heruitgevonden, ik werd mijn eigen inspiratie. De literatuur bracht mij bewustzijn, zingeving. Ze bracht leven.

Bewustzijn. Het kernwoord waar het mij om te doen was in dit project. Ik wilde geen academische benadering of droogweg het belang van literatuur en poëzie aangeven. Dat is al tot in den treure herhaald en werkt volgens mij averechts bij jonge geesten.

Ik heb getracht om er onderhoudende, laagdrempelige workshops van te maken, waardoor ze ‘goesting’ zouden krijgen naar meer. In die zin blijft de metafoor van de herder overeind: ik begeleidde hen slechts naar weilanden, waar zij naar hartenlust mochten dwalen, of in de schaduw rusten. Ik kon mij niet van de gedachte ontdoen dat het een gezellige boel was. We waren een bende vreemde vogels die nadachten over de dingen, over de wijze waarop je iets kon formuleren, over de manier waarop je iets het beste zegt. Wat een bepaald taalgebruik teweegbracht, wat poëzie vermocht eens je haar naar je hand zette. Hoe iets helemaal anders kon worden met subtiele wijzigingen, of door middel van nuances extra uitgelicht. We praatten over het spel van adjectieven, synoniemen, metaforen, het schrappen van het overbodige. Hoe muzikaliteit en beeldspraak als een dubbele shot espresso vitaliteit in je tekst brachten, wat hen weer deed nadenken over de plots verkregen opties. Mogelijkheden waarover ze hun hoofd braken, met schaterlach en ernst die geregeld armpje druk speelden. Ja, luim en serieux gingen hand in hand bij momenten; het bracht een synergie teweeg die vruchtbaar was. De dooi die ontstond, was ontroerend.

Naast het haantje-de-voorste hoopte ik uiteraard ook de ingetogen leerling, de stille van de groep te zien en te horen. Het verheugde me er glimpen van op te vangen, die me verrasten, en soms ook vreemd deden opkijken. Halverwege het project merkte ik bij mezelf voldoening als ik hen over hun schriftjes gebogen zag, of met vragende ogen zag kijken. Het waren beleefde jongens, vol bravoure, maar het bleven kinderen: onzeker, aftastend. Meermaals flitste het gedicht ‘Vlegel’ van Leonard Nolens door mijn hoofd. Ik ervoer de gloed van trots omdat ik meende te zien hoe deze jonge, ongebonden geesten over de orde der dingen reflecteerden en het een plaats wilden geven.

Benoemen, naamgeving, iets in woorden gieten, is het erkennen van het bestaan ervan. Je onderzoekt welke verhouding je ermee hebt, wat voor relatie je aangaat met iets, iemand. Ze werden kritisch, bevroegen mij en mijn aanpak. Dat was het beoogde doel, zonder dat het vooraf vastomlijnd was. Dat wilde ik namelijk niet: kaders, conventies. Ik drong er juist op aan om buiten de lijntjes te kleuren. Ik wilde hun tonen dat ze scheppers waren en vrij spel hadden. Dat hoefde ik hun geen twee keer te vertellen. Met als gevolg dat pinguïns en hitsige opa’s hun gedichten bevolkten. Ook kwamen er actuele thema’s aan bod, en oorlogen, verlies, nationale trauma’s en schizofrene geiten met namen als Vedette en Duvel. Een heel idioom ontwikkelde zich, the sky was the limit.

Ik genoot in stilte. Daarom wilde ik een tandje bijsteken en vroeg collega-dichter en spoken word-artiest Carmien Michels om een sessie bij te wonen. Het kon niet anders of haar street credibility, haar ontwapenende energie, zou op hen overslaan. Energie is aanstekelijk. Wat haar opviel, was dat de tijd voorbij vloog. Ik durf te hopen dat de leerlingen er ook zo over dachten. Dat ze het tof vonden om aan de slag te gaan met onze mooie taal, de wondere wereld van de poëzie. Dat kunst je weerbaar kan maken en een extra tool wordt. Dat poëzie vele gedaantes kan hebben die je naar believen kan aanwenden, waar en wanneer je wilt. Het project werd volgens mij symbolisch bezegeld toen ze halverwege zelf met het idee kwamen om onze klas een naam te geven. Skip Frans, werd het. Omdat onze workshops vielen in de uren dat ze normaliter Franse les kregen. ‘Hele dag poëzie, meneer’, voegden ze eraan toe. Fronsend stond ik erbij te lachen. Je moest het ze nageven, misschien gewaagd, maar origineel was het wel.

Ik geloof niet dat ons onderwijs erop achteruit gaat, dat onze scholieren amper kunnen lezen of schrijven. Feit is dat we op de snelweg van de eenentwintigste eeuw zijn beland. Dat vergt nieuwe vaardigheden, andere methodes. De aanpak in hervorming van ons onderwijs zijn al jaren hete hangijzers. Als je de verhalen van sommigen mag geloven, is het armoe troef in onze klassen. Ik heb daar het tegenbewijs van gezien. Ik hoefde nog maar één enkele noot op mijn fluit te spelen en ze popelden om mee erop uit te trekken, gretig om te ruiken aan de bloemen van de poëzie.

Geplaatst op 13/02/2020

Tags: 2019, De Dag van de Literatuurkritiek, Literatuurkritiek, literatuuronderwijs

Categorie: Essays

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.