Alleen de grootste nabijheid

Affiniteiten (Die Wahlverwandtschaften)

Johann Wolfgang Goethe

1981, hoe zou ik het kunnen vergeten! We waren tamelijk jong, de Koude Oorlog woedde nog, en we reisden om te leren door de Duitse Democratische Republiek – een netjes uitgestippelde tocht, dat moest zo van hogerhand: Oost-Berlijn, Dresden, Wittenberg…, en ook het zonderlinge, verontrustende duo Buchenwald & Weimar, met in die laatste stad het verbluffende Goethehuis. De hele tijd trouwens was de oude meester onze reisgezel, want we lazen in vertaling het boek met de blijkbaar lastig vertaalbare titel Die Wahlverwandtschaften (1809).

Natuurlijke verwantschap, zo heette het toen, en het maakte deel uit van de reeks Prisma Klassieken, die zowel in pocket als gekartonneerd verscheen en titels herbergde van onder meer Diderot, Flaubert, Kleist, Conrad, Henry James en Thomas Hardy. Het was geen erg bevallige maar wel een nuttige en betaalbare serie; ik eer haar nagedachtenis. De Goethevertaling (van Pim Lukkenaer, 1979) was van heel redelijke kwaliteit, je vraagt je af waarom ze niet gewoon herzien en afgestoft werd. Ze bevatte ook een nawoord, een auteurschronologie en noten, terwijl de nieuwe uitgave het met alleen een flaptekst moet stellen. Maar het zij zo, en deze versie van Ria van Hengel is ondanks wat eigenaardigheden uiterst leesbaar.

Keuze

Goethe haalde de term ‘Wahlverwandtschaft’ uit de chemie van zijn tijd en paste hem in zijn roman toe op (of hanteerde hem als beeldspraak voor) menselijke affectie. Een stof vormt een eenheid van delen (zoals een mensenpaar); stoffen reageren op andere in de mate dat ze er verwantschap (‘affiniteit’) mee vertonen; wanneer zo’n ontmoeting inhoudt dat een element van een stof zich losmaakt om in verbinding te treden met een ander element, kun je spreken van ‘keuzeverwantschap’, ‘omdat het werkelijk lijkt alsof de ene verhouding de voorkeur heeft gekregen boven de andere’. A en B zijn samen, A gaat een nieuwe eenheid aan met C, en B zal zijn D zoeken.

‘Keuzeverwantschap’: dat woord staat wel in de Nederlandse versies, maar wordt kennelijk ongeschikt bevonden voor de titel. Waarom precies? ‘Natuurlijke verwantschap’ en ‘Affiniteiten’ zijn te zwak en laten het keuze-element weg (anders dan Elective Affinities of Les Affinités électives), terwijl dat toch een wezenlijk thema is binnen de roman.

Het verhaal, heel beknopt. Baron Eduard en zijn vrouw Charlotte hielden al in hun jeugd van elkaar; allebei moesten ze een ander huwelijk sluiten, maar nadat hun partners gestorven waren zijn ze alsnog samengekomen. Ze verlenen op hun kasteel gastvrijheid aan een vriend van Eduard, de legerkapitein Otto, en aan Charlottes veel jongere nichtje Ottilie. (Het namenspel gaat nog verder: Eduard heet eigenlijk óók Otto, en het zoontje dat hij met Charlotte krijgt ontvangt die naam eveneens.) Eduard en Ottilie worden verliefd op elkaar en willen die passie volgen; ook tussen Charlotte en de kapitein ontstaat iets moois, maar zij weigeren daaraan toe te geven, al kost dat moeite. De kapitein accepteert elders een baan; Eduard vertrekt eveneens, om aan de druk te ontsnappen, en hij gaat naar de oorlog. Op den duur zal de passie van Eduard en Ottilie leiden tot een ‘onschuldig’ slachtoffer en tot hun eigen ondergang.

Echt adequaat is dit miniresumé niet. Ik moet er vooral op wijzen dat de afwezigheid van de twee mannen niet minder dan een derde van de verhaallengte beslaat: daarin staan de vrouwen centraal, samen met enkele nevenpersonages. En, minstens even belangrijk: dit is niet alleen een liefdesroman. Eduard en Charlotte wonen op een groot domein, dat ze met hulp van hun twee vrienden grondig willen veranderen – door ingrepen in de tuin en het landschap, en door de bouw van een nieuw buitenhuis. Ze zoeken ook vernieuwing voor ‘hun’ nabijgelegen dorp, en er worden nuttige bezigheden voor de dorpsjeugd gecreëerd. Bij dat laatste gaat het om opvoeding, een onderwerp dat ook op andere manieren aanwezig is: Ottilie komt recht uit het pensionaat, en de assistent-directeur daarvan maakt zijn opwachting op het kasteel. Je kunt zeggen dat het bij al het genoemde om vorming draait, vorming van de mensen en vorming van hun omgeving. Het ene is makkelijker dan het andere.

Oneindigheid

Zo belanden we bij de grote tegenstelling die, denk ik, het boek draagt. Er overheerst een visie op het leven en de wereld als samenhang en orde: de werkelijkheid kan en moet voortdurend rationeel worden georganiseerd. De vrienden studeren op projecten, laten hun personeel delen in de uitvoering ervan. In zekere zin blijft dat zo tot het laatst, maar de hartstocht gaat als stoorzender werken en doet de machinerie stilvallen. (In feite zaten in de onderneming zelf al ondermijnende factoren verborgen.)

Een paar voorbeelden. De assistent-directeur, die zijn ex-pupil Ottilie bezoekt, zegt dat ze erop vooruitgegaan is, maar vindt niettemin dat ze weer even naar het pensionaat moet, ‘om zich alles in een bepaalde volgorde grondiger en voorgoed eigen te maken wat de wereld slechts bij stukjes en beetjes en meer ter verwarring dan ter bevrediging […] leerde’. Ottilie weet dat hij gelijk heeft, maar helaas: ‘Er was niets meer in de wereld dat haar nog samenhangend voorkwam als ze aan de geliefde man dacht’.

Eduard, wanneer zijn verliefdheid haar toppunt bereikt, ‘kent geen maat meer in zijn gevoelens, noch in zijn daden. Het besef te beminnen en bemind te worden drijft hem naar het oneindige. […] Ottilies aanwezigheid verslindt alles voor hem. Hij is volkomen in haar verzonken, […] geen geweten spreekt hem toe, alles wat in hem bedwongen was breekt los, zijn hele wezen stroomt uit naar Ottilie.’ Oneindigheid, mateloosheid, ontgrenzing: dat vloekt met orde en organisatie, die altijd beperking impliceren. En kan het dan verbazen dat de gedwarsboomde Eduard en Ottilie door doodsverlangens bekropen worden? Verlangen naar vormeloosheid.

Charlotte en de kapitein leggen wél beheersing aan de dag, anders gezegd: zij willen het heft in handen houden, zelf een bewuste keuze maken – die haaks staat op de ‘keuzeverwantschap’. Ze loochenen dus de toepasselijkheid van de chemische metafoor. Maar de onbeheerstheid van de anderen zal ook hen meeslepen en beschadigen. Uiteindelijk verwijt Charlotte zichzelf dat ze zich tegen ‘het lot’ verzet heeft.

De geheel pure en eenvoudige (‘heilige’) Ottilie doet eerlijke pogingen om de orde te bewaren en te herstellen, maar Eduard toont zich van a tot z ongeduldig, niet in staat tot sublimatie. Bij het begin van hoofdstuk 2 weten we het al: ‘Zich iets ontzeggen was Eduard niet gewend.’ Het merkwaardige is dat de verteller (of de schrijver) dit karakter wel afwijst, maar het niet verachtelijk of bespottelijk maakt; zowat alle personages blijven min of meer sympathiek. En naar het einde toe, wanneer de catastrofe al volop bezig is, kan het onmogelijke paar ons werkelijk ontroeren: ‘Net zoals vroeger oefenden zij een onbeschrijflijke, bijna magische aantrekkingskracht op elkaar uit. […] Als ze in één zaal waren, duurde het niet lang of ze stonden, ze zaten naast elkaar. Alleen de grootste nabijheid kon hen kalmeren, maar dan ook volkomen kalmeren, en die nabijheid was genoeg: geen blik, geen woord, geen gebaar, geen aanraking was nodig, alleen het zuivere bij elkaar zijn. Dan waren het niet twee mensen, maar was het slechts één mens in een onbewust, volmaakt genot, tevreden met zichzelf en de wereld. […] Het leven was een raadsel voor hen, en de oplossing konden ze alleen samen vinden.’

Constructie

Je zou van Die Wahlverwandtschaften gemakkelijk een onaantrekkelijke voorstelling kunnen geven: een roman die tweehonderd jaar geleden geschreven werd door een man van zestig; taal vaak ‘onnatuurlijk’, gezwollen of stijfjes; dubieuze algemene uitspraken over vrouwen en volksmensen; onwaarschijnlijkheden van diverse soorten… Dat is allemaal waar, maar het klopt niet. Het boek is en blijft een wonder, en het voelt op een vreemde manier jeugdig aan.

Maar je moet het in de juiste houding lezen, zonder overdreven bekommernis om conventionele psychologie en conventioneel realisme. Al zijn de personages geen ‘typen’, ze zijn toch niet verregaand geïndividualiseerd; en Goethe voert hen op en manipuleert hen om vorm te geven aan enkele mogelijke visies op liefde en leven, in een verhaal dat veeleer een schitterende constructie is dan een tranche de vie. Wie in het bouwsel wil binnentreden, aanvaardt graag alles wat zich daar bevindt.

De openingszin van het boek luidt: ‘Eduard – zo noemen wij een rijke baron in de kracht van zijn leven – Eduard had in zijn boomkwekerij het mooiste uur van een aprilmiddag doorgebracht met het enten van pas verworven enttakken op jonge stammen.’ Je vindt hier meteen een dubbele affirmatie van ‘kunstmatigheid’ – enerzijds een mens die vormend ingrijpt in de natuur, anderzijds een schrijver/verteller die zich als maker opwerpt: die Eduard bestaat niet echt, dat is een figuur die ‘wij’ zo noemen! Ook in wat volgt verbergt de auteur nauwelijks zijn trucjes. Hij maakt zo vaak en nadrukkelijk gebruik van vooruitwijzing, terugverwijzing en herhaling dat zelfs een nonchalante lezer het zal opmerken. Sommige bladzijden liggen waarlijk bezaaid met tekens; de ingelaste dagboekfragmenten krijgen een keurige toelichting vooraf; overgangen van verleden tijd naar tegenwoordige tijd doen lichtjes houterig aan, ‘gemaakt’; de ingebedde novelle (‘De wonderlijke buurkinderen’) spiegelt op een voorbeeldige wijze het hoofdverhaal. Kortom, Die Wahlverwandtschaften stamt overduidelijk uit de jeugdperiode van het genre roman, is veel minder illusiewekkend dan het merendeel van de latere ‘gewone’ romans. In die zin is het een heel transparante tekst, maar dat doet niets af aan zijn rijkdom, raadselachtigheid en raffinement.

Ik heb het hier niet gehad over historische en literair-historische aspecten (onaangepaste edellieden bij het einde van het ancien régime, protestants versus katholiek, klassiek versus romantisch, situering in Goethes oeuvre…) en over de draagwijdte en de invloed van de chemische beeldspraak. Dat is nochtans allemaal interessant genoeg, en je moet betreuren dat de uitgave over die achtergronden geen informatie geeft. Maar in zoverre we hier met een kunstwerk te maken hebben (en niet met zomaar een document uit de vroege negentiende eeuw) mogen we wensen dat het ons aanspreekt in ons hier en nu. En die wens wordt vervuld. Die Wahlverwandtschaften vertelt dingen die nog altijd kunnen meetellen als we nadenken over liefde, over vrijheid, of over het ‘leiden’ van ons leven – en vertelt ze uitstekend.

Zelden ervaar je een boek als zo sterk ‘van een andere tijd’ en tegelijk zo onmiddellijk mooi.

Links

Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2010
ISBN 978 90 253 6729 9
296p.

Geplaatst op 23/06/2010

Reacties

  1. Martin de Haan

    Beste Joris, even een vraagje: is de Duitse tekst ook uiterst leesbaar, ondanks wat eigenaardigheden? Of is hij juist niet zo leesbaar, ondanks de afwezigheid van eigenaardigheden? Of is hij uiterst leesbaar en uiterst oneigenaardig? Of juist eigenaardig en onleesbaar? Dat zijn belangrijke vragen als je een vertaling bespreekt.

    Beantwoorden

  2. Joris Note

    Beste Martin de Haan, met ‘ondanks wat eigenaardigheden’ ik heb me ongetwijfeld te beknopt en te vaag uitgedrukt, waarvoor excuus.
    – Eerst dit: ik had niet de bedoeling (en niet de opdracht, denk ik) om de vertaling als zodanig te bespreken, en wilde vooral aanduiden dat ik met het werk van de vertaalster weinig of geen problemen had. In een vorige recensie (over Saramago) heb ik wél iets meer over de vertaling proberen te zeggen omdat ik toen met evidente (hinderlijke) gebreken te maken kreeg.
    – Bij een beperkt aantal formuleringen die me wat vreemd leken ben ik even naar de Duitse tekst gaan kijken, en naar de vorige Nederlandse vertaling. Bijna steeds bleken het (voor mij) twijfelgevallen, gevallen waarbij het misschien net iets anders en duidelijker gemogen of gekund had; ik vroeg me af of er soms niet wat te letterlijk vertaald was. Juist wegens die twijfel (die ook te maken heeft met het niet echt ‘gewone’ Duits van de oude tekst) ben ik er verder niet op ingegaan. Slechts een doodenkele keer vond ik echt dat het anders moest: zo is op p. 138 sprake van ‘zijn reisdoel’ (Du. ‘dem Ziel seiner Reise’), terwijl het duidelijk gaat om de bedoeling van de reis, niet om de bestemming – maar dat vond ik niet vermeldenswaard. Misschien had ik de vage formule waar u op reageert ook achterwege moeten laten.
    – Ten slotte, als daarover twijfel ontstaan zou zijn: ik heb alle respect voor de vertaalkunst van Ria van Hengel. (En voor de uwe, overigens.)

    Beantwoorden

  3. Martin de Haan

    Dank voor deze uitgebreide toelichting, beste Joris. Het paradoxale blijft natuurlijk dat de lezer van dit besproken boek net zo goed Van Hengel als Goethe leest, je kunt dus niet zomaar doen alsof dit hetzelfde boek is dat twee eeuwen geleden in het Duits verscheen. How can we tell the dancer from the dance? Overigens is het herzien en afstoffen van een ‘heel redelijke’ (maar kennelijk geen goede, mooie, zinderende?) oude vertaling nauwelijks een optie, alleen al om auteursrechtelijke redenen. Zelf zou ik in elk geval nooit willen dat iemand dat met mijn boeken deed, dus ze zullen daarmee mogen wachten tot 70 jaar na mijn dood…

    Beantwoorden

  4. Joris Note

    Beste Martin, nog een paar bedenkingen, maar niet om het laatste woord te hebben:
    – Ik vermoed dat de meeste lezers (de zogenaamd ‘gewone’ lezers) alleen maar Goethe willen lezen en geen Van Hengel: de vertaling is voor hen alleen maar een kanaal dat toegang verschaft tot de oorspronkelijke tekst – een kanaal dat ze het liefst ‘vergeten’. Dat kan misschien pijnlijk zijn voor de vertaler die het beste van zichzelf gegeven heeft.
    – Voor een boekbespreking zijn er geen vaste regels of indelingen, het is een kwestie van steeds wisselende dosering van elementen: de ene keer zul je dus veel aandacht aan de vertaling besteden, de andere keer weinig of helemaal geen. Veel aandacht: bijvoorbeeld wanneer de vertaling heel erg tekortschiet als ‘kanaal’.
    – Bij een oud boek kan de historische en literair-historische situering ook een element in de bespreking zijn. Maar ik vind dat de uitgave zelf de nodige achtergrondinformatie zou moeten bevatten. De vertaler kan daarvoor zorgen, maar het lijkt me allereerst de verantwoordelijkheid van de uitgever. ‘Affiniteiten’ biedt in dit opzicht vrijwel niets, net als – helaas – vele andere uitgaven in het Nederlandse taalgebied.

    Beantwoorden

  5. Martin de Haan

    Ja, als ik naar Bach luister wil ik ook alleen maar Bach horen. Alleen is de Bach van Glenn Gould een heel andere dan die van Angela Hewitt. De aanname dat “Bach” (of “Goethe”) een eeuwig aan zichzelf gelijk blijvende essentie is, valt volgens mij niet vol te houden. En ik denk ook dat je een werk veel intenser ervaart als je die aanname loslaat. Maar dit was allemaal niet bedoeld als kritiek hoor, eerder als een kanttekening.

    Beantwoorden

  6. Joris Note

    Daar ben ik het wel mee eens, grosso modo; je zou dus misschien kunnen zeggen dat vele lezers (of luisteraars) zich wat te naïef of goedgelovig gedragen. Maar dat is hun recht, en ik denk dat we het allemaal doen, zo nu en dan. Overigens, ik zou het nog vergeten, onze competentie schiet ook vaak genoeg tekort om vertalingen of uitvoeringen te beoordelen.

    Beantwoorden

  7. Erik de Smedt

    Het zou mooi zijn deze interessante (en fundamentele) discussie op een paar concrete vertaalgevallen uit ‘Affiniteiten’ toe te spitsen. (Uit enthousiasme heb ik mijn exemplaar van de vertaling meteen aan een vriend uitgeleend, dus mij lukt dit nu een tijdje niet.) Ik herinner me bij het alternerende lezen van de Nederlandse en de Duitse versie wel dat dit naadloos kon, dat je de Duitse in de Nederlandse versie herkende (en vice versa), maar toch viel me ook een ‘décalage’ op: een eigenaardige manier waarop Ria van Hengel het archaïsche van Goethes stijl licht overbrugt. Hoé ze dat doet, zou nader onderzoek verdienen.

    Als ik bij Joris Notes 4e ‘bedenking’ nog iets mag zeggen (de noodzaak van een literair-historische duiding of van tenminste achtergrondinformatie bij een oud boek): ik weet niet of ik – bij de huidige, vaak oppervlakkige, populair wervende wijze waarop nawoorden bij klassieken, bv. in de Perpetuareeks worden uitbesteed – dan niet de tekst zonder paratekst prefereer. Zoals ik eigenlijk het liefst heb dat een fictieboek helemaal geen flaptekst, karakterisering, korte inhoud of wat dan ook bevat. Laat de lezer maar ’s botsen op en met de oude tekst – de kans lijkt me groter dat dan op eigen kracht haar of zijn leeservaring tot stand kan komen, niet beïnvloed door wat is voorgekauwd. (Wat niet belet dat in een volgende fase het interessant wordt je huidige, min of meer ‘onhistorische’/’eigentijdse’ leeservaring te toetsen aan de contemporaine toen het boek verscheen, de auteursintentie enzovoort. Ik heb trouwens al heel wat recensies van J. Note gelezen waarin hij net die informatie genuanceerd uiteenzette.) Zou Kafka’s absolute eis – dat het boek ons treft als een slag op onze schedel – niet alleen bij een modernistisch werk, maar ook voor een oud boek ten volle mogen spelen?

    Beantwoorden

  8. Joris Note

    Ik vind dit heel interessant, maar het zou me helaas te ver leiden om er hier nog op in te gaan. Alleen nog dit: de Perpetuareeks vind ik een formidabel voorbeeld van hoe het niet moet.

    Beantwoorden

  9. Martin de Haan

    Dat zou inderdaad heel interessant zijn, Erik, maar ik heb het boek helaas niet. Ik ben het wel helemaal eens met je stelling dat elke leeservaring niet anders dan eigentijds kan zijn.

    Beantwoorden

Laat een reactie achter op Joris Note Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.