Poëzie, Recensies

‘Allez komaan seg’

International Bakery (Voorheen Cinema Royale)

David Nolens

‘Allez komaan seg’ valt te lezen aan het einde van International Bakery (Voorheen Cinema Royale) van David Nolens. Deze Vlaams uitdrukking van verontwaardiging vormt stilistisch een uitzondering in dit zelfbestempelde ‘poëtische schotschrift’. Nolens’ taal laat zich hier (en elders) immers niet karakteriseren als gangbaar proza, poëzie of dagelijks taalgebruik. Veeleer is ze verhaspeld en afwisselend filosofisch, concreet, abstract, banaal, stuntelig. De toon suggereert een voortdurend poneren, maar tegelijk blijft alles steeds onaf en aftastend. Als dit schotschrift al beargumenteert, dan bereikt het geen heldere conclusie. Als dit schotschrift door zijn vormgeving het sterkst aan poëzie doet denken, dan is het ritme met de vele witregels voortdurend onderbroken en syncopisch. Als dit schotschrift onvast is in zijn aanklacht, dan omdat de sprekende subjecten in deze tekst ontwricht zijn.

Inhoudelijk vat ‘allez komaan seg’ dan weer wel een grondtoon van International Bakery, met name die van de verontwaardiging. Deze emotie is in de eerste plaats een uiting van negatie. Ze schroeft zich vast in een positie, wijst een richting aan maar lijkt zelf geen beweging te kunnen maken.

 

            De cultus van de verontwaardiging

 

            Met onze verontwaardiging komen we overal

            Vanuit onze verontwaardiging bouwen we tientallen dystopia

 

            Vanuit de actualiteit landen we in de verontwaardiging

            Dit vlakke roepen met verheven rug

 

Volgens een niet nader bepaalde stem in International Bakery heeft onze vrijheid van meningsuiting slechts deze boosheid opgeleverd. Die vrijheid is echter wat ons verbindt: ‘Wat ons bindt zijn de commentaren’. Maar al die opmerkingen en opinies verenigen zich niet tot een samenleving. Wat ons bindt is een abstracte vrijheid die concreet verdeeldheid schept. Als schotschrift stort International Bakery een ontstemd geluid uit over deze negatieve geformuleerde vrijheden die zowel het huidige politieke spreken als het huidige individualisme doordesemen.

 

Individu en gemeenschap

Het boek opent met twee pagina’s die elk één zin bevatten: ‘Het introspectief van de hoofdrol te spelen van slechts een enkel lichaam’; ‘Depressieve samenlevingen zijn erg rijk’. Die vormen echo’s van Nolens’ vroegere werk. Er is de figuur die volledig wil verzelfstandigen en zichzelf tot een (zelfvoorzienende) cirkel wil maken: ‘Deze volledige onafhankelijkheid kleeft mij aan / Als een aap nu wandel ik kromgebogen aan het hoofd van een lichaam dat naar zijn middelpunt neigt’. Daarna volgt een beeld van onze westerse samenleving als ontdaan van verlangen en hechting: ‘Het is een vreemde samenleving waarin ik me zonder romantiek begeef // Ik ben geheel alleen en altijd te laat voor welk contact ik ook begeer’.

Individu en maatschappij staan hier niet tegenover elkaar; veeleer plakken ze, zoals een van de vorige citaten aangeeft, aan elkaar. Enerzijds vormt die maatschappij de conditie voor het individualisme: ‘Ontheemding kreeg ik maar werd me niet aangeleerd’. Anderzijds zorgt de ‘[cultivering] tot individualist’ voor een verdere ontbinding en uitholling van de samenleving: ‘Heb ik ooit in iemand een mens gezien / Ik denk het niet / Ik laat het graag uitschijnen / Het gemeen van ons goed gemoed’. De ik-figuur kunnen we ‘niet verdenken van het onderscheid’ tussen een wij en een zij, maar zijn verregaande individualisme mondt niet uit in een hogere vorm van gemeenschap. Toch ontwikkelt de ik-figuur in de loop van het relaas een nieuwe verhouding tot de maatschappij.

Het schotschrift kent vijf delen. Die schetsen een plotlijn die als achtergrond en aanleiding dienen voor de stemmen, emoties, aforismen en denkbeelden die de hoofdrol spelen. In het eerste deel gaat de ik-figuur, een schrijver die overeenkomsten vertoont met Nolens’ biografie, van zijn werkplaats naar de pornobioscoop Cinema Royale. Hoewel hij geen illusies koestert over de stad en samenleving waarin hij zich begeeft, is de toon zelfverzekerd en affirmatief: ‘Ik vind daarom dat alles aan mij van zodra het mogelijk is van teerlingbeen tot kruin moet worden gevierd’. Aangekomen op het Koningin Astridplein merkt hij echter dat Cinema Royale, waar hij ‘al de grootste lol beleefd’ heeft, vervangen is door de International Bakery.

Die komt in het tweede deel in beeld, maar dat beeld is zeker niet scherp. Het gaat om een bakkerij waar ‘[t]ientallen nationaliteiten’ broden bakken, al wordt hen dat ‘verboden door voedselinspectie en gemeentebestuur’. De bakkerij lijkt niet zo sterk van de bioscoop te verschillen. Beide zijn economisch (in)gericht: de seksuele transacties van de pornografie zijn verruild voor het marchanderen van broden. Beide zijn tevens essentieel een projectiescherm. De ‘wij’ van de bakkerij lijkt immers vooral geprojecteerde definities over te nemen. Zo is het de vraag of zij spreken uit verontwaardiging of net het object zijn van verontwaardiging? Veel van hun zelfbeschrijvingen gaan voortdurend via een ander die hen waarneemt: ‘Dat is: wij zijn van tevoren gedefinieerd’; ‘Wij zijn uw psychose en niet normaal / in uw doodnormale leven’; ‘Vanuit de perceptie hebben wij doorgeleerd’; ‘Wij zijn het applaus en het boegeroep’.

In de drie volgende delen ontspint zich onder meer een strijd tussen toejuichers en tegenstanders. De burgemeester van Antwerpen beslecht het verdict uiteindelijk in het nadeel van de International Bakery: ‘Er zijn rechtsregels – / Begrijpt dat dan toch – allez komaan seg’. Maar voornamelijk gaat er aandacht naar de positie van de vertwijfelde ik-figuur: ‘ik sta zo eenzaam als het scharnier van een geopende schaar na te denken over hoe ik samenbreng zonder iets kapot te maken’. Het ik komt overigens niet in een tegenstelling te staan tot de bakkerij als gemeenschap. Beiden spreken immers van een ‘vormeloze vorm’ waarin we ons boetseren, maar dit is de negatieve vorm van het gemeenschapsstichtende ‘idee’ dat verloren ligt op ‘de bodem van de zee’. De confrontatie zorgt vooral voor het besef van dit verlies: ‘Ik voel hoe de teloorgang van CINEMA ROYALE ons allen uiteendrijft’. Kon in de pornobioscoop het individualisme een veilig onderdak vinden, dan zorgt de bakkerij voor een confrontatie met de vraag wat we als gemeenschap willen doen en wie recht van spreken en bestaan heeft.

De groep die de International Bakery bezet is daarom het object van toezicht. Hebben sommigen ‘de vrijheid om zichzelf te vergeten’ en een recht op privacy, dan is er op de bakker voortdurend een ‘volgspot’ gericht: ‘De politicus-inspecteur-journalist zegt: treed eens uit de groep en spreek met ons’. Niettemin ensceneert International Bakery vooral een gebrek aan dialoog en een spreken dat geen grond vindt in de werkelijkheid, en dit via de figuren van de politicus en de schrijver.

 

Mag ik spreken

Zijn er de laatste decennia bibliotheken volgeschreven over het engagement van de schrijver en de politiek van de literatuur, in International Bakery gaat het daarentegen om het literaire karakter van de politicus:

 

            Losgeslagen in de rol van de schrijver

            is de politicus vrij in elke betekenis van het woord

            (…)

            De politicus die zich de vrijheid van het woord veroorlooft heeft geen verhaal

 

Wanneer er geen relatie meer hoeft te bestaan tussen woord, werkelijkheid en daad, kan de politicus zich als een onbetrouwbare verteller in alle bochten wenden en hoeft hij zich niet met een groot verhaal te engageren. Wordt Bart De Wever in onze media vaak voorgesteld als een ideoloog met visie, dan is de burgemeester van Antwerpen in International Bakery een commerciële publieksschrijver die zich voegt naar het oude adagium van brood en spelen. ‘Dat is het sanctum sanctorum: / elk idee begint bij de buik van velen’, en zo ‘kauw[t]’ de burgemeester ‘zich dood in de mond naar wie [hij zal] praten’. Het brood als symbool voor levensvoorzieningen krijgt een dodend karakter. Deze burgervader ‘breekt het brood niet om het te delen’. Hij bekommert zich slechts om ‘de vrijheden van anderen’: ‘de bakkers van bij ons’. In dergelijke perverse omkeringen toont zich het vrije schrijven van de politicus.

Ook de schrijver ‘kan alles denken’. Hij wil de ander het woord geven, maar beseft tevens dat dit pervers en oneerlijk is:

 

           Wat ik over het hoofd zie is dat jullie geen mensen zijn

            (…)

            Jullie zijn geen thema en jij en jij ook niet

            Jullie zijn niets

            Net zoals ik

 

            Laat ons daar naar handelen

 

Ook de International Bakery valt niet positief te definiëren. Vroeg de ik-figuur zich eerst nog verontwaardigd af hoe de bakkerij hem ‘tot lering strekt’, dan leert hij alvast dat ook de ander geen vastomlijnde betekenis heeft: ‘Ga ervan uit dat elke ander eenheid mist’. De positie en de toon van de schrijver worden langzamerhand minder zelfverzekerd. Van celebrerend wordt het verwijtend: ‘Jezus wat ben ik westers en vet op vet geteerd’. Op den duur verstomt hij die alles kan denken:

 

            Ik weet niet wat zeggen

            Niet van links en niet van rechts

            In dit tweestromenland is elk woord zonder vaste grond

 

Biedt dit gebrek aan grond voor de politicus een vrijheid, dan vormt ze voor de schrijver een obstakel in het streven naar contact met de ander.

 

Naar buiten

Wat de ik-figuur uiteindelijk leert, is dat ‘beslist beleid vanuit de eigen onzekerheid te verkiezen valt boven readymades // De weg naar buiten’. Dit lijkt een wende aan te kondigen in het werk van Nolens. Het falende streven naar contact is daarin een constante, en vertaalt zich in motieven als het verlies van gemeenschap en de figuur van de ontheemde. Terwijl dat in eerder werk vooral zichtbaar was bij personages die bewust de buitenkant van de samenleving opzoeken of bij figuren die in hun psychosen de wereld in hun eigen afgesloten universum vervormen, situeert International Bakery deze motieven in een meer openbare of actuelere kwestie. De diagnoses van Nolens’ vroegere romans zijn uiteindelijk altijd maatschappelijk, maar in dit werk zijn ze dat op een meer vanzelfsprekende manier. Het falen krijgt zo iets ontwapenends en uitnodigends:

 

            We hebben met z’n allen honger naar een ernstiger spel

            Er is iets om voor te leven dat niet in de negatie ligt

 

            Ik wil het positief formuleren maar alleen kan ik dat niet

 

Vroeger heeft Nolens in nY zijn poëtica al eens omschreven als een ‘positieve herformulering van het mensbeeld waarmee ik werd opgezadeld’. Pregnanter dan in ander werk laat hij hier zien hoe sommige vormen van maatschappelijk spreken geen oplossing bieden voor het gebrek aan gemeenschap en dat gebrek zelfs bestendigen. Op die manier begrijp ik alvast enkele betekenisvelden die over het schotschrift verspreid zijn. Zo denkt de ik-figuur over contact in economische termen van winst en verlies: ‘Wat voor de een aftrekken is telt de ander op simpel als bedrijfsbeheer / De onmiddellijke behoeftebevrediging is een minnelijke schikking’. Of er is de van Thatcher overgeleverde logica van de samenleving als een verzameling individuen en hun families. De stad wordt hier gekenschetst als een verweesde maatschappij: ‘Deze stad is het kind dat lijdt onder de vechtscheiding van eengemaakte individuen nadat hun identiteit werd verscheurd’. Het zijn herformuleringen die het negatieve of solipsistische benadrukken, maar niet tot iets constructiefs komen.

Nu ik aan het einde ben van deze bespreking en International Bakery drie keer heb gelezen, weet ik nog steeds niet met welk oordeel ik moet afsluiten. Ik ben gefascineerd door het experiment, de formuleringen, de manier waarop een beeld als ‘brood’ zowel idealistisch als komisch materialistisch door elkaar wordt gebruikt, door de wijze waarop de bakkerij in de eerste plaats een projectiescherm is en Nolens dus niet naïef voor de ander meent te kunnen spreken. Tegelijk blijft het perspectief daardoor te veel bij de schrijver en bij een diagnose van falend contact, die Nolens hier als een inzicht presenteert terwijl hij ze al eerder en vaker in ontzettend knappe romans heeft beschreven: waarom dan niet bij dat inzicht beginnen? Dat je niet voor de ander kunt spreken, hoeft immers niet te impliceren dat je daarom niet de contouren van een tentatieve communicatie kunt schetsen of in de richting kan wijzen van meer rechtvaardige en juiste representaties. Dat lijkt me ethischer dan te blijven vasthouden aan een stilte en onmogelijk spreken in confrontatie met de ander; een positie waar ik steeds minder geduld mee heb. Het is in die zin moeilijk te zeggen of International Bakery een uitstapje is waarbij de schrijver zijn ‘werkkamer aan de blijde-inkomststraat verlaat’ om zijn gekende thematiek op het ‘buiten’ los te laten, of een scharnier is in het oeuvre waarbij de schrijver de werkkamer blijft verlaten om daarbuiten een positieve grond te zoeken voor verder contact met het niets dat hijzelf en de anderen zijn.

De Bezige Bij, Amsterdam, 2018
ISBN 9789403138206
95p.

Geplaatst op 25/06/2019

Tags: Bart De Wever, David Nolens, Gemeenschap, Individualisme, International Bakery

Categorie: Poëzie, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.