Non-fictie, Recensies

Afdalen in het antropoceen

Benedenwereld

Reizen in de diepe tijd

Robert Macfarlane

‘Om onze kennis te vergroten en om het leven zin te geven. Als we niets onderzoeken doen we niets. Dan zitten we maar een beetje te wachten.’ Christopher Toth, onderzoeker in het DRIFT-project van het Boulby Underground Laboratory, achthonderd meter onder het aardoppervlak van de Engelse noordwestkust, beantwoordt de vraag waarom hij de sporen van donkere materie onderzoekt, de onzichtbare hypothetische oerstof die verondersteld wordt een verklaring te geven voor een aantal kosmologische verschijnselen. Paradoxaal genoeg is daarvoor een ondergronds laboratorium nodig, ingebed in dikke lagen zoutsteen: die isoleert de meetinstrumenten tegen de kosmische ruis die de metingen aan het aardoppervlak te veel zou verstoren. Zo wordt in een gesteente dat ongeveer 250 miljoen jaar oud is een nog veel ouder fenomeen onderzocht – een verklaring voor bewegingen na de oerknal, het beginpunt van de geschiedenis van ons universum.

De vraagsteller is Robert Macfarlane, auteur en docent Engelstalige literatuur aan het Emmanuel College in Cambridge. In zijn jongste boek Benedenwereld. Reizen in de diepe tijd (oorspronkelijk Underland. A Deep Time Journey) daalt hij af in het ondergrondse om daar te zoeken naar aanwijzingen, verhalen, betekenissen, verklaringen – en in feite: naar de plaats van de mens in dat kosmisch-historische geheel. Op de vraag die hij aan Toth stelde – waarom doe je wat je doet? – zou hij wellicht ongeveer hetzelfde antwoorden, al is de kans groot dat hij ook ‘verwonderen’ en ‘bewustmaken’ als doelen zou aanhalen.

Wood wide web

Macfarlanes bezoek aan de oude mijn in Boulby is de tweede van de elf reisbeschrijvingen die de kern van Benedenwereld uitmaken. De eerste drie locaties bevinden zich in zijn eigen Verenigd Koninkrijk: in de Mendips, Somerset bezoekt hij tienduizend jaar oude graven in kalksteengrotten; in Epping Forest, Londen, laat hij zich door een plantenwetenschapper instrueren over nieuwe ontdekkingen in de mycologie, de studie van schimmels en paddenstoelen. Recent onderzoek heeft immers uitgewezen dat bomen in staat zijn met elkaar te communiceren via ondergrondse schimmelnetwerken – meer nog, langs dezelfde weg kunnen ze voedingsstoffen uitwisselen en doorgeven, zodat zieke bomen geholpen kunnen worden door gezonde. Deze ‘ondergrondse sociale netwerken’ worden tegenwoordig omschreven als het ‘Wood Wide Web’. Onze bestaande visie op bossen, waarin bomen als concurrenten met elkaar zouden strijden om voedsel en licht, komt op losse schroeven te staan. Onder bomen geldt kennelijk ook een communautaristisch paradigma; mutualisme lijkt te primeren op de survival of the fittest. Een eerdere versie van dit razend interessante hoofdstuk is overigens te lezen in The New Yorker.

Macfarlane beperkt zich niet tot de eigen natie en de eigen geologie. In deel twee van Benedenwereld daalt hij af naar een drietal ondergrondse plekken op het Europese vasteland. Onder Parijs verkent hij samen met enkele ‘cataphiles’ de lege kalksteengroeves, waar wel eens een cataboum (ondergrondse fuif) plaatsvindt. In het karstgebied ten oosten van Triëste, Italië, gaat hij op zoek naar de Timavo, een ondergrondse rivier waarvan wel bekend is waar ze uitmondt, maar niet waar ze begint of waar ze precies loopt. En in de Sloveense hooglanden ten slotte, nog iets oostelijker, onderzoekt hij de verraderlijke holtes en uitsparingen in het poreuze gebergte die tijdens de twee wereldoorlogen meer dan eens als schuilplaatsen en moordkuilen hebben gediend.

De derde en laatste reeks reizen gaat naar plekken in Scandinavië. Op de Lofoteneilanden in Noorwegen bewondert Macfarlane prehistorische grottekeningen. Nabij Andøya, het meest noordelijke eiland van die andere Noorse eilandengroep, de Vesterålen, vaart een plaatselijke schipper-activist hem tot boven ‘de afgrond’, een plotse kloof in de zeebodem, waar de beruchte maalstroom ontstaat. Van daaruit gaat het naar Groenland, waar met de dieptes van het ijs ook de diepten van de daarin opgeslagen tijd onderzocht worden – en de invloed van de menselijke aanwezigheid op berg en bodem. Zijn laatste ondergrondse tocht brengt hem ten slotte naar een plek waar het heden symbolisch tot in een diepe toekomst aanwezig zal blijven: nabij de kerncentrale van Olkiluoto, aan de Finse westkust, is in een laag graniet op vierhonderdvijftig meter diepte een opslagplaats gemaakt voor 6500 ton uranium-235: verarmd uranium, resten van de mens die met een halfwaardetijd van bijna 4,5 miljard jaar de mensheid ruimschoots zullen overleven.

Palimpsesten
Een fijn reisboek dus, die Benedenwereld? Welzeker, maar het is wel heel oneerbiedig het boek alleen op die manier te framen. Voor Macfarlane, die eerder al de fascinatie van de mens voor hoogtes onderzocht in Hoogtekoorts (2003), het positief van Benedenwereld, en trektochten beschreef in De laatste wildernis (2012) en Oude wegen: een voetreis (2013), zijn de persoonlijke reisverhalen niet meer dan vertrekpunten, aanleidingen om een veel groter verhaal te vertellen. Hij laat zien hoe je landschappen kunt lezen als natuurlijke palimpsesten, als materiële communicatiemedia die informatie uit diepe oertijden vandaag aan de oppervlakte laten komen. Dat impliceert een enorme kennis van geografie, geologie, kosmologie, fysica, chemie, biologie en alle andere wetenschapsgebieden die de planeet aarde als object hebben – kennis die hij geenszins encyclopedisch etaleert, maar onnadrukkelijk aanwendt, behapbaar en begrijpbaar maakt. Hij zet ze niet in om het mysterie terug te dringen, maar juist om de verwondering te vergroten. Want wie weet hoe te kijken, ziet meer.

Behalve aan de natuurlijke omgeving schenkt Macfarlane, als de letterkundige die hij van nature is, aandacht aan de culturele aspecten van de afdaling naar de onder- of benedenwereld. Ze vormen nooit de kern van zijn betoog, maar cirkelen er voortdurend rond. De literatuur en de mythologische verhalen van oude volkeren vormen niet alleen een bron van informatie over de aarde; ze leren ons ook iets over de manier waarop mensen interageren met hun natuurlijke en kosmische omgeving, en over de betekenissen die verleden volken, die veel dichter dan wij bij de natuur leefden, aan hun omgeving toekenden. Voor zijn bezoek aan de nucleaire opslagplaats in Finland, leest Macfarlane zo de Kalevala, het Finse nationale epos dat meer dan duizend jaar mondeling is overgeleverd en in de negentiende eeuw voor het eerst op schrift is gezet; op Andøya leest hij Edgar Allen Poe’s Een afdaling in de maalstroom uit 1841 (‘nautische nonsens’, oordeelt hij op basis van de wetenschappelijke kennis van vandaag). En zoals de ondergrond ons vaak iets leert over het heden, zo lijkt het eeuwenoude Finse epos volgens Macfarlane ‘ondanks de grote ouderdom over voorkennis te beschikken over wat er momenteel op Olkiluoko gebeurt’. Want als Benedenwereld een reisboek is, dan wel een boek over een tweeledige reis: eentje in de ruimte, naar de beschreven plekken in Europa, maar ook een tocht  door de tijd, de diepe tijd, die in Macfarlanes woorden niets minder is dan ‘de duizelingwekkende uitgestrektheid van de geschiedenis van de aarde’ en die gemeten wordt in ‘eenheden waarbij de geschiedenis van de mensheid in het niet valt’.

 

Metamorfosen
Macfarlane onderscheidt zich door zijn weergaloze kennis van mens, cultuur en natuur, maar minstens evenveel door zijn bijzondere literaire capaciteiten. Zijn toon is licht, verstaanbaar, helder, persoonlijk, de technieken die hij gebruikt zijn die van een romanschrijver, soms zelfs van een begenadigd dichter. Benedenwereld is gestructureerd als een afdaling in een grot, van de introductie (de afdaling) tot de slotparagraaf (het bovenkomen).  De schrijver-verteller leidt de lezer onderweg bij de hand tijdens een verkenningstocht door drie ‘zalen’ van de grot (de drie delen van het boek). De deelverhalen kopiëren deze structuur. Bij elke ondergrondse verkenning laat Macfarlane zich leiden door een plaatselijke gids, een verschijningsvorm van Dante’s Vergilius, die in de Divina Commedia als leidsman in de wereldsferen fungeert. De gids leidt Macfarlane, die zelf gids is voor de lezer – wat de identificatie evident maakt, en waardoor de lezer nog meer de indruk heeft de tochten zelf mee te maken. De mensen die hij ontmoet worden personages, die wel eens kenmerken vertonen van mythologische figuren. Zijn gids op Andøya bijvoorbeeld, Bjørnar, heeft ‘borende, bleke ogen’ waarmee hij als een ziener dwars door de dingen heen lijkt te kijken.

De verschillende reisverhalen worden subtiel met elkaar verbonden. Macfarlane denkt geregeld terug aan vorige ondergrondse ervaringen, verbindt ze door middel van kleine herhaalde observaties, bedenkingen, motieven en zintuiglijke details met elkaar, verwijst terug en vooruit. Literaire technieken helpen hem om de boodschap van zijn boek voelbaar te maken. In een briljante passage aan het einde van het hoofdstuk over de rotsschilderingen in Kolhellaren, de ‘Hellegatgrot’ op de Lofoten, linkt hij drie tijdperken vormelijk aan elkaar: ‘Indopen, tekenen: trefzekere rode lijnen lopen over de rotshelling, vullen de stenen helling met dansende figuren.’ […] ‘Indopen, tekenen, en een vingertop maakt een lijn door de tijd, naar een zomerdag in 1992’, de dag waarop een archeoloog de grottekeningen ontdekt. En tot slot: ‘Indopen, tekenen, en een vingertop maakt een lijn door de tijd, naar een dag aan het einde van de winter van nu en een man alleen aan de baai bij de grot’ – naar het moment, dus, dat Macfarlane de schilderingen met zijn eigen ogen heeft gezien.

De passage symboliseert een van de tot dan toe voornamelijk impliciete stellingen die Macfarlanes betoog schragen: dat we via de aarde kunnen communiceren met onze voorouders en met de aardbewoners van de toekomst. Dat laatste komt expliciet aan bod in een passage over de jonge wetenschap van de nucleaire semiotiek: hoe waarschuw je toekomstige generaties of aardbewoners voor de nabijheid van kernafval? De beheerders van zo’n opslagplaats in de woestijn van New Mexico, toont Macfarlane, denken er in ieder geval heel serieus over na.

Een tweede basisprincipe dat in Benedenwereld dagzoomt, is het idee van de metamorfose. Alles vloeit: Herakleitos wist het al. Vanuit de diepe tijd bezien, is steen niet vast, maar vloeibaar, in voortdurende langzame beweging; ook hout maakt deel uit van een cyclus van leven en dood. En dan zijn er nog die grond- en delfstoffen die het menselijke bevattingsvermogen te boven gaan: kilometersdik poolijs, dat, als je het goed ontleedt, sporen van duizenden jaren geleden bevat die nu pas, door het smelten van de ijskappen, voor het eerst door mensen worden gezien. We beschouwen ijs vandaag niet langer als iets inerts, maar als een ‘springlevende stof’. Of aardolie, die motor van het antropoceen, die bestaat uit organische mariene resten van miljoenen jaren geleden, sporen van leven in de diepe tijd die onze tijd en ons leven mogelijk maken – maar wat met het toekomstige leven?

Ook de metamorfose wordt door Macfarlane literair vormgegeven. Verschillende biotopen worden stilistisch aan elkaar gesmeed. In Epping Forest valt door de bladeren bijvoorbeeld ‘groen, onderzees licht’; roodkeelduikers in Groenland zijn sierlijk ‘alsof ze uit water zijn gegoten’; het lichtende, stralende blauw van gletsjerpoolijs herinnert aan het blauwe water van de Sloveens-Italiaanse karstrivier de Isonzo, ‘blauw als tsjerenkovstraling: mooi en huiveringwekkend’. Via een andere metamorfotische beweging verbindt Macfarlane al wat leeft en geleefd heeft met elkaar: om door een nauwe grottunnel te raken neemt hij de vorm aan van gas; op een dagenlange Groenlandse trektocht met zijn gletsjerkompanen ‘worden we zelf ijsachtig. We drinken ijs, we wassen ons in ijs […] We betreden het ijs, het ijs betreedt ons.’

Goede voorouders
De techniek draagt bij aan het inzicht dat Macfarlane zijn lezers wil verschaffen: dat de mens deel is van de natuur, niet de meester ervan, en dat mens en natuur altijd in symbiose zullen samenleven. ‘Bezien vanuit het perspectief van de diepe tijd […] lijkt het idee dat de mens over deze planeet heerst aanmatigend, een farce.’ Maar hoezeer hij zich bijzonder bewust is van de vernietigende impact van de mens op zijn natuurlijke leefomgeving – het afval in de Noorse zee maakt hem droevig, de meer dan 50 miljoen kilometer tunnels die de mens in de bodem groef om er grondstoffen en olie te vinden wekken afschuw op; de in ijltempo verdwijnende ijskappen ziet hij met lede ogen aan  –  hij kiest niet voor defaitisme of alarmisme; een uitzonderlijke houding in deze tijden van politieke polarisatie rond de klimaatkwestie. Hij focust op het positieve, vanuit een mild soort activistisch humanisme, dat juist geen antropocentrisme is, en komt, zoals aan het einde van elk afdalingsverhaal, tot een openbarend inzicht bij de kernafvalopslagplaats in Finland: ‘Hier wordt langzaam en op praktische wijze een gigantisch probleem opgelost, naar beste vermogen van een menselijke samenleving. Hier wordt het zware werk verzet van collectieve besluitvorming en richting geven aan de wereld, onvolmaakt maar noodzakelijk, en met een zorg die zich niet alleen over een decennium of een generatie heen uitstrekt, maar nog verder, in een toekomst ná de mensheid.’

Symbiose, samenwerking, empathie met al wat leeft: is dat de sleutel voor een haalbare, leefbare toekomst op aarde? Als je ook de toekomst vanuit de diepe tijd bekijkt, lijkt actie nu noodzakelijk – maar kan er misschien iets als hoop zijn, suggereert Macfarlane: dat we er met verzamelde kennis, vereende krachten en de wil om wat bestaat te respecteren in kunnen slagen om ten minste dat te doen wat binnen onze menselijke mogelijkheden ligt om een toekomst op de aarde te vrijwaren.  .

Benedenwereld haalde in de Lage Landen, als ik het goed heb, één eindejaarslijstje in 2019, dat van Veerle Van den Bosch in de Standaard der Letteren. The Guardian plaatste het Engelse origineel in september 2019, amper vier maanden na de eerste publicatie, al onbeschroomd op plaats 56 in een top honderd van boeken van de eeuw (sinds 2000). Het is veruit het rijkste boek dat ik ooit las, krioelend van leven, een hybride meesterwerk dat in de beste universalistische traditie (natuur)wetenschap koppelt aan kunst, natuur aan cultuur, persoonlijkheid aan kennis, lichtheid aan helderheid – en dat in een grandioze, laagdrempelige maar erudiete en activistische beweging reflecteert op wat hier en nu aan de orde is. Het herinnert op een bijna religieuze manier aan de vandaag meestal onder veel te dikke institutionele stoflagen bedekte oerbron van wetenschap en kunst: oprechte verwondering over de ongelooflijke schoonheid van het bestaande. En het wenkt ons van daaruit onnadrukkelijk tot actie om die verwondering ook voor toekomstige generaties te laten bestaan, met als voornaamste streefdoel, citeert Macfarlane de immunoloog James Salk: ‘goede voorouders zijn’.

Recensie: Benedenwereld. Reizen in de diepe tijd van Robert Macfarlane door Bart van der Straeten.

Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2019
Vertaald door: Nico Groen en Jan Willem Reitsma
ISBN 978 90 253 0989 3
508p.

Geplaatst op 24/01/2020

Tags: Antropoceen, Benedenwereld, Ecologie, Geologie, Klimaat, Klimaatverandering, Natuur, Reisverhalen, Robert Macfarlane

Categorie: Non-fictie, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.