Proza, Recensies

Moederloze vrouw vecht tegen traumatisch verleden

Bloedblaren

Naomi Rebekka Boekwijt

Intensief sporten kan allerlei functies hebben, weten we net zo goed uit het echte leven als uit boeken en films. Hoe vaak hebben we personages zichzelf al niet uit het slop zien trekken door met hun ingezwachtelde handen op een stootzak te rammen, keer op keer hun armen tot het uiterste te strekken om die ene tennisbal binnen de lijnen te houden, eindeloos rond te draaien op de punten van hun kunstschaatsen, tot duizelens toe? Met name op het witte doek kan die strijd om het beste uit je lichaam én geest te halen mooi worden verbeeld: het opbollen van de spieren, de zweetdruppels op de armen en zelfs het bloed dat soms bij topsport wordt vergoten, staan garant voor close-ups die een lust kunnen zijn voor het oog.

Naar de precieze motivaties voor dat eindeloze trainen laten zulke films de kijker echter nogal eens raden, omdat het filmmedium personages hoofdzakelijk – hoe dicht op de huid ook – van buitenaf beschouwt. Voor de interne blik moeten we ons tot de literatuur wenden. Het geschreven woord mag dan minder geschikt zijn om die aangespannen biceps van dichtbij te tonen; voor een kijkje in de gedachten van zo’n personage dat zichzelf tot het uiterste drijft, kunnen we toch echt het beste een roman ter hand nemen.

Muscle-ups en double-unders

Dat laat ook Naomi Rebekka Boekwijt (1990) zien in haar nieuwste roman Bloedblaren. Eerder maakte zij furore met verstilde verhalen over het boerenleven, waarin kraakheldere zinnen de poëzie van het landschap vingen. Eenzame personages die de stilte van de grasvlakten opzuigen, zo troffen we ze aan in haar de verhalenbundel Pels waarmee zij in 2013 debuteerde, waarmee zij werd genomineerd voor de Academica Literatuurprijs, en vervolgens ook in Hoogvlakte (2014), die haar een nominatie voor de BNG Bank Literatuurprijs opleverde.

In Bloedblaren gooit ze het over een andere boeg. We volgen de midtwintiger Liv terwijl zij een poging doet haar leven opnieuw op te bouwen: overdag klust ze in haar huis, ’s avonds beult ze zichzelf af tijdens haar CrossFit-routines in de sportschool. Aan het begin van ieder hoofdstuk, vernoemd naar de maanden van het jaar, wordt opgesomd welke reeks aan oefeningen Liv in die periode zal uitvoeren: honderd double-unders, twintig overhead squats, twaalf muscle-ups.

Daar kan de gemiddelde work-outleek zich waarschijnlijk weinig bij voorstellen. Daarom doet Boekwijt een poging terloops uit te leggen hoe de lezer zo’n oefening voor zich moet zien:

De overhead squats ben ik maar half zo gewend als gewone squats: front squats, met de stang vóór mijn hals, op mijn schouders; of back squats, met de stang op mijn schouders achter mijn nek. De tang boven mijn hoofd is totaal andere koek. Kilian gebruikt van die vergezochte vergelijkingen waar ik totaal niets mee kan. Dat het net zo is als vinden van het koppelingspunt in een auto: de motor mag niet afslaan en de auto moet wegrijden zonder de haperen. Net zo moeten je uitgestrekte armen een ideale driehoek vormen met de stang, waarbij je skelet het gewicht ondersteunt en je alleen maar een squat hoeft te doen.

Zulke beschrijvingen vragen om flink wat voorstellingsvermogen: je zou bijna wensen dat achterin een verklarende begrippenlijst of zelfs een serie plaatjes per oefening was opgenomen. De tekeningen die aan het begin van ieder hoofdstuk de benodigde materialen voor de beschreven oefeningen tonen – halters, sportapparaten, met zand verzwaarde ballen – vullen maar een deel van die leemte in.

Traumatische jeugd

Maar het is Boekwijt niet alleen om een les in de basistechnieken van CrossFit te doen: eerder gaat het om de functie die dat overdadige sporten vervult. Ook in de vorm hoeft de lezer niet hetzelfde te verwachten als van Boekwijts eerdere werk. In dit verhaal geen overpeinzingen om naar te raden: alles staat op papier, tot de meest openhartige gedachten aan toe. Die laten ons weten dat Liv tijdens haar dagelijkse routines het uiterste van haar lichaam blijft vragen om te vluchten voor een traumatische jeugd, waarin haar moeder plotseling het huis verliet en haar vader zijn rol nauwelijks vervulde. Wanneer haar vader haar opnieuw betrapt terwijl Liv in haar polsen wil snijden, spreekt hij haar in alle directheid toe:

‘Nu gaan we het even ergens over hebben. Dat snijden van jou, dat moet onmiddellijk ophouden. Ik ga je vanaf nu regelmatig controleren en als je het nog doet dan ga ik dingen van je afnemen. Ik begrijp namelijk niet waar ik dit aan verdiend heb. Heb ik je niet altijd alles gegeven wat je wenste? Het wordt tijd dat jij je eens normaal gaat gedragen, in plaats van dat theatrale gedoe.’

Deze heftige gebeurtenissen doen Liv, samen met de pesterijen die ze op school moet verduren, belanden in diepe psychologische dalen, die haar laten snijden in haar polsen en haar doen wegdraaien van iedereen die haar hulp biedt. Het dichtstbij komt Sien, de enige psycholoog die Liv enigszins in vertrouwen neemt. Hun gesprekken staan, net als alle andere conversaties, in scriptvorm opgetekend. Die vorm maakt duidelijk dat emoties tijdens het uitwisselen van woorden naar de achtergrond worden gedrukt: gesprekken zijn niet meer dan een toneelstuk dat je uitvoert om normaal te lijken.

Toch geven ze wel degelijk inzicht in Livs psyche. We begrijpen op welke verwijtende manier haar vader met haar communiceerde – ‘Een lui varken, en ook nog eens ondankbaar! Toch wel te begrijpen dat je moeder je niet wilde!’ – en hoe Sien kleine openingen in haar pantser peuterde. Maar het meest leren we over Livs gedachten en verleden via de in cursief opgenomen dagboekfragmenten, vol pubergedachten waarin de wens er niet meer te zijn continu aan de oppervlakte ligt.

Dagboekstijl

Die dagboekachtige stijl heeft Boekwijt ook in de rest van de roman doorgetrokken: zonder behoefte aan verhulling maakt Liv duidelijk dat er maar weinig voor nodig is om haar weer terug in de afgrond van een depressie te duwen. Het excessieve sporten is niet meer dan een dunne wand die haar van dat oude leven scheidt: hoe bemoedigend ze zichzelf ook toespreekt over het nieuwe begin dat deze uit de hand gelopen hobby voor haar betekent – ‘Ik ben hier, ik beweeg, haal adem’ – de lezer voelt algauw aan dat er niet meer dan een klein tikje voor nodig is om Liv weer te laten omvallen.

Daarbij trekken verschillende krachten haar naar de goede en de slechte kant. Abstracte nachtmerries doen haar baden in het zweet. Een medecrossfitter uit de sportschool met wie ze kort aanmoddert en die haar vervolgens laat zitten, trekt haar nog verder in het diepe. Daartegenover staan de bemoedigende telefoongesprekken met trainer Jon, die haar blijft complimenteren met haar doorzettingsvermogen, humor en schoonheid. Ook haar resultaten bij lokale crossfitwedstrijden trekken haar af en toe uit het slop.

Zo slaagt het sportproject slechts ten dele: Liv doet een poging zichzelf af te leiden, opnieuw op te bouwen, tot het uiterste te drijven, zichzelf dusdanig te vermoeien dat de nachtmerries haar niet meer kunnen bereiken. Dezelfde functies vervullen het tot flauwvallen toe klussen aan haar huis, haar eigen plek, die haar moet beschermen tegen kwade invloeden van buitenaf. De analogie tussen haar eigen lichaam en de muren die haar omringen, valt niet te missen.

Stijlbreuken

Er valt meer niet te missen in Bloedblaren. De keurig uitgezette verhaallijn die leidt van een traumatische jeugd die zich niet laat wegstoppen naar een nieuwe val in het diepe, geeft de lezer het gevoel dat Boekwijt geen vertrouwen heeft in diens eigen invullingsvermogen. Zinnen als ‘Elk jaar op Moederdag vraag ik me af waarom ik niet goed genoeg was voor mijn moeder’ en ‘Mijn moeder wilde mij niet, gooide mij weg voor een ander kind, met een andere man’ nemen de kortste route, terwijl we uit Boekwijts eerdere boeken weten hoeveel ze kan zeggen door iets ongezegd te laten. Soms lijkt het alsof we niet zozeer een roman lezen als wel een verklaring, waarin Liv verslag doet van de zaken die haar bezighouden, zoals ook de sport die zij uitoefent continu vraagt om monitoring. Daarbij hoort geen poëzie: daarbij hoort pure zakelijkheid.

Soms duikt de oude Boekwijt weer even op – met name als de omgeving van haar huis beschreven wordt, en Livs eenzaamheid op het platteland. Maar nu vormen die zinnen vreemde stijlbreuken met alle overige passages, laten ze ons niet meer dan een glimp opvangen van de persoon die Liv zou kunnen zijn als ze haar ogen zou openen voor de schoonheid van de wereld om zich heen.

Zelfs de eindgreep die Boekwijt toepast, kan Bloedblaren niet redden: ook deze ingrijpende gebeurtenis, die Liv een nieuwe kijk zou kunnen geven op haar lichaam, wordt in clichématige beelden gevangen en dwingt het verhaal tot een ongemeend optimistisch einde. Het is het slot van een roman die de kans om uit te lichten hoe sport een mens kan maken en breken onvoldoende benut. Boekwijt had het gereedschap om die wereld met poëtische precisie te beschrijven, maar ze liet die woorden achter in het plattelandsdeel van haar oeuvre.

Een recensie over Bloedblaren van Naomi Rebekka Boekwijt door Anne van den Dool.

Atlas Contact, Amsterdam, 2020
ISBN 9789025458829
224p.

Geplaatst op 26/05/2021

Tags: fitness, sporten

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.