Brokstukken van alfabetten

Onder de bladerkronen

H. H. Ter Balkt

Er zijn maar weinig dichters die zo vastberaden dichten als H.H. ter Balkt. Sinds zijn debuut Boerengedichten (1969) schrijft hij voort aan een dichterlijk oeuvre dat in de Nederlandse poëzie zijn weerga niet kent: rijke, kloeke bundels, boordevol met gedreven, breed uitwaaierende gedichten. In al haar veelvormigheid is de poëzie van Ter Balkt verbluffend consistent van toon en boodschap: deze dichter is politiek activist, natuurmysticus en onheilsprofeet in één: hij komt op voor alles wat weerloos is (of dat nu het milieu, maatschappelijke verschoppelingen of de poëzie zelf is), schildert adembenemend mooie natuurtaferelen, en wisselt die af met apocalyptische visioenen. Zijn laatste, toepasselijk getitelde bundel Vuur (2008) toonde aan dat hij bijna veertig jaar na zijn debuut met dezelfde gedrevenheid verder streed – tégen ‘de fragmentiseerders’, zoals hij het zelf ooit formuleerde in het essay ‘De vergrassing van de geest’ (1997), en vóór een hernieuwde eenheid tussen mens en natuur.

In zijn nieuwste bundel, Onder de bladerkronen, lijkt Ter Balkt echter een andere toon aan te slaan. De gedichten zijn melancholischer, soms zelfs op het defaitistische af. De lezer die vertrouwd is met Ter Balkt, zal in eerste instantie de indruk krijgen dat de dichter op dezelfde voet verder gaat. Zo vind je in de bundel prachtige, lyrische lofzangen op de ongerepte natuur, zoals ‘Usselo, herbezocht’, een ode aan de geboorte- en geestesgrond van de dichter:

en ’t stof dooft de zomer
als vroeger in de onweersdagen
toen Usselo, keizerrijk op een kar
voorbijratelde in zon en regen;
snel flitsten de wielen en hoger
dan de vliegen en vogels vlogen
spatten de zonnestralen uiteen
op de voerlui en dennennaalden,
jij lieflijk goudstof van weleer

Fraai zijn ook de natuurscènes in het gedicht ‘In de sneeuwstraat’, een uitgebreide reflectie naar aanleiding van een foto van een ontsnapte koe. De koe, door de dichter ‘Blossom’ gedoopt, stapt nieuwsgierig door een zonovergoten straat met auto’s en fietsers. ‘Hé, heldin van Hathor, blonde Aquitaanse’, zo roept Ter Balkt haar toe: ‘Je lijkt Io wel de sneeuwwitte koe / met je mooie lichte wimpers.’

Maar zoals wel vaker het geval is in Onder de bladerkronen, slaat de stemming snel om. De impressies van de koe op ontdekkingstocht worden opeens doorschoten met beelden van slachthuizen, ‘mond- en klauwzeerbrandstapels’ en ‘de machines en hun tanden’. Het zonnig begonnen gedicht blijkt een ware nachtmerrie te worden. De dichter verwoordt Blossoms angst in beelden die sterk aan Psalm 23 herinneren, waardoor de tekst een oudtestamentische lading krijgt: ‘Waar / zijn de wateren der rust en waar / zijn de bloemen heen / de boom waar ik me tegen schurkte / en het troostrijke groen.’ De boodschap is duidelijk: dit gaat niet zomaar over een ontsnapte koe, dit gedicht, ook al is het in de onvoltooid verleden tijd geschreven, is niets minder dan een dystopische profetie. En de toekomst die Ter Balkt voorspelt, is heel dichtbij: ‘In die tijd, tweeduizendacht’, zo houdt de dichter ons voor, ‘stokte en stopte vrijwel alles.’

De rolwagens van het geld

Ter Balkt laat er geen misverstand over bestaan dat de mens de nabije ondergang van de wereld aan zichzelf te danken heeft. ‘Als er dan toch geen hel bestond / dan bouwden wij die wel op aarde’, schrijft hij, en: ‘De rolwagens van het geld en de afgronden / zijn als mensheid gekleed.’ De probleemanalyse die in Onder de bladerkronen wordt ontvouwd, is bijzonder somber. Volgens Ter Balkt hebben industrialisatie, wetenschappelijke experimenten en milieuvervuiling de mens vervreemd van zijn natuurlijke oertoestand. Ooit, in mythische tijden, was de mens nauw verbonden met de wereld om hem heen, maar langzamerhand is hij haar steeds meer gaan beschouwen als leverancier van grondstoffen voor consumptie – als willoos materiaal, dat zonder pardon kan worden vermalen tot hapklare brokken. In het gedicht ‘Uitlegging van de industrie’ beschrijft Ter Balkt die objectiverende houding van de consumentenindustrie als volgt:

Industrie, rad van fortuin
je machines draaien snel rond
(als ondoorgrondelijke molens)
en malen ondoorgrondelijk
vensterglas, tafelpoten, mixers
Op de machines druppelt
de verveeldheid van de mensen

De consumentenmens kan dan ook geen landschappen met dieren en planten meer bewonderen; hij ziet alleen maar potentiële ‘Jumbo Supermarkten Varkenstransporten / Levensmiddelen Tankwagens en containers’. De consequenties van die houding wordt op indringende wijze in kaart gebracht: in Onder de bladerkronen gaat de wereld schuil ‘onder een verdikkend dak van stikstof’, bedekken ‘vlektyfus en dras’ de ‘bloemen’, en ‘van raketten’ regent ‘schroot neer’. Vaak kiest de dichter letterlijk de kant van de dieren, door hun ongehoorde klacht te verwoorden. In het gedicht ‘De albatros aan Charles Baudelaire’ wordt bijvoorbeeld een sprekende albatros opgevoerd, die eens machtig over de ‘watervloeren’ vloog, maar nu ‘de westelijke en de oostelijke vuilnisbelt’ onder zich ziet: ‘Onze jongen met plastic gevoederd […] sterven vóór ze vliegen’.

Niet alleen de dieren worden slachtoffer van de doorgeslagen consumentenmaatschappij. Telkens probeert Ter Balkt duidelijk te maken dat we zélf evengoed de rekening krijgen gepresenteerd. ‘Onze aura vervliegt’, schreef hij al eens in een essay in De gedenatureerde Delta (2007): wanneer de mens de wereld om zich heen objectiveert en daardoor vervreemdt van zijn natuurlijk staat, dan verliest hij onvermijdelijk – ja, wat eigenlijk? Hier neemt de natuurmysticus het van de politiek activist over. Wát we precies kwijtraken wanneer we de natuur verwaarlozen, wordt beschreven in tastende, esoterische bewoordingen. ‘Er was geen weidsheid in ons’, waarschuwt Ter Balkt, ‘ons hart sluit niet meer’, of: ‘wij [struikelen] over het veld, / nu er meer hulzen dan zielen zijn’. Met zulke uitspraken doelt hij op een mythische lotsverbondenheid tussen mens en wereld. Er is er een wereld in ons en een wereld buiten ons – en ooit zouden die twee een eenheid gevormd hebben. Nu de mens de wereld de rug heeft toegekeerd, is die nauwe verbintenis verbroken. Vandaar dan ook dat Onder de bladerkronen sterk melancholisch van toon is. Elke mogelijke andere wereld, suggereert Ter Balkt, is beter dan deze. ‘Mythen en voortijd / waar zijn jullie’, eindigt bijvoorbeeld het gedicht ‘In de sneeuwstraat’, en in andere gedichten wordt verlangd naar een ‘betere einder’ of naar het ‘licht achter de zon en sterren’.

Wat moet en niet kan

Is er nog redding mogelijk? Misschien. Uit eerdere bundels werd al duidelijk dat Ter Balkt al zijn kaarten op de poëzie heeft gezet: volgens hem is het de dichter die met zijn gedichten de mens tot inkeer zou kunnen brengen en de binnenwereld weer met de buitenwereld zou kunnen verbinden. ‘Wie schrijft, schrijft over beide werelden’, schreef hij in het essay ‘De vergrassing van de geest’. Op de achterkant van Waar de burchten stonden en de snoek zwom (1979) schreef hij ooit: ‘Want de poëzie is wat moet en niet kan, wat zou moeten kunnen maar niet mag, wat kan en niet moet, wat welgevoeglijk is en niet passend, wat korrekt is maar onfatsoenlijk.’ Poëzie, lijkt Ter Balkt hier te willen zeggen, dient een stem te geven aan iedereen en alles wat genegeerd, verwaarloosd of gemarginaliseerd wordt. Aan de gebruikelijke regels moet een dichter zich daarom weinig gelegen laten liggen.

Het klinkt als een onwaarschijnlijk hoge taakopvatting, maar wanneer je bedenkt dat het in kranten of de politiek steeds minder ‘passend’ is om voor het marginale op te komen, is het wellicht zo vreemd nog niet om de poëzie als laatste redmiddel te zien. ‘De systemen van de wereld deugen niet’, zei Ter Balkt in een interview uit 1980, ‘en daarom moet de poëzie daar regelrecht tegenin gaan.’ Niets voor niets spiegelde de dichter zich aan het begin van zijn carrière, toen hij zich nog Habakuk II de Balker noemde, aan de profeet Habakuk, die schreef: ‘Wee dien, die de stad met bloed bouwt, en die de stad met onrecht bevestigt!’ Net zoals Habakuk dat deed met de mensen uit zijn tijd, confronteert Ter Balkt ons met een kritische, waarschuwende boodschap – ook al is dat een boodschap die we soms liever niet zouden willen horen.

Ook in Onder de bladerkronen wordt de poëzie in eerste instantie gepresenteerd als onmisbaar wapen in de strijd tegen onrecht. Op het omslag van de bundel staat een enkel citaat van de dichter: ‘Poëzie kan niets verdedigen; poëzie is de verdediging.’ Daarnaast zijn er veel regels te vinden die de macht van de stem, het lied of de taal benadrukken. Zo draagt een gedicht als titel ‘Adem, versper de doodververs de doorgang’; en in ‘Hymne aan de herfstregens in Midden-Drenthe’ spreekt de dichter zijn taal plechtig aan: ‘Lied, kristalhelder, / spoel de hemelen, en heldenzangen, / wees niet verkleefd met de hitte.’ En ook het ‘drinklied op wie nog ademhalen’, waarmee de bundel wordt afgesloten, is een lofzang op de kracht van de poëzie, die maar niet klein te krijgen is:

Een drinklied op wat blijft en vergaat,
lichte gezangen op het verijlen
Ze zeiden, ook de wind gaat eraan,
maar ons drinklied zal blijven;
zolang er water in de zeeën staat

Maar tegelijkertijd zet Ter Balkt in zijn nieuwste bundel, duidelijker dan we gewend van hem zijn, vraagtekens bij de poëzie en wat zij vermag. Typerend is in de allereerste plaats de elegische inslag van de gedichten: Ter Balkt lijkt vaker te rouwen dan te razen. Evenzeer veelzeggend is dat hij ergens de poëzie direct aanspreekt en dan een heel dubbelzinnige omschrijving van haar geeft: ‘o jij, poëzie / arbeidt met lichtsnelheid, brokstukken van alfabetten zwerven om de aarde…’ Dat poëzie met de snelheid van het licht werkt, sluit nog aan bij Ter Balkts hoge taakopvatting, maar het omineuze beeld van brokstukken van alfabetten, die als ruimtepuin om de aarde heen zwerven, is beduidend minder hoopgevend.

Daarnaast valt op dat hij zichzelf vaak herhaalt – op verschillende manieren. Zo herneemt en herschrijft hij in Onder de bladerkronen gedichten uit eerdere bundels. Dat is bij Ter Balkt niet uitzonderlijk, maar nu wordt de lezer daar expliciet aan herinnerd door een datering, direct aan het slot van die gedichten. Ook op zinsniveau herhaalt Ter Balkt zichzelf. Zo hebben sommige gedichten een soort refrein of stokregel, en in weer andere gedichten laat hij fragmenten of citaten regelmatig terugkeren, alsof er inderdaad brokstukken van het alfabet door zijn poëzie heen zwerven. Die letterlijke herhaling op zich is evenmin ongewoon voor deze dichter, maar in combinatie met zowel de elegische toon als de nadrukkelijke verankering van de gedichten in het verleden, geeft zij de bundel als geheel iets treurigs en moedeloos. Bijna alsof de dichter in cirkeltjes draait en op het punt staat het op te geven.

Slinger leeg jullie inktpotten

Het gedicht waarin deze dichterlijke metaalmoeheid nadrukkelijk wordt gethematiseerd, is ‘Potvissen’. Ter Balkt publiceerde het eerder in Hemellichten (1983) en bracht er sindsdien enkele kleine wijzigingen in aan. De eerste strofen van het gedicht vormen een magistrale beschrijving van een indrukwekkende potvis, een levend ‘olievat groot als een dorpsstation’, die moeiteloos ‘dertig straatwegen diep’ duikt. Kenmerkend voor Ter Balkt is dat de beschrijving van de schoonheid van de vis wordt afgewisseld met regels die weer herinneren aan de neiging van de mens om alles – ook potvissen – te verwerken tot gebruiksmaterialen. Zo is de potvis een ‘goudmijn voor de ivoorsnijder’ en met zijn lijf, ‘een pakhuis van oliën’, ‘vervoert hij kosmetische zalven / voor meisjes wachtend bij ’t station’.

Dan, in de slotstrofe, verschuift het perspectief: er komen ‘lichtschuwe schepsels’ in beeld, die bij ‘potvisolie-vlammetjes’ werken aan ‘De Kroniek / In Zwarte Taferelen van De Diepte’. ‘Tentakels op!’ roept de dichter ze toe: ‘Slinger leeg jullie / inktpotten, achtarmige schrijvers / Jullie wondere verhalen breken af’. Het is heel verleidelijk om die regels te lezen als een zelfportret. Is Ter Balkt immers niet zelf zo’n dichter die werkt aan een profetische kroniek van een duistere wereld? En is die aansporing tot het leegslingeren van de inktpot niet een oproep om poëzie te blijven schrijven – poëzie die het wondere verhaal van de potvis boekstaaft? Als we deze regels inderdaad zo mogen lezen, dan stellen die potvisolie-vlammetjes ons voor een probleem: die zouden er wel eens op kunnen duiden dat de dichter er zélf ook niet aan ontkomt om de wereld als grondstof te verbruiken. Suggereert Ter Balkt wellicht dat hij net zo schuldig is aan de wantoestand in de wereld als iedereen? Hoe dat ook zijn moge, duidelijk is dat de dichter tussen de regels door het failliet van zijn project erkent: niets kan de potvis redden, óók de poëzie niet.

Meer dan in zijn vorige bundels lijkt Ter Balkt in Onder de bladerkronen de mogelijkheid open te laten dat zijn ‘wondere verhalen’ inderdaad afbreken. Zijn nieuwste bundel is een verzameling oogverblindende brokstukken, her en der genomen uit zijn oeuvre, uit de binnen- en buitenwereld. Hoewel hij zich groot houdt, raakt de dichter er langzaam van doordrongen dat hij er niet in slaagt de fragmenten te verenigen tot een eenheid die redding zal brengen. De mythische oerstaat blijft onbereikbaar. Het is aangrijpend om als lezer deelgenoot te worden van dat doorbrekende inzicht, maar ook angstaanjagend. Hopelijk hervindt Ter Balkt zijn optimisme in zijn volgende bundel en herneemt hij dan zijn strijd tegen de afbrokkeling. Want anders zal ook onze laatste profeet er alsnog het zwijgen toedoen.

Links

De Bezige Bij, Amsterdam, 2010
ISBN 9789023458296
78p.

Geplaatst op 05/11/2010

Deel:

Reacties

  1. Willem Thies

    Prachtige bespreking, Gaston! Hier en daar is zij *zelf* bijkans poëzie (‘ruimtepuin’, om maar een voorbeeld te noemen – maar in haar geheel: kundig & stilistisch sterk geschreven).

    Wat betreft de potvis & de inktvis. Ik moest denken aan een boek dat ik op de middelbare school bezat & gretig las: ‘Reuzendieren’ of ‘Reuzen der aarde’, zoiets luidde de titel (ik heb het helaas niet meer; geruild tegen een ander boek).(De ‘theraposi blondi’, of iets dergelijks, kan ik me nog herinneren, een reuzenspin. Met de lengte van de hand van een volwassene)

    Reuzenpijlinktvissen zijn de gezworen vijanden, de aartsvijanden, van potvissen. Nu is het frappante (meen ik me te herinneren) dat, hoewel de reuzenpijlinktvis vrijwel altijd het onderspit delft tegen de machtige potvis, hij hem desalniettemin *altijd* aanvalt. Nu is zo’n reuzenpijlinktvis ook geen kleintje, en inktvissen zijn sterke beesten – dus dat levert vaak een mooi gevecht op. Op gevangen en gedode (of aangespoelde) potvissen worden regelmatig littekens aangetroffen op het lijf van de potvis, waarschijnlijk overgehouden aan dit soort gevechten. Ook las ik een verhaal over een reuzenpijlinktvis die een kleine boot aanviel, precies op de plek waar zich de kop (of hersenen?) van de potvis zou hebben bevonden – mocht de boot geen boot maar een potvis zijn. (Die reuzenpijlinktvissen zouden wel eens *enorm* groot kunnen zijn want ze leven in de diepzee, en men vangt nimmer levende exemplaren.)

    Of, en in hoeverre, deze informatie (voorzover zij juist is, ook nog eens) past in uw relaas, weet ik niet – maar: de dichter, ‘het inkt-wezen’, kennelijk ook als doodsvijand van de potvis, zoiets? Zoiets lijkt u ook te suggereren? Zelfs de dichter is de potvis tot vijand.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.