Proza, Signalement

De dorper versus de homo citoyenus

De ommelanden

Elvis Peeters

Het fijne van de romans van Elvis Peeters is dat zij op een pijnlijke manier verwachtingspatronen ontregelen. Peeters weet vooroordelen en aannames van de lezer tegen diezelfde lezer in het geweer te brengen, waardoor de lezer aan het eind van het boek – om de beeldspraak maar even geforceerd door te trekken – aan de andere kant van dat geweer staat. Dat vind ik uitermate verfrissend, omdat je nergens zoveel van groeit als van het geconfronteerd worden met – en het kritisch bekijken van – je eigen vooroordelen, want laten we wel wezen: als je naar bevestiging zoekt van je eigen ideeën, hoef je geen literatuur te lezen. Het onfrisse aspect van de romans van Peeters is helaas ook juist dat voorspelbare procedé; het begint een trucje te worden. En trucjes werken alleen als ze feilloos uitgevoerd worden, dat zal elke illusionist beamen.

Heel kort door de bocht: de roman Wij (2009) stuurt aanvankelijk aan op een coming of age-verhaal over een vriendengroepje van acht pubers, met de nodige drama’s en bespiegelingen, categorie Het smelt maar dan niet zo dik. De roman vliegt echter angstaanjagend uit de bocht: die in wezen goede pubers, met een opleiding en een toekomst, veranderen in gewetenloze monsters, die juist gebruik maken van wat volwassenen als hun zwakte zien: het feit dat hun moreel kompas nog niet geijkt is. Het hele idee dat ik nog drie kinderen door die levensfase moet zien te leiden, grijpt me sinds dat boek naar de keel. Maar ook later wordt het er niet beter op, want in de roman Dinsdag (2012) maken we kennis met een oude man die zich kranig zelfstandig overeind weet te houden in zijn huisje. Net als je denkt dat we hier een roman te pakken hebben die de schrijnende verhalen in de ouderenzorg aankaart, begint dat verwachtingspatroon te kantelen en blijkt deze vriendelijke ouwe man een oud-koloniaal die grossierde in seksueel geweld en andere extreme wreedheden. Een correctie op het beeld dat Jef Geeraerts veertig jaar eerder schetste in zijn Gangreen-boeken van de koloniaal als strenge heerser tegen wil en dank – wiens obsessieve aandacht voor zwarte vrouwen nog werd gepresenteerd als kwajongensfratsen – toen heette dat nog exotisme, vitalisme of zelfs levensdrift. Peeters laat zien wat het echt was: schoftengedrag, machtsmisbruik en gebrek aan beschaving.

Dus als er een roman uitkomt die De ommelanden heet, dan weet je eigenlijk al wat er gaat gebeuren: er volgt een tegenstelling tussen de grootstad en het platteland, en het gaat gruwelijk mis. Vooroordelen die ik in mijn grootstedelijke gezapigheid heb – het platteland is voor koeien, ze lopen daar enorm achter en het zijn daar gesloten eigenheimers die het niet op stedelingen hebben bijvoorbeeld – gaan in deze roman op de schop.

Dat skelet van de roman heeft Peeters goed opgebouwd. Er is een stadse fotografe, een ‘homo citoyenus’ die een artistiek project heeft bedacht, namelijk het fotograferen van overleden ‘dorpers’. Merk op dat het woord ‘dorper’ al sinds de Middeleeuwen gebruikt wordt voor onbehouwen boerenkinkels, onbeschaafd en onbetrouwbaar gajes. De fotografe geeft de nabestaanden een stapeltje bankbiljetten en dan fotografeert ze de overledene op zijn of haar doodsbed. ‘Ze duikt op waar gestorven wordt. Dat is haar goed recht. Maar in ruil warmen wij ons aan haar leven. Dat lijkt niet tot haar door te dringen, behept als ze is door haar eigen besognes.’ Misschien dat de fotografe wel degelijk integere bedoelingen heeft, maar haar gewapper met geld maakt dat de dorpers haar wantrouwend de Engel des doods noemen. Ze is niet geïnteresseerd in de doden, niet in de levende dorpers, ze leeft alleen voor haar artistieke project, haar stadse frats. Dan slaat plots het noodlot toe: ze kan daar niet meer weg. En dan zijn de rollen omgekeerd: ze vormt, als hulpeloze stadse troela, een dankbaar slachtoffer voor de geile en schurkachtige dorpers, vreest ze zelf. De lezer moet dan met haar mee gaan voelen: och jee, Dora toch, waarom heb je je zo in de nesten gewerkt? Als dat maar goed afloopt…

Maar dat is dus het skelet van de roman. Het vlees op de botten is er dit keer niet liefdevol op gekleid, maar er achteloos tegenaan geworpen. Er loopt een tweede verhaallijn door de roman, over de overheid van het land waarin het boek zich afspeelt. In dit land bestaan regio’s waar geen mobiele netwerken bestaan, waar de dichtstbijzijnde grote stad dertig dagen wandelen is, waar ze ristretto drinken en waar er priesters rondlopen. Zoiets als Italië. Daarnaast wordt dat land getroffen door extreme droogte waardoor er in de steden een groot gebrek aan drinkwater is, water dat ook essentieel is voor het kweken van voedsel in stadstuinen; grote flatgebouwen met gecontroleerde teelt. De overheid van dit Italië, dat ik ergens in de nabije toekomst plaats, is naarstig op zoek naar manieren om meer water naar de steden te krijgen en onderzoekt zowel de mogelijkheden om zeewater betaalbaar te ontzilten, als om ondergrondse rivieren en waterstromen naar de stad toe om te leiden.

Alle mogelijkheden dus om een dystopische thematiek uit te werken, om de waterschaarste uit te bouwen tot een stevige klimaatroman, maar dat blijft uit. Er staan af en toe cursief gedrukte passages in met populistische holklap: ‘Kuddedieren. En niet iedereen maakt deel uit van onze kudde. Als je dat eenmaal inziet, wordt het leven eenvoudig.’ Of: ‘Wetten zijn gebaseerd op het algemeen belang waar dat het individueel belang kruist. Maar op een gegeven moment rest er te weinig algemeen belang opdat alle individuen er nog aanspraak op kunnen maken: er zijn er simpelweg te veel.’ Na twee keer lezen denk ik dat ik deze passages toe kan schrijven aan de overheid van dit visionaire land, als een soort programma achter hun beleid om na een bankencrisis de ommelanden eigenlijk op te geven, los te snijden, maar ze staan daar eigenaardig contextloos, die rechtse, nietzscheaanse oprispingen die het verhaal onderbreken.

Dan is er nog een intrige tussen de achterblijvers in de stad. De zus van Dora is zwanger, haar echtgenoot doet schimmig onderzoek naar de mogelijkheden tot waterwinning en zijn beste vriend – die tevens een ex van Dora is – moet hem bespioneren, om hem in noodgevallen chantabel te maken. Meer dan dit is het volgens mij niet. Deze nevenintrige krijgt te veel aandacht om hem te kunnen negeren of af te doen als een symbolisch of thematisch contrapunt, maar te weinig ruimte om fatsoenlijk uitgewerkt te worden. Het blijft karton, schetsmatig ingekleurd. Peeters zal de bedoeling hebben gehad om hier tegenwicht te bieden aan het simpele, overzichtelijke, onvruchtbare, dorre en analoge dorpsleven, maar het resultaat is een scheve bochel.

Peeters vertrouwde de kracht van zijn eigen plot al niet, anders kan ik niet verklaren waarom hij op zeker zes momenten het probleem met de niet-werkende telefoons aanhaalt. Ook de geografische ligging van het dorp is vreemd, want per auto ben je er vanaf de dichtstbijzijnde stad in een paar uur, maar op de fiets is het weken rijden en lopend zeker dertig dagen. Slordigheid of onzekerheid?

Om de spanning op te bouwen, is er een ‘we’-perspectief van waaruit de dorpers Dora bespioneren. Dit vijandige en nieuwsgierige perspectief slaat doodgemoedereerd gade hoe Dora vastloopt, hoe haar auto stokt, haar telefoon weigert en ze meer en meer gevangen raakt in het web van de dorpers. Aanvankelijk werkt dit goed, omdat het aangeeft dat Dora echt tegenover een muur met oogjes staat. Gaandeweg komen er bressen in die muur en versplintert dat wij-perspectief, dan komt er zicht op de individuen die in het dorp wonen: de smid, de priester, de ouwe boerin, de dagloner-annex-hobbyfotograaf. Een soort Asterix: ‘Heel Gallië? Neen, een klein dorpje bood moedig weerstand.’ Maar deze perspectiefverschuiving is slordig uitgewerkt. Op sommige momenten kan die ‘we’ gedachten lezen, wat hem meer een alwetende verteller maakt dan een gluurder. Soms wisselt het perspectief per alinea tussen de derde en de eerste persoon, zonder dat dat iets toevoegt.

Peeters’ stijl is een afwisseling van kort, zakelijk proza met fraai geformuleerde zinnen, vaak een beetje wrang van toon. Zelfs pagina’s waar niet zo veel gebeurt, worden door deze stijlbloempjes gedragen. In deze roman zijn die zinnen echter te dun gezaaid, het is vooral dat korte, zakelijke proza. De dialogen zijn allemaal stroef en harkerig, wat verdedigbaar is als je met stroeve, harkerige mensen te maken hebt, maar wat aan betekenis verliest als er niks tegenover staat. ‘Al kan ik niet ontkennen dat ook ik ooit, op een onbezonnen moment, met de gedachte heb gespeeld met Dora het bed te delen’ – dat soort zinnen getuigt niet van veel inleving in de personages, noch van een kritische redactieronde. Dat zou dan ook de dt-fout op p. 178 verklaren.

Het oeuvre van Peeters moet het, resumerend, niet hebben van verrassende plots, omdat de fans het procedé herkennen. Het moet het hebben van een grondige afdaling in de geest van een slecht mens, of van een stuwende vertelling met veel gruwel, van stilistische pareltjes en van zorgvuldig proza. Dat is in deze roman niet voldoende aanwezig, eigenlijk zelfs afwezig.

Angèle, Antwerpen, 2019
ISBN 9789057599606
220p.
Prijs: 20,50

Geplaatst op 27/08/2019

Tags: 2019, Elvis Peeters

Categorie: Proza, Signalement

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.