De existentiële pose

Een bepaald idee van de wereld

Alessandro Baricco (vert. Manon Smits)

Waarom zou je teksten over boeken lezen in plaats van die boeken zelf? Ik heb het me eigenlijk nooit afgevraagd. Het kon gewoon, omdat die teksten nu eenmaal beschikbaar waren, en ik erop gewezen werd. Maar het voelde ook om een andere reden vanzelfsprekend: er ging voor mij altijd een vormend plezier vanuit om te lezen hoe anderen lazen, of ik het boek nu kende of niet. Lezen over boeken leek, behalve informatief en inspirerend, altijd een introductie tot de praktijk van de literatuur zelf, zoals geen school het me kon bieden: de literatuur als tweekoppig monster, als ondeelbare communicatie van schrijven en lezen, tegelijk individueel en reëel verbeeld contact. Lezen wat iemand schreef over wat hij of zij las, was in die zin altijd een unieke vorm van inzage: niet zozeer in waar het boek over ging (dat las je desnoods op de cover), maar in hoe het werkte. Het bood inzicht, het liet voelen hoe en of de taal van de schrijver erin slaagde om buiten het kader van het boek verder te leven in de taal van een lezer die de behoefte voelde om erover te spreken. Het toonde, kortom, hoe het schrijven, hoe vanzelfsprekend ook, pas begon te leven door te lezen, en hoe terugschrijven de ervaring van de lezer als verlangen om te spreken teruggaf aan het boek.

De grootste idiotie die de literatuur- en bij uitbreiding de kunstkritiek in die zin ooit is overkomen, is de idee dat het met dat schrijvende lezen wel wat minder kon omdat de lezer van zulke stukken zelf wel een mening zou vormen over het boek. ‘Emancipatie’ als dekmantel voor paternalisme – vorm je oordeel, want daar komt het op aan – die in laatste instantie op klassieke castratie uit was. Je snijdt er immers de ballen mee weg van wat een kritiek net kan: een boek doen leven in de ogen van de lezer. En je ontneemt ook een volgende generatie de kans te leren wat de literatuur bezielt, niet als heiligdom (van canon tot bestsellerlijst), maar als communicatieve praktijk met een traditie. Al is dat niet de enige reden waarom ik hier spontaan geneigd ben in de verleden tijd te schrijven. Critici die schrijvend lezen in plaats van aan de lopende band oordelen en dada’s poneren, kom je in de traditionele (Europese) media sowieso al niet vaak meer tegen. En de weinige ruimte die hen rest om te kunnen overleven, wordt bij momenten ook nog eens ingenomen door vormen die haar van binnenuit perverteren. Het jongste boek van de salonfähige cultuurcriticus Alessandro Baricco is daarvan een voorbeeld.

Een bepaald idee van de wereld bundelt de vijftig afleveringen van een wekelijkse rubriek in La Repubblica, waarin Baricco over ‘de vijftig beste boeken’ schreef die hijzelf het afgelopen decennium las. De selectie volgt de chronologie waarin Baricco ze zelf las en is daarom even eclectisch als toevallig. Het gaat van een ‘autobiografie’ van Andre Agassi tot die van Charles Darwin, met daartussen alle soorten boeken die je maar kan bedenken: romans, historische studies, strips – kersvers, populair of haast vergeten. Reden voor dat alles: aanzetten tot lezen en aldus een steentje bijdragen aan ‘de bescheiden liturgie’ waarmee het genoegen van de literatuur ‘de collectieve intelligentie en fantasie’ meehelpt te herijken. Dat klinkt afdoende. En het zou eigenlijk ook al moeten volstaan, geeft Baricco in zijn proloog toe. Maar er is een reden die nog belangrijker voor hem is, en daar begon het schoentje voor mij meteen te knellen: door een jaar lang gewoon één voor één over zijn boeken te vertellen, en wel alleen over de goede, betrachtte hij ‘een bepaald idee van de wereld’ begrijpelijk te maken, meer bepaald het zijne. Dat verdienden al die prachtige boeken toch, quoi? Dat ze een vehikel werden van Baricco’s visie?!

Zouden we hier over dezelfde Baricco spreken als diegene die breder bekend werd met De barbaren (2010), ook een bundeling van columns in La Republicca? Daarin maande hij de traditionele culturele elite haar luie en arrogante verzet op te geven tegen de zogenaamd ‘barbaarse’ oppervlakkigheid van de nieuwe, horizontale cultuur met haar snelle, vaak digitale prikkels en lak aan studieuze diepgang. ‘De barbaren’, liet Baricco een keer optekenen, ‘houden er helemaal niet van om in boeken te leven. Wat hen interesseert, is de breedte van het directe leven.’ Altijd revelerend, zo’n duaal wereldbeeld, maar wie geeft dan daarna zelf een boek uit met als uitgangspunt precies zijn eigen leven in boeken? Ter illustratie van wat? Het verbrede denken van de intellectueel? Of de hypocrisie van deze auteur? Zeg dan toch gewoon dat jij kennelijk nog altijd een aardige stuiver kunt verdienen door een column te schrijven over wat je graag hebt gelezen. Zeker als je die dan ook nog eens bundelt. Maar bespaar ons de geparfumeerde kontdraaierij als uitleg voor hoe je met al die kennelijk wondere boeken duidelijk tracht te maken wat je wereldbeeld is, naar analogie met iemand die vertelt hoe hij zich de hemel voorstelt.

De idee dat je in boeken de ‘Weltanschauung’ van de auteur kan lezen, klinkt sowieso al gedateerd – als je je althans niet tot het nieuwe moralisme hebt bekeerd. Dat het niet eens meer om de visie van gelezen auteurs gaat maar om die van Baricco zelf, als lezer, maakt hem echter tot een karikatuur van de intellectueel die zich op zijn culturele status beroept. Ik noem het niet eens een positie, maar een pose: de existentiële pose van iemand die graag uitpakt met zijn leven in boeken, met de ‘barbaarse’ breedte van zijn smaak in zijn blijvende hang naar literatuur. Typerend daarvoor zijn de kleine, anekdotische cursiefstukjes die aan elke boekeloge voorafgaan, en waarin Baricco de ‘Sitz im Leben’ van het voorliggende boek schetst: waarom hij het ooit kocht, op aanraden van wie, hoe terecht dat elke keer was of in welke zin het hem is bijgebleven, enzovoort. ‘Bij een kraam gevonden, tweedehands, per toeval. Maar ik geloof niet dat toeval bestaat als je boeken koopt bij een kraam’, heet het bijvoorbeeld. Of, over een boek over de geschiedenis van het voetbal: ‘Dat moet je echt lezen, zei een vriend met wie ik uren kan discussiëren over de 4-3-3-opstelling. Hij had gelijk.’ En: ‘Elk jaar een Faulkner en een Shakespeare. Altijd. Je moet jezelf toch een paar regels opleggen.’ Naast: ‘Als je leven ervan afhangt, is er niks beter dan een Dickens, welke dan ook’.

Het heeft in zijn gezochte banaliteit telkens ook iets overdreven dramatisch. En opmerkelijk genoeg komt de autoriteit daarbij zelden of nooit van het boek zelf, maar meestal van een vriend of collega, het aura van een auteur, de lokroep van een titel, een wat aanstellerige levensregel, een vormgeving, een persoonlijke kwestie of andere externe factoren. ‘Hoe kon ik een boek met zo’n titel laten liggen, in de periode dat ik liep na te denken over de barbaren’, luidt de typerende intro bij een boek over ‘La Querelle des Anciennes et des Modernes’. Of: ‘een boek met zo’n mooie titel koop je, punt uit’ over Christa Wolfs Geen plek. Nergens (1979). En tot slot, om het af te leren, over Baricco’s ontdekking van Rebecca West: ‘Gekocht omdat het een boek met een mooi omslag was, met afgeronde hoeken, en gedrukt op ongewoon fraai papier’. Is dat dan erg? Helemaal niet, niet erger dan Weekend Knack. Maar het is wel verhelderend om te zien dat Baricco het elitaire aura van zijn leven tussen de boeken als een ouderwetse bron van autoriteit gebruikt om over boeken te spreken op een manier die vooral beantwoordt aan de esthetische habitus van een ‘lifestyle’-consument – op zoek naar een koopgids, oog in oog met de keuzestress. ‘Elk jaar een filosofie-klassieker, daarover is geen discussie mogelijk.’

Ziedaar de existentiële pose. Wat moet het leven een hel zijn zonder de jaarlijkse filosofie-klassieker! Toch? Het perfecte drama. Zijn eigen autoriteit. En tegelijk: wat moet Baricco (of de lezer) een idioot zijn als hij werkelijk in het bestaan van zo’n regel gelooft, laat staan in de onbespreekbare zin ervan. Zou hij het menen? Natuurlijk wel: bij wijze van spreken. ‘Menen’ en ‘doen alsof’ vallen hier samen. Dat blijkt nog het beste uit de stijl waarmee hij zijn boeken bespreekt, uit zijn taalgebruik als spiegel van de wijze waarop hij denkt. Baricco’s toon is die van een zelfbewuste aristocraat zonder stropdas: iemand die graag doet alsof hij rechtstreeks tegen je spreekt wanneer hij schrijft (‘Oké, hij heeft het niet zelf geschreven, dat is zo’, luidt de allereerste zin van het boek over de autobiografie van Agassi), maar dan om je zodoende des te meer te overtuigen van zijn gave als schrijver die ‘gewoon’ spreekt. Of van de generositeit van zijn wijsheid, in al haar bescheidenheid. ‘Ik vrees dat het de zin van het leven is jezelf het geluk af te dwingen’, besluit hij het stuk over Agassi bijvoorbeeld: ‘Al het andere is luxe voor de geest, of juist armoede, dat verschilt van geval tot geval. Het kan echter ook best zijn dat ik me vergis. Het is maar een instinctieve gedachte – een bepaalde manier om naar de wereld te kijken.’ Zelden was bescheidenheid zo ijdel, en wijsheid – laten we wel wezen – zo ongehinderd bescheiden.

Dat belet niet dat Baricco af en toe prettig leesbare columns schrijft of op prikkelende boeken wijst – The Roots of Romanticism (2001) van Isaiah Berlin of het werk van de Italiaanse schrijvers Beppe Fenoglio en Paolo Villaggio zal ik wellicht eens ter hand nemen. Maar het punt is dat hij die boeken niet leest. Ofwel vindt hij er een aanleiding in voor een solovlucht die uiteindelijk landt in een soort stelligheid waarbij je alleen je schouders kunt ophalen: ‘Ik ben een beetje afgedwaald’, eindigt hij de bespreking van Richard Brautigans Dat de wind er geen vat op krijgt (1988) bijna even pedant als elegant: ‘Ik wilde zeggen dat dit boek is geschreven met een magnifieke lichtheid, en met een droefheid die nooit droevig is’. Waarvan akte. Ofwel slaat Baricco een pad in dat allicht ook onvermijdelijk is als je beslist hebt om alleen goede boeken te bespreken: de heilloze en ook nogal vlug vermoeiende piste van het gedweep, meestal onderstreept met een of ander verbluffend citaat waarna alleen nog deemoedige stilte past. Of dat lijkt toch de bedoeling. Een ontijdig en lezenswaardig pleidooi voor ‘oefeningen van de geest’ naar aanleiding van een boek van Pierre Hadot eindigt zo, met het oog op de onbegrijpende barbaar en ‘iedereen die brandt van het legitieme verlangen om de wereld te veranderen’, met volgend citaat van Georges Friedmann: ‘Er zijn veel mensen die volledig in beslag genomen worden door politiek activisme, door de voorbereiding van de sociale revolutie. Zeldzaam, uiterst zeldzaam, zijn zij die, ter voorbereiding op de revolutie, willen zorgen dat ze die waardig zijn.’ Waarvan akte, andermaal.

Het probleem is uiteraard niet dat je dat citaat niet zou wil kennen, of dat het nietszeggend zou zijn. Het probleem is wel dat Baricco de boeken die hij ophemelt tegelijk herleidt tot de levenslessen die erin rondzweven, in de vorm van parels van citaten. Parels waarmee hij zijn existentiële pose tooit – als een kitscherige krans van kristallen. Elk boek wordt zodoende ingelijfd in Baricco’s savoir-vivre, zijn persoonlijke lijstje van belangrijke zaken, zijn ‘lifestyle’. Meer dan op de boeken zelf in te gaan, leest hij ze dan ook als de illustratie van een fundamenteel gebaar van de auteur dat hij op prijs stelt. Of het nu om het ‘plechtig gemompel’ en ‘vreemde, onsamenhangende’ vertellen van William Faulkner gaat, de ‘literaire benadering der dingen’ van de Spaanse auteur Javier Cercas (‘respectvol ten opzichte van de realiteit maar toch hardnekkig trouw aan de verbeelding’), het unieke openbaren van ‘de nuances van het bestaan’ waartoe alleen boeken (zoals die van Rebecca West) in staat zijn of ‘het wreken van de bescheidenheid van het dagelijkse leven’ in de boeken van Fred Vargas: telkens ontleent Baricco aan het besproken boek een oorspronkelijke manier om in het leven te staan die, juist door ze zich toe te eigenen en als ‘levensles’ te huldigen, verandert in een existentiële pose.

Het gevolg is niet alleen dat Baricco als intellectueel in feite een ouderwetse moralist blijkt, ondanks de zorgvuldige zelfrelativering en de lippendienst die hij breeddenkend aan het barbarendom bewijst. Het zorgt er vooral ook voor dat zijn eigen ‘idee van de wereld’, toch de inzet van het hele project, slechts via het werk en de citaten van anderen bijeen te puzzelen valt. En dus wat tweedehands lijkt in zijn eigenste poging om zich te verbergen achter die anderen met wie hij graag te pronken loopt. Geen wonder dat de ontvangst van zijn boek soms zelf weer in de reproductie van lijstjes met titels en inspirerende citaten resulteert, het soort niet-lezen dat hij zelf praktiseert. Maar het is wel cynisch dat iemand die nog tijd en ruimte krijgt om voor een ruim publiek te schrijven over wat hij leest én die zelfs de ‘intellectuele aristocratie’ wil wakker schudden, de aanstichter wordt voor het reactiveren van de meest reactionaire vorm van literaire cultuur: het snobistische grossieren in titels en bon-mots. Johan De Haes deed in zijn recensie nog een poging om Barrico’s ‘idee van de wereld’ op te diepen, zoals die moet blijken uit zijn terugkerende voorkeur voor lichtheid, precisie, nutteloosheid, geduld of zijn afkeer van al te veel realisme en al te nadrukkelijk geëtaleerde kennis (in historische romans). Maar veel levert dat niet op – daarvoor is zijn keuze van boeken in het algemeen ook te voorspelbaar, of het nu om Roberto Bolaño, J.M. Coetzee, Dave Eggers, Ian McEwan, Per Olov Enquist of om Hilary Mantel en Bill Bryson gaat. Bovendien blijft mijn vraag wat je als lezer dan bent met dat inzicht in Baricco’s idee van de wereld.

Uiteraard poneert Baricco wel eens een mooie zin of een behartenswaardige gedachte. Zo noemt hij ‘het landschap in boeken’ (helaas bij herhaling) ‘de intelligentie van de schrijver’, situeert hij de kracht van de intellectueel (met dank aan Christa Wolf) in het grote vermogen ‘om de dingen te benoemen’ en provoceert hij niet geheel loos wanneer hij stelt dat ‘mensen die tegenwoordig veel talent hebben om te schrijven ook genoeg talent hebben om te snappen dat het niet meer zo de moeite waard is’. Alleen zou je hopen dat hij die mooie frasen ook zelf wat meer ter harte zou nemen, niet het minst wanneer hij instemmend een Italiaans pamflet over de taak van de schrijver in de democratie citeert dat zegt dat we behoefte hebben aan ‘intellectuelen die van het podium afstappen en hun werk doen’ – ontleden, fetisjen ontmantelen, ‘zoeken naar ongemakkelijke ideeën’ (in plaats van voorspelbare). Een bepaald idee van de wereld is daar zowat het tegenbeeld van. Baricco’s dada’s ontmantelen als attributen van zijn existentiële pose en retoriek wil ik dan ook nog wel doen. Zijn adoratie voor Truman Capote wordt dan een vingerwijzing – als schrijver van zowel In Cold Blood (1966) als Breakfast at Tiffany’s (1958) is Capote immers hét model van de auteurs die Baricco het hoogste inschat: ‘zij die op het laatst zichzelf tegenspreken’. Maar in zijn veredelde leestips naar zijn idee van de wereld graven? Daar ben ik toch wat te barbaars oppervlakkig voor geworden. En ik lees liever echt teksten over boeken dan boeken die doen alsof.

Overigens: een Italiaan die zich graag op zijn wereldse ideeën laat voorstaan maar dan in een gesprek met zijn zoon over voetbal naar de onvergetelijke doelpunten van Paolo Rossi verwijst in de finale van ‘het WK in Argentinië’, terwijl dat gewoon Spanje moet zijn, die heeft geen idee van de wereld. Hooguit leeft hij in de zijne – waar niemand ooit eens opmerkt: ‘pas op, je valt door de mand!’

Links

De Bezige Bij, Amsterdam, 2014
ISBN 9789023486633
240p.

Geplaatst op 13/01/2015

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.