Proza, Recensies

De nieuwe kleren van keizerin Europa

Grand Hotel Europa

Ilja Leonard Pfeijffer

Ilja Leonard Pfeijffer heeft een Grote Europese Roman geschreven. Grand Hotel Europa doet niets minder dan existentiële vragen stellen over de Europese identiteit: Waar komt Europa vandaan? Wat is de plaats van het oude continent in tijden van globalisering? Waar gaat het naartoe met Europa, dat Pfeijffer in Brieven uit Genua nog voorstelde als een oude dame die in haar Brusselse appartement gehuld in kamerjas voor de televisie hangt?

De ik-figuur van de nieuwe roman is een schrijver die in een imposant maar aftakelend luxehotel, het Grand Hotel Europa, zijn recente verleden te boek stelt. De personages die hij in het luisterrijke hotel ontmoet, zijn schitterend geportretteerd. Zo is er Patelski, een oude intellectueel met wie Ilja filosofische gesprekken voert over het wezen van Europa. Of de piccolo Abdul, die de schrijver tijdens hun gezamenlijke rookpauzes vertelt over zijn gevaarlijke tocht naar Europa. Het hotel straalt tijdloze klasse uit, maar is ook in verval, zoals het continent Europa zelf. In de loop van Ilja’s verblijf transformeert het hotel onder de handen van meneer Wang, de nieuwe Chinese eigenaar, waardoor het er aanvankelijk naar uitziet dat het hotel zijn grandeur verliest. Toch laten de adembenemende slotscènes in het hotel, waarin een sleutelrol is weggelegd voor een vioolspelend Chinees meisje, geen eenzijdig cultuurpessimistisch slotakkoord klinken.

Wat Ilja schrijft in het hotel, is niet alleen het relaas van zijn ontmoetingen, maar ook de geschiedenis van een liefde. De verteller blikt terug op zijn relatie met Clio, een Italiaanse kunsthistorica die hij in Genua ontmoet en met wie hij naar Venetië verhuist. Daar ondervinden ze aan den lijve de extreme gevolgen van het massatoerisme, een fenomeen dat Ilja verder onderzoekt voor zijn roman in wording. Zoals de toeristen die ze verafschuwen, gaan Clio en Ilja bovendien zelf op reis om de geschiedenis te verkennen. Alleen is hun zoektocht gerichter en gedreven door kennis: ze willen een van de laatste schilderijen van Caravaggio terugvinden. De ingewikkelde theorieën die ze daarvoor samen bedenken, brengen hen onder andere naar Malta en Portovenere. Hoewel het liefdespaar opbloeit van de gedeelde passie voor de geschiedenis – hij is classicus en schrijver, zij kunsthistorica en Caravaggio-kenner – komen er gaandeweg barsten in hun relatie. Wanneer Clio een nieuwe baan aanneemt in het Louvre van Abu Dhabi, lijkt de breuk compleet.

Ook via andere paden betreedt Ilja de thematiek van het toerisme. Hij wordt benaderd door een olijk drietal documentairemakers met vage plannen en stuurt hen in de richting van dat onderwerp. In het kader van hun project spreekt hij met avontuurlijke toeristen uit het Nederlandse plaatsje Giethoorn, met een Amsterdamse ambtenaar voor citymarketing en met een organisator van extreme vakanties. Zij laten hem de vele paradoxale facetten zien van het hedendaagse toerisme, waarin waarlijk authentieke reiservaringen tot op de millimeter geregisseerd blijken en de drang naar zulke ervaringen elke ongerepte plek kapot maakt. Wanneer de schrijver voor de vertaling van La Superba in Skopje is, leert hij hoe de stad in de jaren 2010 vernieuwd werd om economische en natievormende redenen. De overheid hoopte toeristen te lokken met een gefingeerd verleden in de vorm van standbeelden en nieuwe gebouwen in traditionele stijlen. Maar dat plan mislukte, verneemt Ilja. Het is een van de vele casussen waarmee de roman doeltreffend de destructieve en decadente kanten van toerisme reveleert.

Na alle voorbereidingen laten de documentairemakers het afweten. De filmmaker Marco gelooft niet meer dat hij waardevolle kunst kan maken na alles wat er al gemaakt is. Tegenover dat artistieke defaitisme plaatst de roman opnieuw resoluut een tegenbeeld: de roman zelf, uiteraard, maar ook een megalomane tentoonstelling van de hedendaagse kunstenaar Damien Hirst, die Ilja met Clio bezoekt in Venetië. In Treasures from the Wreck of the Unbelievable (2017) integreert Hirst met veel branie de traditie van de kunsten door te kiezen voor duurzame materialen, imitaties van klassieke stijlen en een grandioos, verzonnen verhaal. De tentoonstelling stalt zogezegd de oogverblindende verzameling kunstschatten uit van een tweeduizend jaar oud, gezonken schip. Zichtbaar en opzichtig zijn die schatten aangetast door de zee en de tijd. ‘Zo moet ik schrijven’, denkt Ilja bij zichzelf, ‘in de geest van dit machtsvertoon, deze gulheid en dit plezier in het avontuur. Ik moet de klassieke vormen en zucht naar monumentale perfectie niet mijden.’ Die overdadigheid is Grand Hotel Europa.

 

Eenduidig? Niet direct

Met een verteltechniek die Pfeijffer in La Superba perfectioneerde, laat hij de verschillende verhaallijnen – het hotel, de liefdesgeschiedenis, de documentaire – alterneren in de zesentwintig hoofdstukken van de roman. Geen lezer hoeft de lange uiteenzettingen over toerisme en Europa te vrezen, omdat ze ingenieus gemonteerd zijn in gelaagde en geestige scènes. Bovendien liggen ze meestal in de mond van personages, waardoor nu eens complexe dan weer luchtige ironie ontstaat. De ironie is bijvoorbeeld nadrukkelijk aanwezig wanneer een Nederlandse toerist het woord neemt en uitvoerig vertelt over een originele en riskante vakantie-ervaring in Pakistan. Tegelijk blijkt hij in zijn honger naar iets authentieks even banaal als elke andere toerist – een banaliteit die wordt onderstreept door zijn naam (Bas) en de plaats waar het interview plaatsvindt (Giethoorn). De roman schroeft de ironie verder op door een metaperspectief. Aan het begin van het hoofdstuk bekent de verteller namelijk dat hij Giethoorn eerst niet wilde bezoeken omdat ‘de kneuterigheid van oer-Hollandse locaties’ zou kunnen zorgen voor ‘een ironische toon die we tot elke prijs moesten vermijden’.

Dat soort ironie en het metaperspectief zijn handelsmerken van Pfeijffer. Zoals in La Superba becommentarieert de verteller de wording van zijn roman en herhaalt hij geregeld waar de roman over moet gaan. Het is mede daardoor dat een complexe roman als La Superba een groot publiek kon bereiken. Het kon gewoonweg niemand ontgaan dat de roman migratie, liefde en romankunst voorstelde als de onontkoombare projectie van fantasieën. Het vervelende neveneffect was dat lezers vaak niet verder kwamen dan de formule die de roman al aanreikte: de migrant verdwaalt in de fictie van het betere leven elders.

Een vergelijkbare redenering gaat op voor Grand Hotel Europa. Het kan de lezer niet ontgaan dat de Europese identiteit volgens de roman in het teken staat van een nostalgische reflex. De vraag is dus of de lezer nog iets kan toevoegen aan de interpretatie die de verteller zelf al hapklaar voorschotelt. De ogenschijnlijke directheid van de boodschap, die door literatuurcritici en andere lezers snel wordt opgepikt, is tegelijk een sterkte en een valkuil. Per slot van rekening is literatuur een kunst bij gratie van de indirectheid. Grand Hotel Europa zet precies allerlei middelen in om de geëxpliciteerde ideeën te ontregelen: de retoriek, de metaforiek, de compositie, de manier waarop personages gekarakteriseerd en de ruimte beschreven worden. In de vormgeving zit humor, prikkeling en spanning, maar ook doorwrochte nuancering van ideeën. In dat verband mag noch de ernst, noch het parodiërende karakter van de roman onderschat worden. Wie alle expliciete uitspraken over Europa bij elkaar harkt, komt weliswaar tot een vrij samenhangend standpunt, maar die samenhang is misleidend omdat hij vakkundig ontmanteld, genuanceerd en zelfs omgekeerd wordt. Het wordt dan ook pas interessant als we nagaan wie die uitspraken doet in welke verhaalcontext (zoals in het voorbeeld van Bas in Giethoorn) of hoe Ilja en de anderen een houding tegenover Europa incorporeren en ondermijnen. De maatschappijbetrokken cultuurkritiek en de politieke standpunten van de verteller liggen dan wel in de lijn van Brieven uit Genua of Pfeijffers columns en interviews, maar de auteur verwerkt evenzeer lijnen uit het postmoderne spel van zijn roman Het ware leven, een roman. De Caravaggio-zoektocht in Pfeijffers recente roman is vergelijkbaar met de Dan Brown-parodie in Het ware leven en ook de oer-Hollandse personages Tom, Brenda, Bas en Yvonne kan de lezer uit die romanwereld herkennen.

 

Stijladvies voor toeristen

De parodie, de ironie en de meerstemmigheid maken Pfeijffers visie op Europa en toerisme dus verre van eenduidig. De roman heeft dan ook veel te bieden voor wie de details hun werk laat doen. Wie kan na het lezen van Grand Hotel Europa bijvoorbeeld nog onbevangen kijken naar de kleren van de Europeaan, de toerist, de migrant? Al in de eerste zin duikt een kledingstuk op. Wanneer Ilja aankomt in het hotel, ziet hij ‘het nostalgische rode uniform van een piccolo’, die de lezer al op het omslag aantreft. Wanneer Clio voor het eerst verschijnt in de roman, is ze ‘[i]n plaats van de deur open te doen in verhuis-T-shirt en joggingbroek’ ravissant uitgedost, wat de verteller in detail beschrijft. Ze draagt ‘een spectaculair kort zwart jurkje met een bloemmotief van witte glaskraaltjes en een wufte kraag van witte raffia’. Schoenen, juwelen, make-up – we vernemen alle details. In de hele roman zijn Ilja en Clio voortdurend piekfijn vestimentair verzorgd. Niet alleen schrijden ze zo door de roman als anachronistische figuren die aan glorieuzer tijden doen denken, ze contrasteren ook met de vele toeristen die hun pad kruisen. In Valletta voelt Ilja zich ‘de enige respectvol geklede man te midden van barbaarse horden in strandkleding’. Of wat te denken van het Amerikaanse tienermeisje Memphis dat met haar gezin in het hotel verblijft en op een avond ‘spectaculaire roze schoenen’ draagt ‘met dikke plateauzolen van kurk’ en bandjes ‘afgezet met roze poezenbont’? Zo’n outfit moet in het werk van Pfeijffer wel de voorbode zijn van iets groots.

De personages van Grand Hotel Europa laten zich kennen door hun tenue, die getuigt van hun smaak en respect voor traditie of juist van een volslagen gebrek daaraan. In verhalende literatuur is kledij altijd wel een verklikker van gender, klasse, status, generatie enzovoort, maar Pfeijffer weeft uitvoerige beschrijvingen van kledij in zijn roman om de grote thema’s te ondersteunen. Toeristen dragen ‘korte broeken en teenslippers’, terwijl Ilja en Clio hun eerbied voor de monumenten kenbaar maken door haute couture, zoals ook het personeel van de toeristische industrie (butlers, kelners, bewakers) formeel gekleed gaat. Maar zelfs die schrille contrasten zijn niet ongecompliceerd. Tenslotte zijn ook de Armani- en Prada-stukken van het koppel onderhevig aan modes en dus heerst hier dezelfde logica van vernieuwing, commercie en verval die Ilja bekritiseert. Bovendien heeft de schijnbaar tijdloze smaak van het koppel ook iets nostalgisch en decadents. Het orkestje blijft spelen terwijl het schip zinkt. En is die weemoedige verknochtheid aan traditie en geschiedenis zelf geen onderdeel van de Europese identiteit?

Wie de kledingstukken in Grand Hotel Europa van nabij bekijkt, merkt dus weer de complexiteit van de romanthematiek. Hetzelfde gaat op voor de gloedvolle beschrijvingen en interpretaties van architectuur, schilderkunst en muziek. Ook daarin ontplooit de verteller een visie op het roemrijke verleden als de enig mogelijke toekomst voor Europa én een besef dat die visie niet nieuw is. Wat daarin ondanks alle stemmen en tegenstemmen een constante is, is een eurocentrische houding. De Europese culturele traditie blijft in de hele textuur van de roman overeind; andere culturen, zoals de Amerikaanse of de Chinese, verbleken erbij. Sterker nog, anderen laten zich in hun culturele vorming door Europa leiden. Abdul vlucht niet alleen naar Europa, hij modelleert het verhaal van zijn vlucht ook minutieus naar een werk uit de literaire traditie van dit continent. Zo neemt ook het nieuwe prestigieuze museum in Abu Dhabi, waar Clio naartoe trekt, de naam, een collectie en een traditie over van een Europese klassieker, het Louvre.

 

Exquise taal en zelfkritiek

De taal van Grand Hotel Europa is weelderig, pittig en geestig, met metaforen die tot de verbeelding spreken. Wanneer Memphis in de roman verschijnt, beziet Ilja haar aanwezigheid in het hotel als ‘de verschijning van een showballerina op een monumentale begraafplaats. De marmeren zuilen stonden haar stompzinnig aan te staren. De vergulde lambriseringen bladderden van verbazing. Het hoogpolig rode tapijt waarover zij energiek banjerde, bloosde van verlegenheid’. De verteller neemt de tijd om de taal te laten vonken.

Naast de stijl van de verteller hangt in de roman veel af van de dialogen en de taal van personages, waarmee Pfeijffer alle registers – van karikatuur en stereotype tot uitgewerkt karakter – bespeelt. Zijn personages kleden zich niet enkel met stof maar ook met taal. Personages die Europese geschiedenis ademen, zoals Patelski of de maître d’hôtel Montebello, spreken in labyrintische volzinnen met omslachtige beleefdheidsformules. Ook de nieuwkomer Abdul bedient zich van die anachronistische taal. Veel gesprekken bestaan eerder uit monologen en doen door de setting en de thematiek denken aan Thomas Manns Der Zauberberg, zoals heel wat critici hebben opgemerkt en zoals Ilja’s uitgever in de roman al suggereert. De taal van Ilja botst komisch en veelzeggend met het taalgebruik van andere figuren. Wanneer Memphis seks met hem wil, zegt hij: ‘dat ongetwijfeld exquise voorrecht moet ik met pijn in mijn hart aan mij voorbij laten gaan’, waarop Memphis hem vraagt om ‘nou eens een keer normaal’ te praten. Contrastrijke en kluchtige communicatiestoornissen met vrouwen komen wel vaker voor in de roman. Zowel met Clio als met de Franse hotelgast en zelfverklaarde feministe Albane komt het geregeld tot retorisch wapengekletter. Niet zelden is het de schrijver die neergehouwen wordt.

Een en ander leert de goede verstaander dat Ilja belichaamt wat hij zelf bekritiseert en omgekeerd: de roman bekritiseert waar het hoofdpersonage voor staat. In de omgang met vrouwen of in zijn pose als schrijver staat hij geregeld te kijk. Ook die strategie perfectioneerde Pfeijffer in La Superba, waarin Ilja zelf een parodie van het mooiste meisje van Genua wordt. In Grand Hotel Europa is hij als kind van de Europese traditie zelf mikpunt van de cultuurkritiek die hij ontplooit. De kritiek op een zelfgenoegzaam Europa dat zich blindstaart op de troeven van het toerisme is tevens zelfkritiek. Ze móet dat ook zijn om geloofwaardig te kunnen zijn. De Europeaan die Europa op de korrel wil nemen of de toerist die het toerisme wil hekelen, mag zichzelf niet sparen.

Maar de zelfkritiek is evenmin eenduidig en kan dat ook niet zijn gezien die paradoxale positie van de protagonist. De noodzakelijke dubbelzinnigheid krijgt gestalte in de mix van ernst en parodie. Als dat de roman immuun maakt voor kritiek, dan is dat veeleer de onwelkome bijvangst van een grote kwaliteit van de roman. De dubbele bodems brengen nuances aan en doen het perspectief voortdurend kantelen, wat de (reeds oplettende) lezer wakker houdt. Die lezer zal zien dat deze roman zoveel meer is dan een ideologiekritische analyse van het massatoerisme en een cultuurfilosofische vivisectie van Europa. Grand Hotel Europa verbeeldt op een eigenzinnige, soms subtiele manier ook een toekomst voor Europa, pleit voor Europese ambitie en een open houding tegenover migratie. Het is een roman die de literaire traditie viert en de kracht van taal en kunst uitdraagt. Europa draagt niet langer een peignoir, maar krijgt nieuwe kleren. Misschien is ze wel – zoals de keizer in Andersens sprookje – gehuld in niets.

De Arbeiderspers, Amsterdam, 2018
ISBN 9789029526227
547p.

Geplaatst op 15/04/2019

Tags: Caravaggio, Damien Hirst, Europa, Grand Hotel Eruopa, Ilja Leonard Pfeijffer, Toerisme, Venetië

Categorie: Proza, Recensies

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan paar uren of dagen duren.