De onbruikbaarheid van het verstand

Stof dat als een meisje

Toon Tellegen

Hier stond eerst een andere bespreking van Stof dat als een meisje, de nieuwste gedichtenbundel van Toon Tellegen. Het was een lang en doorwrocht stuk. Nee, laten we eerlijk zijn: het was te geforceerd. Ik probeerde ermee aan te tonen dat de poëzie van Tellegen getypeerd wordt door een systematische contingentie. De dichter, zo was ongeveer de redenering, schrijft zijn gedichten volgens een bepaalde systematiek en lokt daardoor allegorische interpretaties uit. Maar door allerlei ongerijmdheden te introduceren, of juist sterk symbolische (wat volgens mij dan weer iets anders zou zijn dan allegorische) elementen binnen die systematiek op te voeren, creëert hij voortdurend verschil, in plaats van identiteit – terwijl die allegorische interpretaties juist gebaseerd zijn op identiteit.

Afijn, u merkt het al: het werd een abstract, al te abstract betoog – het product van een worsteling. De retorische terminologie en de complexe begrippen vormden het grove geschut waarmee ik Tellegens poëzie te lijf ging, maar ik kreeg er geen enkel moment grip op. Weinig verwonderlijk dus dat ik uiteindelijk vastliep. Laat ik het daarom in déze bespreking over een andere boeg gooien: waarom was het lezen van Tellegens gedichten zo’n worsteling voor me?

Eerst de voorgeschiedenis. Tellegen schrijft gedichten die tegelijkertijd simpel en complex zijn. Hij bouwt in elke bundel een herkenbare wereld op van eenvoudige motieven, vaste personages en terugkerende structuren. De gedichten beginnen meestal met een identieke regel en de personages zijn veelal ‘een man’, ‘een vrouw’, of ‘de een’ en ‘de ander’. Daarnaast werkt Tellegen graag met vaste patronen: elk gedicht varieert bijvoorbeeld op een spreekwoord (Wie A zegt uit 2002), een letter uit het alfabet (…m n o p q…uit 2005), of mythologische figuren (Beroemde scherven uit 1982). Binnen die vaste patronen schept de dichter echter steeds weer andere scenario’s: hij varieert voortdurend met de spanningsboog van zijn teksten.

De poëzie van Tellegen lijkt een lichtvoetige, dichterlijke variant van Zola’s Roman Experimental: de auteur neemt een aantal generieke personages, plaatst ze in een experimentele ruimte, zet iets in gang en kijkt vervolgens wat er gebeurt. Het gedicht is niet meer dan een onderzoeksverslag. Wanneer je aan het volgende gedicht begint, wordt het vorige als het ware uitgewist en begint het experiment opnieuw: de personages worden als voor het eerst geïntroduceerd, de dichter voegt een motief toe, en… notuleren maar. Tellegen licht deze aanpak in het gedicht ‘Wat ik van een gedicht verwacht’ uit Gewone gedichten (1998) nader toe. Daarin stelt een ‘ik’ dat hij ‘in een gedicht [wil] kunnen plaatsnemen’ om vervolgens ‘Vort!’ te roepen. Wanneer de omstanders hem vragen met welke bestemming hij vertrekt, antwoordt hij dapper: ‘Een onbekende!’

Die werkwijze nam mij voorheen erg voor deze dichter in. Zijn bundels hebben iets speels, iets onvoorspelbaars, terwijl je aan de toon en de insteek toch meteen de auteur kunt herkennen. De edelkitsch van de moraal of de pasklare levensles bleven je bespaard. Er wordt in deze poëzie geen wereldbeeld ontvouwen of troost geboden, want daarvoor is zij eenvoudigweg te veranderlijk. Tellegen lezen houdt het midden tussen een eindeloos herhaalde eerste scheppingsdag en een kansspel: elk gedicht betrekt je bij de creatie van een nieuw universum, maar toch staat er weinig op het spel, want in de volgende ronde zijn alle kansen weer gelijk.

Met een verbeten onverschilligheid

In Tellegens nieuwste bundel, Stof dat als een meisje, wordt tot op zekere hoogte hetzelfde procédé toegepast. In elk gedicht ontmoeten een man en een engel elkaar. Soms wisselen ze enkele woorden, soms niet, maar er wordt hoe dan ook gevochten. Keer op keer wordt beschreven hoe de engel de man slaat, ‘tot bloedens toe’, en hem neerwerpt in het stof. Het gevecht begint in elk gedicht van voren af aan, waarbij de hoofdpersonages ook opnieuw worden aangekondigd: steeds begint de beschreven scène met ‘een man’ en ‘een engel’, alsof de ontmoeting voor de allereerste keer plaatsvindt. Die herhaling geeft de gedichten een eigenaardig déjà vu-karakter: je hebt het gevoel dat je al weet wat er gaat gebeuren, maar nog niet precies wát. Een fraai voorbeeld van Tellegens insteek:

Een man wist niet dat hij met een engel vocht –
er zijn geen engelen, fluisterde hij

en hij voelde geen pijn,
viel niet,
bloedde niet,
ging niet één of duizend keer dood –
nee, ze bestaan niet! riep hij, telkens opnieuw –
en hij werd niet weggesleept, niet weggegooid en niet vergeten

en met een verbeten onverschilligheid
die alle perken te buiten ging
liet de engel hem niet los.

Het is een typisch Tellegen-gedicht. Het grijpt terug op een eerder geïntroduceerd of algemeen bekend scenario (in dit geval Genesis 32), waartoe een aantal vaste elementen behoort: een engel die vecht met een man, de man die tot bloedens toe geslagen wordt, en neervalt in het stof. Vervolgens werkt het gedicht een eenvoudige variant op dat scenario uit: wat nu als die man hardnekkig weigert in engelen te geloven? Die variant wordt met een ijzeren regelmaat herhaald en geïntensiveerd: de man ontkent het bestaan van de engel en voelt geen pijn, bloedt niet, wordt niet weggesleept, et cetera. Het intrigerende effect van die herhaalde ontkenning is dat de sturende invloed van het oorspronkelijke scenario juist zichtbaarder, zelfs onontkoombaar wordt. Zo bezien is het volkomen logisch dat de man, ondanks dat hij niet vecht met een engel, toch, ‘met een verbeten onverschilligheid’, vecht met een engel.

Tellegen stelt de spanningsboog van het scenario dus op de proef en het gedicht registreert de effecten. De lezer kan het experiment vervolgens nadoen, door mee te redeneren met de voorgestelde variant en te zien welke nieuwe betekenissen of ervaringen dat oplevert. Er zit geen boodschap ‘achter’ dit gedicht die je er zelf uit moet halen; de tekst heeft eerder iets weg van een mentale en affectieve gymnastiekoefening.

Stof dat als een meisje is echter, anders dan Tellegens eerdere bundels, allesbehalve speels en lichtvoetig. Het is een beladen, ongemakkelijke bundel: elk gedicht vertoont de sporen van een gevecht van de auteur met zijn materiaal. Het is dan ook het materiaal dat het probleem vormt. Doordat hij het bijbelse thema van het gevecht met de engel als uitgangspunt neemt, krijgt zijn poëzie opeens een sterk levensbeschouwelijke, metafysische dimensie – terwijl die dimensie in feite vreemd is aan Tellegens oeuvre.

Neem bijvoorbeeld het zojuist geciteerde gedicht. Eigen aan de keuze voor de bijbelse thematiek is dat deze de lezer nadrukkelijk uitnodigt om de tekst te lezen als een parabel. De man vat je dan op als pars pro toto voor de mensheid en de engel als metafoor of symbool voor God, het goddelijke of het bovenwereldse. Het gedicht zou vervolgens kunnen worden geduid als een parabel over de zin van het bestaan, de hardnekkigheid van zelfbedrog, of over de onbevattelijkheid van het goddelijke – om maar wat thema’s te noemen. Maar daarmee raak je wel heel ver verwijderd van de mentale en affectieve gymnastiek die Tellegens poëzie eerst nog leek te zijn. Plotseling ben je terechtgekomen in een discours over zingeving, levensbeschouwing, en voor je het weet probeer je te achterhalen ‘wat Tellegen nu eigenlijk heeft willen zeggen’.

Miljoenen mensen, miljoenen engelen

De dichter zelf worstelt evengoed met die ongemakkelijke metafysische dimensie die Stof dat als een meisje vertoont. Zo probeert hij het onderscheid tussen de man en de engel structureel te ondergraven: hij veroorzaakt een kortsluiting tussen twee tegengestelde beelden. Wanneer de man bijvoorbeeld in de spiegel kijkt, denkt hij: ’Ik heb wel iets van een engel’. Een ander gedicht stelt onomwonden: ‘Ik ben een man, ik ben een engel’; en in weer een ander gedicht blijken man en engel wederom inwisselbaar, maar wordt de lezer bovendien expliciet ontraden om deze twee te zien als personages uit een symbolisch bedoelde parabel:

Miljoenen mensen vechten met miljoenen engelen

één man en één engel staan terzijde,
niet van elkaar te onderscheiden,
ervaren helse vreugde
en ook iets van een hemels verdriet

en díé engel slaat díé man neer.

De suggestie is dat het wel degelijk gaat om déze specifieke engel en déze specifieke man, in al hun onvergelijkbare eigenheid. De dichter benadrukt dat deze figuren niet voor al die miljoenen anderen staan: ze staan ‘terzijde’ en hebben dus een aparte status. Een lezing van het gedicht als parabel wordt daardoor uitgesloten, want de betekenis van de beelden is continu aan verandering onderhevig en hun retorische functie staat ter discussie. Vandaar dat de man in een ander gedicht een engel duidelijk maakt dat hij die engel ‘elke keer weer helemaal van voren af aan / opnieuw moet verzinnen’.

Maar hoe de dichter ook probeert om te voorkomen dat zijn gedichten als bijbelse gelijkenissen kunnen worden gelezen, hij slaagt daar niet in. Sterker nog, in sommige gedichten maakt hij het je wel heel gemakkelijk om terug te vallen op de traditionele, levensbeschouwelijke betekenis van de engel. Zo wordt de uitzonderlijke functie van de engel benadrukt door te refereren aan zijn ‘klauwen’ en zijn ‘lemen vleugels’; en anders dan mensen, heeft de engel naar eigen zeggen ‘geen geweten’:

wij zijn te licht,
wij zouden vallen,
wij zouden verliezen van iedereen,
wij hebben alleen onszelf

Tellegen haakt in deze regels aan bij de vertrouwde, enigszins clichématige beeldvorming over engelen. Net zo clichématig is de suggestie – in deze bundels maar ook in zijn voorgaande publicaties – dat de engel kan worden geïdentificeerd als de muze van de dichter. In het gedicht ‘Engel’ uit Mijn winter (1987) is er namelijk sprake van een ’onzichtbare engel’, die ’bonkend’ door de dichter heen ’stuift’ en hem ’in [zijn] laatste zachte plek / vlak achter’ aanraakt – en in ‘Het vertrek van de muze’, uit Gewone gedichten, ’kust’ de vertrekkende muze de dichter nog één keer ’vlug even zijn achterhoofd’. De handelingen van engel en muze zijn hier identiek. Zo’n muzische engel vind je ook in Stof dat als een meisje, want in enkele gedichten blijkt deze te schrijven in het ‘schrift’ of de ‘boeken’ van de man. Er is op zich niets mis met zulke levensbeschouwelijke of poëticale interpretaties, maar ze staan haaks op Tellegens streven naar het gedicht als een altijd weer hernomen experiment met onbekende uitkomst. Deze dichter zit zichzelf dwars, kortom.

Of Tellegen er goed aan heeft gedaan om in zijn meest recente bundel het gevecht met de engel aan te gaan, is lastig uit te maken. Soms vind ik het indrukwekkend en ontroerend hoe deze dichter erin slaagt om telkens weer nieuwe betekenissen en effecten te bewerkstellingen binnen het strakke stramien van zo’n oeroud thema, zonder daarbij te vervallen tot zweverige levenslessen over ‘zelfstrijd’, ‘het gevecht met het hogere’ of ‘het accepteren van verlies’. Maar dan weer stoor ik me aan de stuurloze symboliek van de gedichten en de suggestie van verborgen wijsheden – die bij nader inzien open deuren zijn – of eenvoudigweg onbegrijpelijk. Het is zelfs niet eens uit te maken of Tellegen zich heeft vertild aan deze thematiek, of dat hij, ondanks dat hij wel moest verliezen van de engel, toch een magistraal gevecht heeft gevoerd.

Wellicht blijft het lezen van Tellegen uiteindelijk voor elke lezer een hoogstpersoonlijke worsteling en moeten de critici hetzelfde doen als de ‘voorbijgangers’ die in Stof dat als een meisje het gevecht tussen de man en de engel gadeslaan: het ‘hoofd schudden’ over ‘de onbruikbaarheid van hun verstand’ en opnieuw aan de bundel beginnen, ‘elke keer weer helemaal van voren af aan’.

Links

Querido, Amsterdam, 2009
ISBN 978 9021 437 606
64p.
Bestellen: clk.tradedoubler.com/click?a=1724103&p=67859&g=17297694&epi=1001004006851119 p.

Geplaatst op 12/03/2010

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.