De Twin Towers van Hugo Bousset

Vurige Tongen

Hugo Bousset

Wie de essaybundels van Hugo Bousset, hoogleraar moderne Nederlandse literatuur in Brussel en hoofdredacteur van DW B, door de jaren heen heeft gevolgd, kan niet anders dan bewondering hebben voor zijn literaire vraatzucht en zijn niet aflatend enthousiasme. Hier is niet alleen iemand aan het werk die beroepshalve veel leest, maar iemand die dat ook met passie doet.

Na 11 september

In zijn recentste bundel Vurige tongen bespreekt Bousset maar liefst achtentwintig romans, ook van een aantal buitenlandse auteurs (Murakami, Coetzee, Sebald…). Met de ondertitel Essays over romans na 11 september lijkt meteen de rode draad gegeven voor de selectie van de romans en het kader waarbinnen ze gelezen worden. 9/11 is natuurlijk een zwaar symbolisch opgeladen moment. De aanslagen op de Twin Towers worden wel vaker (terecht en ten onrechte) gebruikt om de breuk tussen de éénentwintigste eeuw en de voorgaande aan te duiden. Niet alleen het samenleven, ook de perceptie van de werkelijkheid onderging grote veranderingen. Kwesties als identiteit, veiligheid, fundamentalisme en war on terror kwamen hoog op de politieke agenda te staan. De samenleving onderging processen van verzuring en verrechtsing. De opkomst van de sociale media zorgden voor een revolutie in de wereldwijde communicatie. De andersglobalisten verzetten zich tegen het neoliberalisme en wezen op de mogelijkheid van een ecologische catastrofe. Aan het einde van het decennium stortte de wereld in een ongeziene financiële crisis, terwijl de Arabische Lente in 2011 voor een (geo)politieke aardverschuiving zorgde in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Het zijn deze gebeurtenissen die de éénentwintigste eeuw zullen vormgeven, al zijn de consequenties ervan nog steeds niet te overzien.

Ook binnen het artistieke discours en de artistieke praktijk is 9/11 een markeringspunt. Een essay over de stand van de roman sinds dat moment is dus een meer dan legitieme invalshoek. Want is de roman met zijn intieme én epische kwaliteiten, zijn potentieel meerduidige vertelperspectief, zijn talrijke personages, zijn mogelijkheden om te spelen met tijd en ruimte, zijn spanwijdte van realisme tot mythologie en van vertelling tot collage, niet bij uitstek geschikt om iets van de complexiteit van onze tijd te vatten? Dat is blijkbaar ook Boussets vertrekpunt geweest: ‘De essays uit Vurige tongen heb ik geschreven om een antwoord te vinden op de vraag of er een paradigmawisseling in de roman na 11 september is.’

Toch blijft de lezer op z’n honger zitten, zeker wanneer hij deze vraagstelling ernstig neemt. Nergens wordt duidelijk gemaakt waar dat post-9/11-tijdperk juist voor staat. De bundel had aan duidelijkheid gewonnen indien Bousset het decennium na 9/11 in een inleidend hoofdstuk had beschreven. De afzonderlijke essays verwijzen naar de theorie van de ‘verschuiming’ en van het immuunsysteem bij Peter Sloterdijk, naar Jacques Derrida’s gedachten bij het (staats)terrorisme, naar Slavoj Zizeks technologische ‘desert of the Real’ en naar Joseph Stiglitz’s analyse van de globalisering. Deze verwijzingen zijn natuurlijk pertinent, maar ze zijn te summier en te terloops om het decennium te vatten. Wat is er zo grondig en zo fundamenteel veranderd dat na 9/11 een nieuwe periode aanbreekt? En hoe vertaalt zich dat in de roman en in een eventuele paradigmawissel?

Bousset vergelijkt telkens twee romans van na 2001 (al klopt dat niet altijd helemaal). Maar zou het niet logischer zijn geweest om telkens een roman van voor 9/11 te vergelijken met een roman van erna? Bousset heeft ongetwijfeld de belezenheid om dat te doen. Wat zich wreekt is het ontbreken van een hypothese en een methodologie. Wat wil de auteur precies gaan onderzoeken in de romans en hoe wil hij dat doen? De duidelijkste hypothese staat op de achterflap, maar die heeft natuurlijk vooral commerciële bedoelingen: ‘Leidden de aanslagen tot het einde van het vrolijke postmodernisme en de vrijblijvende ironie? Neemt het engagement toe in romans? Er is misschien geen sprake van een terugkeer van de tendensroman maar toch is wel degelijk een verandering te bespeuren, want er is sinds de aanslagen duidelijk aandacht voor nieuwe thema’s als terrorisme, ecologie, nationalisme, computerkunde, kwantumfysica en neurologie.’ Net zoals een inleidend hoofdstuk ontbreekt, mis ik ook een conclusie, waarin de – uiteraard voorlopige – balans van een decennium romans wordt opgemaakt. Was er nu sprake van een paradigmawisseling, en zo ja, in welke richting?

Op zoek naar veelstemmigheid

Natuurlijk is het belangrijk om in het achterhoofd te houden dat Vurige tongen geen literair-theoretische studie is, maar een bundeling van essays die de afgelopen vijf jaar zijn geschreven. Aan de verwachtingen die de ondertitel – althans bij mij – wekte mag dan al niet voldaan zijn, er valt wel behoorlijk wat te lezen. Veel van de op de achterflap opgesomde onderwerpen komen inderdaad ter sprake, zij het niet allemaal even diepgaand. De kwaliteit ligt duidelijk in de afzonderlijke analyses. Zo zijn de hoofdstukken oorspronkelijk ook geschreven. Telkens vergelijkt Bousset twee boeken vanuit een bepaald perspectief. Zo brengt hij Austerlitz (2001) van W.G. Sebald en Kid (2007) van Huub Beurskens samen omdat beide romans een soort Vatersuche zijn. Lust (1989) van Elfriede Jelinek en Koetsier Herfst (2008) van Charlotte Mutsaers worden samen behandeld als voorbeelden van een ‘feminiene’ schriftuur.

In zijn lectuur blijft Bousset steeds dicht bij de romans in kwestie. Vandaar zijn grote aandacht voor het narratieve verloop en de ontwikkeling van de personages. Hij baseert zijn interpretatie steeds op een geduldige analyse van het verhaal en de plot. Soms wat te uitvoerig, waardoor de lezer die de roman nog niet gelezen heeft te veel en te gedetailleerde informatie krijgt, en de lezer die op zoek gaat naar meer duiding onbevredigd achterblijft omdat hij te weinig informatie krijgt. Bousset verwijst naar films als Lost Highway van David Lynch en Dogville van Lars von Trier, naar Lacans réel en naar Blanchots interpretatie van de Orpheusmythe, zonder ze uit te werken met betrekking tot de romans die hij analyseert. Spijtig, want het zijn vaak vruchtbare aanzetten.

Dat wil echter niet zeggen dat Bousset geen oordeel heeft. Integendeel. De auteur laat meer dan eens expliciet in zijn poëticale kaarten kijken en maakt op die manier zijn literaire maatstaven transparant. Zo pleit hij nadrukkelijk voor ‘lichtheid’ en ‘veelvuldigheid’ als kenmerken van ‘waarlijk belangrijke romans’. Afgewogen aan die criteria wordt zelfs een internationaal zeer gewaardeerde roman als Disgrace (1999) van Coetzee streng beoordeeld: ‘J.M.Coetzee beschrijft een knorrige gelijkhebber die mensen haat en tussen dieren geneest. De identificatie van de auteur en de verteller met David Lurie is nagenoeg compleet en de roman dendert als een logge trein naar zijn voorspelde einde.’ De identificatie tussen auteur en verteller is voor Bousset ook een argument tegen De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst: ‘de alwetende verteller geeft zijn hoofdpersonage gelijk, die op zijn beurt naadloos aansluit bij wat alle andere personage(s) denken.’ Bousset noemt dat ‘vervelende eenstemmigheid’.

Tegenover Verhulsts roman plaatst Bousset als positief model Brief aan Boudewijn (1980) van Walter van den Broeck. Boussets arguments om deze laatste roman te verkiezen is dat Verhulst geen afstand neemt van zijn jeugd: ‘Verhulst Dimmitri (sic) vertoont alle kenmerken van het merkwaardige Stockholmsyndroom: hij gaat sympathiseren met wie zijn jeugd en zijn bestaan hebben verknoeid.’ Bij Van den Broeck vindt Bousset meer nuance: deze auteur klaagt de ellende van zijn jeugd aan, maar koestert ook heimwee naar het communeleven van de cité. Toch is het een vreemde redenering: Bousset vertrekt van een literair technische analyse van De helaasheid der dingen, maar eindigt met een soort morele veroordeling van de roman.

Bousset durft tegelijk ook hardop nadenken over zijn eigen uitgangspunten. Op die momenten zit je als lezer in de werkkamer van de auteur. Zo schrijft hij over Het einde (2006) van Jeroen Theunissen: ‘Soms had ik wel de indruk dat Theunissen over alle ingrediënten beschikt om een zeer sterk boek te schrijven, maar dat het nog te zeer losse brokstukken zijn. Maar hou ik wel van boeken die een hecht geheel vormen?’

Het meest onderlegd is Bousset in de Vlaamse literatuur. Over de Vlaamse auteurs heeft hij ook de duidelijkste oordelen, en die vallen zeker niet altijd samen met de communis opinio. Een aantal ‘jonge’ Vlaamse schrijvers wordt besproken, zij het niet altijd met evenveel waardering. Lof is er voor Yves Petry, Jeroen Olyslaegers, Saskia de Coster, Peter Terrin en Jan van Loy. Op veel minder waardering kunnen Dimitri Verhulst en Annelies Verbeke rekenen: ‘Je moet uitkijken (…) met de journalistieke waan van de dag’, aldus Bousset. Hij houdt een warm pleidooi voor Pjeroo Roobjee en JMH Berckmans en hun eigenzinnige gebruik van het Vlaams: ‘misschien een nieuw lied, dat te lang niet werd beluisterd.’

Een van de sterkste essays in Vurige tongen is dat over On Chesil Beach (2007) van Ian McEwan en Het grote uitstel (2007) van Marc Reugebrink. Bousset begint met een heldere, persoonlijke vraag: ‘Waarom hou ik van vertraging, bijna-stilstand, al wat leidt simultaneïteit, wereldgelijktijdigheid? Waarom hou ik van boeken die de actie eindeloos uitstellen, tot voorbij de laatste bladzijde, tot waar de verbeelding van de lezer de zaak overneemt?’ Een mooie, tegelijk filosofische en literaire vraagstelling. De daaropvolgende analyse van beide romans voldoet aan de verwachtingen die de initiële vraag oproept.

Al had je als lezer gewild dat de auteur bij momenten dieper zou graven, zijn enthousiasme voor literatuur weet hij in elk geval over te dragen, zonder dat je het altijd met hem eens hoeft te zijn.

Links

Meulenhoff, Amsterdam, 2011
ISBN 9789029097162
256p.

Geplaatst op 23/11/2011

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.