Non-fictie, Recensies

Dichter zonder poëzie

Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd

Madelon de Keizer

De alweer even geleên verschenen biografie van Albert Verwey verdient meer dan weg te dobberen op de eerste, wisselvallige receptiegolf. Er is iets mee aan de hand. Het boek is een teken des tijds, minder die van Verwey (zoals de ondertitel wil) dan die van Madelon de Keizer en dus van ons. De vraag of zij erin is geslaagd Verwey te portretteren als actieve dichter tussen 1880-1940 – de jaren waarover De Keizer aanvankelijk een cultuurgeschiedenis wou schrijven – staat niet los van de vraag of ze erin slaagt Verweys levenswerk te vangen: zijn zogeheten ‘Dichterschap’. Toen ik het boek voor het eerst half las, vroeg ik me af: als deze biografie geen visie op dat ‘Dichterschap’ brengt, valt dan de bodem eronder weg? Is Albert Verwey dan geen puur historische figuur, geen dichter meer maar cultureel ondernemer avant la lettre…, én hors catégorie, want één die er perfect in slaagde te worden wie hij wilde zijn: spil der Nederlandse cultuur en (vaarwel aanhalingstekens) Dichter van het Dichterschap?

Het probleem van dit op zich zeer interessante boek over Verwey blijft dat het, hoe ik het ook wend of keer, geen affiniteit toont met de kern van zijn leven en werk. Dichterschap – een romantisch ideaal analoog aan Vrijheid en Broederschap – ontneemt De Keizer zijn hoofdletter om het terug te brengen tot ‘het zijn van een dichter’ – analoog aan vaderschap en dronkenschap. Weliswaar laat De Keizer goed zien hoe Verwey die hoofdletter zag – een Dichter voelt zijn taak, voert deze uit en verdedigt haar, wordt daarom gehoond en weggewuifd, maar dwingt er uiteindelijk respect mee af – maar ze praat Verwey daarin steeds ná, parafraseert zijn ideaal maar schrijft heen om zijn eigenlijke werk, dat complexer is want interpretatie vereist. Poëzie als hete brei: Verweys dichtwerk is in deze biografie geen probleem – het is er gewoon, als gegeven, punt uit. Terwijl het toch echt een heel vreemd, onvanzelfsprekend fenomeen is, dat feitelijke, historische dichterschap van Verwey – om niet te zeggen een Probleem.

 

Wetenschap

Ingewikkeld aan deze biografie is dat poëzie het beschreven leven bepaalt, maar uit het proza van de biografe is verdampt. Verwey is in dit boek dichter van het dichterschap – maar zonder poëzie. Deze ambigue leeservaring deed me langer over dit boek nadenken dan ik wilde, deed me langer verwijlen bij Verwey en uiteindelijk zijn complete dichtwerk lezen. Ik zal niet de enige zijn die hem altijd met plezier heeft gemeden: geliefd (als Kloos of Gorter) is Verwey nooit geweest, herdrukt werd hij nauwelijks. Desondanks is er tamelijk veel Verweystudie gepleegd. Vestdijks briljante studie niet te na gesproken, werd Verwey na zijn dood lang doorgeïdoleerd als Dichter, om in de jaren 1980 af te vlakken tot een boeiende cultuurhistorische figuur. Meer netwerker dan Dichterschapper – De Keizers insteek is van deze tendens het culminatiepunt. Haar boek is exemplarisch voor de hedendaagse dichtersbiografie, waarin het creatieve schepsel poëzie er bekaaider vanaf komt dan haar historische context. In verhouding tot de tijd wordt de zin van het leven gezocht.

Na een periode van hypersecure tekststudie is het woord alweer even aan de historici. Om op een woord van Kloos te variëren: de Poëzie moet weer sterven opdat de Geschiedenis leeft! Deze kentering van het tij laat het wezenlijke vraagstuk onaangetast. Zoals historiograaf P.B.M. Blaas het scherp stelde: ‘Een historische en een esthetische benadering van het literaire verleden laten zich evenwel zelden overbruggen.’ Toch lijkt precies dat me de uitdaging voor een moderne literaire biografie. Poëzie en geschiedenis zijn idealiter geen of/of, maar een en-en. Dat ideaal kent één hele grote mits: een visie op de verhouding tussen beide, tussen tekst en tijd. Precies daarin ligt de lastige maar schone taak van de hedendaagse dichtersbiograaf.

Analogieën: de biograaf van Pieter Jelles Troelstra moet verstand hebben van politiek, die van Joris Ivens oog voor cinematografie, die van Piet Mondriaan kan inpakken zonder passie voor plastiek. Waarom zou dat met literatuur, poëzie anders zijn? Omdat literatuur en geschiedschrijving beide van taal zijn gemaakt, en elkaar dus kunnen bijten? In menige recente dichtersbiografie mag poëzie het dichtersleven illustreren, soms één op één, maar overweegt het historistisch scenario: Geboorte > School > Poëzie > Dood. Maar wat kunstenaarslevens onderscheidt is enkel dat voorlaatste stadium. In zijn befaamde Rimbaud-biografie schreef Graham Robb ooit dat de geschiedenis veel rebelse pubers kent, van wie er nochtans maar één Illuminations afleverde. De frictie tussen de positivistische cultuurgeschiedenis en het esthetisch evenement moet een biografie als probleem aan de orde te stellen – wil deze althans aanspraak maken op kwalificaties als ‘kritisch’ en ‘modern’.

 

Poëzieschap

Grof gezegd hangt de poëzie er in het boek van De Keizer bij als een schilderij boven de monumentale schoorsteenmantel – doods en esthetiserend. Illustratief is de opvallende vormgeving. De citaten uit Verweys dichtwerk zijn niet enkel van de hoofdtekst gescheiden door typografisch wit (de gebruikelijke markering) maar ook door een ongewone letterkleur. Alsof ze van ander materiaal zijn gemaakt dan De Keizers betoog – van water? van lucht? – zweven Verweys gedichtenflarden in mooi blauw tussen haar cultuurhistorisch proza. Fraai is het zeker, maar illustreert het niet vooral een gebrek aan verbinding tussen de lopende tekst en de poëzie? De biografie toont weinig engagement met Verweys poëzie, waardoor zijn citaten ogen als Fremdkörper. Op één geval na (een stuntelige lectuur van een dito gedicht) negeert ze de geciteerde gedichten straal – poëzietje gezien, kastje toe.

Mijn probleem: de door Blaas benoemde kloof tussen historiografie en esthetica is er juist één die Verwey uit alle macht heeft willen overbruggen – in poëzie én literatuurgeschiedschrijving. De miskenning van dat levensproject en dus de verdieping van die kloof, precies dat maakt De Keizers boek vooral een teken van onze tijd, waarin een visie op poëzie is ingesleten als een autonome, van de geschiedenis losstaande taalvorm – verheven of irrelevant, maar hoe dan ook onaanraakbaar. Je kunt er haast niets over zeggen, maar haar naar hartenlust contextualiseren. Mijn bezwaar is dat je zo je eigen positie niet hoeft te bepalen, en evenmin die van de dichter qua dichter. Schoonheid blijft zo een brandschone zaak, vrij van wereldse smetten, geschreven in een andere, ijler kleur inkt. De Keizers ondertitel is daarmee niet enkel een open deur – wie leeft er niet in zijn of haar tijd? – maar een depolitiserende én depoëtiserende bliksemafleider van haar eigenlijke object.

 

Dichterschap (zonder gedichten)

Welbeschouwd is deze biografie een staaltje van historische ironie. De dichter die als weinig anderen levenslang het primaat van de poëzie affirmeerde – enkel de dichter brengt het teweeg en overklast door zijn verbeeldingskracht alle overige taalvormen die ons ter beschikking staan (wetenschap, politiek, filosofie, economie én historiografie) door deze niet te ontkennen maar zich er juist mee te voeden ten einde ze te overspannen in onvoltooibare samenhang die de vroegromantici Poesie noemden, Shelley Poetry, Baudelaire La reine des facultés en Wallace Stevens The Supreme Fiction, deze man (het lijkt me een erg mannelijke ambitie) voelt en zegt wat de samenleving nodig heeft opdat zij contact blijft houden met die oerkracht van alle dingen die Spinoza Deus sive Nature noemde en Verwey zelf vertaalde als ‘Het Leven’ – deze dichter krijgt een biografie zonder affiniteit met poëzie.

Nogmaals: deze biografie is niet vrij van versregels – ze pronkt er zelfs mee. Verweys enorme oeuvre wordt in zijn volle lengte en breedte gebloemleesd en geplukt. De keuze vaart op context. Inleidend kenschetst De Keizer Verwey zeitgemäβ (let wel: gemeten aan haar tijd) als life-writer: ‘Alles wat Verwey schreef, laat zich dan ook autobiografisch lezen. ’ Nu geldt dit voor alles wat ooit werd geschreven – zeker voor een biograaf. De vraag is: zoek je de gedichten bij het leven, of het leven achter de poëzie? Deze kwestie – wat heeft het primaat in de relatie kunst & geschiedenis? – lost De Keizer op met een volmaakte tautologie: ‘Al dichtende en schrijvende was en werd Verwey de dichter Verwey. ’ Hoog-modernistisch splijt ze hier haar object tussen mens en schrijver: wie literatuur wil maken moet un(e) autre kunnen worden, scheepgaan ter tale, aan zichzelf ontheven raken en van zijn zekerheden vervreemd. Volgens De Keizer werkt de poëzie voor Verwey echter identiteitsbevestigend: geboren als Verweij werd hij in zijn poëzy pas echt Verwey. Een boeiende stelling, die echter verplicht tot een diepgaand onderzoek naar die cruciale poëzie – want daar immers is hij, ook volgens haarzelf, te vinden als zichzelf.

Ter Inleiding balt De Keizer haar visie op dit dichterschap samen in welluidende volzinnen als

 

[…] één groot life writing-project, waarin hij zijn eigen identiteit vormde en inzette als een vernieuwende impuls voor de wereld van zijn tijd, als een ware regeneratieve kracht. Dit is de biografie van een dichter die zich de ‘Dichter van het Dichterschap’ dacht.

 

Na de aanhalingstekens belooft het ritmisch geplaatste slotwoord (‘dacht’) een contraire lectuur van dit leven, een evaluatie van de wijze waarop Verwey zich oppompte tot Dichter en daarbij – haast bij effect – levenslang cultureel vruchtbaar bleef. De Keizer ziet de kans dit zeldzaam overtuigde leven respectvol én (dus) kritisch te inspecteren. Terecht, want Verwey kan beslist tegen een stootje. Sterker nog: zijn werk is er om je aan te stoten. Verwey is in zijn openlijke pretentie een aanstootgevend dichter geweest. Hij kwam daar zelf voor uit: ‘stug’, ‘nuchter’, ‘lelijk’, ‘hortend’, ‘stroef’, ‘verheven’ – in een postuum gepubliceerd gedicht uit 1916 dat De Keizer citeert, typeert hij zichzelf weinig vleiend als volgt:

 

                Een middelmatig mens, niet edel, niet beminlijk,

                Stug, nuchter, maar oprecht en daardoor onverwinlijk.

               

                Geen dichter dan door vlijt, vaal lelijk, hortend, stroef,

                Maar altijd vol van zin, geen holle en lege poef.

 

                Verheven – als een huis. Ik meen: een burgerwoning,

                Niet als paleis van kerk of priester, vorst of koning.

               

                Diep mystisch inzicht faalt. Brandende liefde ontbreekt;

                ’t Heldhaftig offer ook, hoe schoon hij ervan spreekt.

 

                Want spreken doet hij schoon – hij doet het haast virtuozelijk.

                Dat klopt niet! – Open lof klonke ook parbleu te onnozelijk –

 

                Hij doet het somtijds schoon en somtijds niet. Ik meen:

                Hij is niets zo goed, zo groot, zo schoon als – ik alleen.

 

Los van het feit dat De Keizer dit gedicht door fout citeren meervoudig heeft verminkt (daarover en détail op een andere webstek, alsook over de flagrante misinterpretatie die daarvan het gevolg is), herkenbaar blijft Verweys verlangen zichzelf scherp te slijpen via anderen. Dat het De Keizer ontbreekt aan kritische zin in confrontatie, maakt haar boek naast hoffelijk ook onwezenlijk.

 

Schrijverschap (& huwelijk)

Een visie op Verwey onthoudt De Keizer haar lezer doordat ze zelf als lezer op afstand blijft – en daarmee Verwey. Ze heeft zich in hem niet (literair) ingeleefd maar (historisch) ingewerkt. Ze vertoeft in context en blijft daar toeven, met als nadeel dat ze nauwelijks tegen hem in kan denken. Kritiek, evaluatie, visie vereisen interpretatie en dus engagement, met de tekst als trefpunt. Oordelen besteedt De Keizer vakkundig uit aan derden, want haar grote greep is de keus haar verhaal te vertellen aan de hand van zes vrienden en een eega. Naast Kitty van Vloten zijn dat zes heerschappen, allen dichter, van wie drie Tachtiger. Zij loodsen ons door Verweys leven heen: van Tachtig via Negentig naar de 20e eeuw; van de Boerenoorlog via de Grote Oorlog naar het Derde Rijk; van De nieuwe gids via het Tweemaandelijksch tijdschrift naar De beweging; van Persephone via Het zichtbaar geheim naar Verweys late, abstracte poëzie die vrijwel onbekend gebleven is.

Terecht ziet De Keizer in Verwey een spilfiguur van zijn tijd. Zijn leven (1865-1937) bestrijkt de epoque die de afgelopen decennia uitbundig is onderzocht, door biografen is afgegraasd en door mythografen is bestempeld tot ‘Tweede Gouden Eeuw’. In de tijd die Verwey produceerde – plaats: Holland – trok mede door de liberalisering van de koloniale handel de economie aan, waardoor zowel proletariaat als kunstzin toenam. Wie ging studeren – en dat konden er steeds meer – wilde het niet zelden helemaal anders: met de burgerlijke cultuur floreerde de revolutiezin. Zeker tot de Eerste Wereldoorlog Nederland schampte, raakte het liberalisme verouderd en floreerde de nieuwe middenkoers die Verwey koos. Als Neerlands nieuwe gids hield hij het liefste iedereen aan boord van het schip dat hij bevoer – van links-liberaal tot reformistisch-sociaal. Probleem was wel dat het nieuwe, waar hij als ex-Tachtiger het patent op claimde (maar dat hem eigenlijk nooit had toebehoord), na 1900 van hem afgleed. Na de breuk met Van Deyssel en de socialisten in 1905 stolde hij in De beweging tot neoclassicist in literatuur, sociaaldemocraat in politiek en pantheïst in religie – en hield dat vol tot vlak voor de Tweede Wereldoorlog. In 1919 gaf hij zijn poging een nieuwe Gids te bestieren op, en werd hij links en rechts ingehaald door nieuwe dichtersgeneraties.

 

Tachtigerschap

Bijzonder aan Verwey is dat hij geen held is, ook in dit boek niet. Hij is te stroef voor nostalgie. Zelfs zijn grootste troef, een hoofdrol in de beweging van Tachtig, heeft hem nooit populariteit gebracht, omdat die alles van een bijrol had. Als jeugdige linkerhand van Kloos was hij cruciaal voor het welvaren van De nieuwe gids in de eerste, gezichtsbepalende jaren. Híj gaf het eerste nummer poëtisch smoel door een stuk ‘Persephone’ af te staan en een puik opstel te pennen over Shakespeare en sonnetten. Een jaar lang was hij het nieuwste wat Holland te bieden had. Even gedijde hij naast Kloos. Het overvloedige neerlandistieke onderzoek naar hun relatie vat De Keizer samen:

 

Hij wilde voor Kloos een vriend zijn van hetzelfde kaliber als Perk – althans in de versie van Kloos – eens was geweest: een gelijkwaardige geliefde vriend, maar wel een die hem anders dan Perk nooit in de steek zou laten. Hij zou in hun relatie de sterke, opgeruimde geest zijn, een steun en toeverlaat tot aan hun dood […].

 

Verwey was al gedebuteerd toen de rest van Tachtig nog op stoom moest komen: Kloos zelf met zijn kronieken en sonnetten, Van Deyssel met zijn offensieve proza – Gorter was nog niet eens begonnen aan zijn Verwey-emulatie Mei. Met de drie middellange poëmen Persephone, Demeter en Cor Cordium (1885-1886) zette Verwey de nieuwe norm: bespiegelende epyllions in de lijn Keats-Shelley. In sonnettenland was hij de metermaker die, eindeloos minder subtiel dan Kloos, de nieuwe norm vestigde en zo schoolmaakte – als een ijverige leerling die zijn meesters hun best laat doen. Door werkpaard Verwey kon zijn menner Kloos hautain oprijzen, kon luxepaard Van Deyssel uitblinken in fijnzinnigheid en kon luxewerkpaard Gorter het wonder van frisheid worden dat hij nu eenmaal was.

Tot zijn vroege werk, ontstaan in de jaren 1880 binnen de kring van De nieuwe gids, wordt Verwey veelal teruggebracht. Zo gaat dat in de romantiserende poëziegeschiedenis: jeugdwerk wordt hoofdwerk. Voor Kloos klopt dat nog – zij het suffer dan Rimbaud – maar voor Verwey? Na zijn ruzie met Kloos (nog dit decennium uitvoerig beschenen) bundelt Verwey zijn Verzamelde gedichten (1889): 350 pagina’s, hij is dan vierentwintig! De jaren Tachtig zijn voorbij. Hij verhuist uit Amsterdam als gelukkige van Kitty, die hem een nieuw leven in een nieuwe villa schenkt op het Noordwijks duin. Exact vanaf 1890 is hij Tachtiger-af, studeert voor Negentiger door de ik-gerichte zielsversmalling à la Kloos weer kosmisch op te rekken à la Shelley.

Groei, synthese, continuïteit, evenwicht, samenhang – dat worden niet enkel Verweys trefwoorden post-Tachtig. Hij neemt de tijd om op adem te komen en zich te herijken. Pas na zeven jaar – voor zijn doen een zee van tijd – publiceert hij een nieuwe bundel (Aarde, 1896), waarna hij met De nieuwe tuin (1898) een productief en niet meer wezenlijk veranderend dichterschap ontplooit dat zich concentrisch (ziel < lichaam < huwelijk < gezin < gemeenschap < samenleving < volk < stam < ras < mensheid < wereld < heelal) ontvouwt. Op zijn vijftigste verjaardag roept hij in de krant op tot ‘open staan! Altijd open staan!!’ – en spreekt dan ook zichzelf streng toe.

Want toen had hij zijn vis al lang op het droge. De gevonden bron heette ‘Het Leven’, met dank aan huisdenker Spinoza – eertijds bewoner van het landschap rondom Villa Nova. Alles stroomt, fixeren is dood, met als dijk van een paradox dat zijn oeuvre ‘stug, nuchter, maar oprecht’ aanslibt. Samen met zijn eerste poëzieverzamelaar bundelt hij zijn zeven ‘boeken’ poëzie nadien in een tweede Verzamelde gedichten (1912, 3 delen). De elf bundels die hij daarna tot zijn dood uitbrengt belanden postuum in het Oorspronkelijk dichtwerk (1938, 2 delen) dat in 1700 zware pagina’s zijn Dichterschap bezegelt.

 

Vriend- en vijandschap

Zag ik zelf altijd op tegen Verweys Oorspronkelijk dichtwerk als tegen twee torens volkorenpannenkoeken, De Keizer schrijft in de verantwoording ‘met veel plezier het hele poëtisch oeuvre van Verwey gelezen’ te hebben. Luchtig geeft ze toe niet bij Verwey te zijn gekomen om zijn dichtwerk. Uitgangspunt van haar biografie was zijn omvangrijke correspondentie met belangrijke figuren uit het culturele leven van Nederland e.o. Daaruit spon ze de draad van haar levensverhaal en haar zeven nevendraden. Door haar besluit elk hoofdstuk tot tweeluik te maken, doen we achtereenvolgens aan: Jan Veth, Willem Kloos, Kitty van Vloten, Karel Thijm, Stefan George, P.N. van Eyck, Maurits Uyldert. Deze duo-opzet moest haar boek naar eigen zeggen minder saai maken. Met Verwey alleen hield ze het geen decennium uit.

Naast de correspondentie was er Verweys proza. Noest ploegde De Keizer zich door zijn tijdschriftbijdragen, gebundeld in 19001905 en nog eens in 1921-1923. Naast bron van inkomsten was dat proza Verweys werkwijze. Van meet af aan terugschrijver, was poëzie het residu van zijn lezen en schrijven daarover in zelfopgerichte periodieken – het vel op de melk. Als solistisch maar au fond relationeel schrijver was hij extreem intertekstueel en belezen. Als individualist met hang naar samenhang had hij anderen nodig om aan het werk te blijven. Zijn mosterd haalde hij minder bij de burgerlijke of arbeidersklasse dan bij congeniale kunstenaars uit heden en verleden. Dat zijn bepalende dichtersvrienden hyperindividualisten waren, laat zien dat Verwey antipodes opzocht. Tegen vakbroers aan wie hij zich optrok, kon hij zich vervolgens afzetten: die masculiene karaktertrek komt door De Keizers relationele aanpak goed uit de verf.

De Verwey die De Keizer in zevenvoud smeedt, is minder een eenduidige Tachtiger dan een halfslachtige (anti)individualist. Schoonheid blijft voor hem de crux, maar met het pistool op de borst kiest hij voor waarheid en samenhang. Zijn probleem met Kloos, Thijm en George is dat zij schoonheid verabsoluteren, ook als ze botst met haar wereldse inbedding. Daardoor verwaarlozen ze het contact met de gemeenschap en het leven op aarde. Esthetisch fundamentalisme acht hij onhoudbaar in de twintigste eeuw – en eigenlijk al na 1886. Hem een Tachtiger blijven noemen is dus onhoudbare reductie. Hoewel Verwey deze vernieuwingsbeweging levenslang bleef verdedigen, cultiveerde hij haar hoe langer hoe meer als immatuur beginpunt van de moderne Nederlandse poëzie. Als enige Tachtiger, zo betoogde hij ook ex cathedra als hoogleraar in Leiden (1925-1935), groeide hijzelf dóór en kwam als dichter midden in de samenleving te staan – steeds dieper en dichter bij het leven, dat bij Spinoza was begonnen. Aan deze life writing imponeert het self-fulfillment. Zijn marginalisering als dichter vanaf 1919, toen De beweging werd opgeheven, keerde in de jaren twintig en dertig, toen hij – de autodidact! – met een indrukwekkende rede het hoogleraarschap aanvaardde. Dichterlijk vlammend contra Nazi-Duitsland hield Verwey tot zijn dood rechts én links voor: ‘Die Mitte is aber auch noch da’. Het nieuwe midden, dat wilde hij zijn.

 

Leiderschap

Verwey duelleerde levenslang om geestelijk leiderschap. De nieuwe gids was daarvoor zijn even triomfante als pijnlijke stage – Kloos en de anderen waren hem, de junior, de baas. In het met Van Deyssel gerunde vervolgblad (Tweemaandelijksch tijdschrift, 1894-1902) had hij al vrijere hand, maar weer was daar een superieur estheet die hem treiterde. En zo ontpopte Verwey zich tot eenmanstijdschriftenmaker: vanaf 1905 leidde hij nagenoeg solo De beweging, rekruteerde er nieuwe dichters, loodste het de Eerste Wereldoorlog door en hief het moe en tevreden op in 1919. Met imposante werklust en toewijding creëerde hij een brede middenstroom van vernieuwingsgezinde maar allengs traditiegetrouwer scribenten. Tussen zijn veertigste en vijfenvijftigste levensjaar floreerde Verwey sociaal-literair. De Ander aan wie hij zich scherpte was het Wereldtoneel, het brandend Europa.

De Keizer geeft ruim baan aan deze bloeitijd uit Verweys leven – en toch schittert haar biografie tijdens deze episode niet mee. Integendeel: solo weet ze Verwey niet boeiend te houden. Hij is dwingend, zelfovertuigd, maar niet fijnzinnig of verrassend genoeg om haar verhaal te dragen. Zijn leven leent zich, klaarblijkelijk, zijn netwerk ten spijt, niet goed voor het biografische genre. Doordat De Keizer de poëzie niet als de kern van zijn leven erkent, is alle spanning afhankelijk van zijn tijd. Maar pas naast een boeiende vriend is Verweys leven haar biografische aandacht waard. Op eigen kracht raakt hij omringd door volgelingen – eerder tweederangers. Van Eyck en Uyldert, na de jonggestorven protegé Alex Gutteling Verweys naaste helpers, zien hun loyauteit beloond met portretten op de titelpagina’s van de twee slothoofdstukken die samen de jaren 1905-1937 beslaan – bijna de helft van Verweys leven. Toch zijn ze in alle opzichten saaier, plichtmatiger dan de eerste vijf. De enige Tachtiger zonder ouderdomsverstarring (aldus Vestdijk) verstart in deze biografie alsnog.

 

Knechtschap

De Keizers compositie is uitgewerkt na 1905 – het einde van zijn vriendschap met George, van de samenwerking met Van Deyssel en de breuk met Van der Goes, Gorter en Roland Holst. Verwey raakt te geïsoleerd, te gearriveerd, te veel overgeleverd aan zichzelf om nog vruchtbaar in conflict te komen. Hoofdredacteur van zijn eigen tijdschrift, leermeester van zijn eigen recensenten, hoogleraar van zijn eigen oeuvre, vader van zijn eigen uitgever – Verwey werd te belangrijk. Zijn institutionele verstarring had De Keizer kunnen compenseren op twee manieren: óf door zijn poëzie breder uit te meten in lecturen van boeiende bundels als Het zichtbaar geheim (1915), De weg van het licht (1922) en De legende van de ruimte (1926); óf door de cultuurhistorische context meer ruimte te geven door zijn netwerk los te laten en de Europese cultuurhistorica te worden die ze is. Minder Verwey, kortom, meer Poëzie en meer Tijd. Te trouw echter blijft De Keizer aan de leiband van Verweys archief. Ze volgt zijn correspondentie, zijn bijdragen aan De beweging en de ontvangst van zijn poëziebundels all the way, maar bij gebrek aan recente neerlandistieke studies over dat late werk steeds minder levendig. Steeds sterker lijkt dit boek gewoon af te hebben moeten komen, zoals een biografie altijd af moet: totterdood. De stof raakt naar het einde toe onverwerkter – losser zand. Het fundamentele gebrek aan affiniteit met haar object – de dichter Verwey – wreekt zich ten langen leste.

Evenzo wreekt zich De Keizers in beginsel verrassende duo-opzet. Was Van Eyck in zijn tijd een eminent dichter-criticus-hoogleraar, Verweys biograaf heeft hij niet kunnen bekoren. In de slotzin van het hoofdstuk zet De Keizer hem met zichtbare afkeer weg:

 

De brieven [met D.A.M. Binnendijk, js] tonen de Van Eyck over wie Verwey al kort nadat zij elkaar hadden leren kennen, meende dat het maar beter was de nodige reserves in acht te nemen.

 

De wiebelige syntaxis etaleert De Keizers gegroeide desinteresse. In het slothoofdstuk fungeert hagio-/biograaf Maurits Uyldert als knaapje om Verweys laatste decennia aan op te hangen – maar de jas is een paar maten te groot. Dat De Keizer zich tegenover haar voorganger niet kritischer positioneert, is weer een gemiste kans – het had voor biografisch reliëf kunnen zorgen. De fluwelen handschoen die ze aanhoudt, krijgt minder gedaan dan een kritische scrub à la Uylderts begiftigder generatiegenoten. Had ze Theo van Doesburg, M. Nijhoff, Menno ter Braak of Vestdijk prominenter opgesteld, dan was dit boek minder naar zijn einde gemodderd.

Een gemiste kans temeer daar Verweys leven – in contrast met zijn tijd – crescendo afliep. Mede door zijn professoraat werd hij, tegen de keer, een gezien dichter in de jaren 1930. Zijn visie op Tachtig en de Nederlandse poëzie raakte gebeiteld, een succes dat De Keizer beter had mogen uitlichten door eerdere opponenten te laten terugkeren. Kloos en Van Deyssel overleefden Verwey beiden, maar als parodieën van zichzelf. Knepen zij hun lang vervlogen Tachtigerschap in verstarde vuisten fijn, de vitaliteit die Verwey wist vol te houden geeft hem cachet. Als zijn gewezen kompanen-kemphanen in 1935 een Amsterdams eredoctoraat ontvangen, gaat hijzelf net met emeritaat. Zo’n eclatante triomf is haast een bewijs voor het gelijk van een dichterschap à la Verwey.

Had zijn biograaf bewondering voor hem willen oogsten, dan was dit zo’n gegeven geweest om in het zonnetje te zetten. Nu ze via Van Eyck en Uyldert dit dichtersleven afraffelt – ik heb er geen andere woorden voor – houdt De Keizer de conservatieve visie in stand dat Tachtig pure bloei was, gevolgd door een diep verval, waarna pas post-WOII weer iets nieuws gebeurde in de Nederlandse poëzie. Doordat ze het, in een file van recensiecitaten, houdt bij de receptie van Verweys vaak toch boeiende poëzie na 1916, raakt haar lezer elk enthousiasme voor hem kwijt. Zonder kennis van het complexe Nederlandse literaire veld waarin hij acteerde als ouder wordende meester, verkalkt Verwey steeds meer tot zijn eigen context.

 

Nalatenschap

Als antidotum had De Keizer haar verhaal mogen terugbuigen naar Kitty, die met hem de eindstreep haalde. Deze stabiliserende kracht in Verweys leven krijgt het derde hoofdstuk maar vormt het hart van het boek. Zij belichaamde Verweys wending van Tachtig af, deze opgeruimde, levendige, knappe, vrouw die eerder terecht (samen met haar zusters) een biography of her own kreeg en de groepsbiograaf van Tachtig al bewondering ontlokte. Natuurlijk is dit geslaagde huwelijk ook de verdienste van deze dichter, al was zijn emancipatie onaf: Verwey deed niets in het huishouden.

In Kitty en Alberts dagelijkse dynamiek schuilt een stemmige biopic, waarvan de titel Villa nova kan zijn, of Het nieuwe huis, of zelfs De nieuwe tuin

 

Proloog: Amsterdam 1889. Albert Verwey (Robert de Hoog) zit aan een tafeltje in Krasnapolsky een brief te schrijven aan zijn verloofde. Voice-over: ‘De rustige, genotvolle bewegingen van al die gewone menschen, die hier drinken en praten onder het witte genevel van de electrische lampen…,’ – de camera draait weg van het papier naar het nieuwe licht. Sprong in de tijd.

Een herrezen Villa Nova, blanke duintoppen, felle zon – de zee. Albert starend uit het raam, naar de blauwe tram die schrijvers aan- en afvoert. Maar de camera wil naar Kitty (Hannah Hoekstra), om wie de villa draait. We zijn in het jaar 1893: ‘Een vroege lente, een goddelijke zomer, een herfst in het Zuiden van Spanje’ (aldus Albert). Aan de hand van zijn joyeuze zwager Gerlof (Matthijs van de Sande Bakhuyzen) zet de Noordwijkse huismus tijdens zijn Spaanse reis zowaar even voet op het Afrikaans continent. Tanger. Derwisjen doen hem tollen, hem zijn evenwicht verliezen en zijn eigen nationalisme overpeinzen (‘Ruyter, stoerst kind van mijn natie’). Ondertussen in Holland zien we Kitty achter zijn raam, in alle rust aan haar vertaling werken uit het Deens en Verweys correspondentie doen. Hé kijk, een briefje van Hein Berlage…

Flash forward naar de opening van de Beurs in 1902. •beidt•uw•tyd• – iedereen is er – •duur•uw•uur•

Epiloog: de zelfmoord van Gerlof in 1903. Op het erf van Villa Nova schiet hij zich in de borst.

Donkerslag.

 

Kunstenaarschap

De dood van Gerlof van Vloten is de enige aangrijpende passage van De Keizers biografie – ik denk omdat Kitty hier haar broer verliest. Maar zelfs hier blijft Verwey via De Keizer op afstand, want haar boek mikt eerder op interesse dan op inleving.

Interessant, cultuurhistorisch geslaagd, vind ik al met al enkel het eerste hoofdstuk. Aan de hand van schilder-schrijver Jan Veth schetst De Keizer heel het leven van Verwey, van Amsterdamse bohème tot Leidse baret. Veth was even actief als hij, maar polemischer en minder principieel. Veth liep net iets dichter aan de leiband van zijn tijd. Na De nieuwe gids belandde hij via De Kroniek en de tijdschriften van Verwey uiteindelijk bij De Gids – de oude. Daar arriveerde hij op een wijze vergeleken waarbij Verwey non-conformistisch afsteekt. Portrettist van hoogwaardigheidsbekleders, vriend van de conservatieve Johan Huizinga, boboësk heerschap – dan liever het Dichterschap! Naast Veth vergeet je dat ook Verwey, op zijn stugge wijze, wereldse ambities had. Maar geen ander doel heiligde bij hem de middelen dan de Poëzie.

De Keizers hoofdstuk over Veth en Verwey treft het Nachleben van Tachtig goed. Wat doe je met hoge jeugdidealen? Verloochen je ze, breek je met ze – of, zoals Verwey deed, bed je ze in in een bredere levensvisie waarin ook de wereld, geschiedenis en actualiteit meedoen? En hoe combineer je dat met vriendschap, vaderschap – alle schappen van je leven, hoe blijf je daar dichter naast? Veel van deze vragen spelen al in dat eerste, veelbelovende hoofdstuk. Een portret van Verwey, die ondecadente dichter wiens krachten zijn zwakten waren (en vice versa).

Het eerste hoofdstuk had een boek op zich mogen zijn, en ‘portret’ is hier geen metafoor. Veth schilderde Verwey in 1883, als jonge blaag in confectiekostuum, met een te groot hoofd en kolenschoppen van handen. Dit donkere doek siert de omslag én de rug – De Keizer houdt er duidelijk van. Het ontlokt haar zelfs een persoonlijke introductie, waarin ze bekent het doek na heropening van het Rijksmuseum eindelijk zelf te hebben gezien. Zichtbaar in haar element als kunsthistorica, volgt ze het doek gepassioneerd – helemaal tot in de slaapkamer van Kitty en Albert, als altaarstuk van Villa Nova. Hier proefde ik biografisch engagement.

De Keizers persoonlijke betrokkenheid – dat de poëzie zo nô moet missen – verheft Veths portret tot icoon van Tachtig. Ik wilde het daarom ook zelf gaan zien, en toog naar het Rijksmuseum te Amsterdam. Maar toen ik de zalen met impressionisten afzocht, was het er nergens. ‘Van zaal’, zei de garderobeman me. ‘In bezit van het Stedelijk’, aldus de informatiebalie. ‘In het depot’, zei de informatiedame van het Stedelijk, ‘op een geheime locatie’. ‘Ergens bij station Sloterdijk’, wist de bibliothecaris, en schreef met donkerblauwe inkt een e-mailadres op een lichtblauw memostickertje.

Prometheus, Amsterdam, 2017
ISBN 9789044635201
768p.

Geplaatst op 28/02/2020

Tags: Albert Verwey, Als een meeuw op de golven, Jan Veth, Karel Thijm, Kitty van Vloten, Lodewijk van Deyssel, Madelon de Keizer, Maurits Uyldert, P.N. van Eyck, Stefan George, Tachtigers, Willem Kloos

Categorie: Non-fictie, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.