Een welbespraakte zondebok

Jij zegt het

Connie Palmen

In de nieuwste roman Jij zegt het van Connie Palmen (1955) neemt de beroemde Britse dichter Ted Hughes het woord. Hij beklaagt zich erover dat zijn leven en dat van zijn gestorven ‘bruid’ Sylvia Plath onderdeel werden van een stroom aan verhalen, getuigenissen en mythen, door hem steevast aangeduid als ‘vals’, ‘apocrief’ en zelfs ‘roddels’:

En dan was zij de broze heilige, ik de brute verrader.
Ik heb gezwegen.
Tot nu.

De media hebben zich het levensverhaal van Plath – en daarmee het zijne – toegeëigend en er een leugenachtige mythe van gemaakt. Een negatieve hoofdrol is bijvoorbeeld weggelegd voor criticus Al Alvarez van The Observer. Hij was degene die Plaths debuutbundel The Colossus in 1960 lovend besprak. Later was hij een vriend van de familie op wier bank Hughes een tijdje sliep, toen die het huis uitging vanwege zijn affaire met Assia Wevill.

Een vertrouwenspersoon dus van het echtpaar – maar ook iemand die deze positie na Plaths dood schaamteloos misbruikte voor enkele toonaangevende journalistieke stukken. Acht jaar na Plaths zelfdoding, in 1971, publiceert Alvarez ‘Sylvia Plath. The road to suicide’, een stuk waarin hij vertelt over de laatste kerstavond die hij kort voor haar dood met haar doorbracht. Dochter Frieda en zoon Nicholas zijn dan 11 en 8 jaar oud. Als later dat jaar Alvarez’ boek over Plath, The Savage God, verschijnt, weet Hughes dat hij de tragedie van hun moeders dood niet voor hen kan verbergen.

Bovendien zette Alvarez met zijn boek de deur open voor een ‘godsgericht’ van een ‘hysterische horde’ op zoek naar een zondebok. Omdat Hughes hun relatie torpedeerde door verliefd te worden op een andere vrouw, is hij de geschikte kandidaat voor die rol. Plath zelf had daar in haar werk de eerste voorzet al voor gegeven; het nagelaten werk – dat Hughes als executeur testamentair in de openbaarheid bracht – bevatte een hartgrondige aanval op hemzelf. In de periode voor haar dood praatten velen op haar in om hem zwart te maken. Palmen verwoordt dat zo:

De stem van Aurelia was er maar één in een koor van kwaadaardige vrouwenstemmen dat in de maanden van onze onderlinge verwijdering mijn naar bijstand hongerende vrouw had bestookt met desastreuze adviezen, opstandige instructies, belastende informatie, doorgebriefde gesprekken, bespioneerde ontmoetingen. Het leek alsof ik overal was achtervolgd en gefotografeerd, afgeluisterd en getapet.

Hij werd de ‘zwijgende gijzelaar’ van haar mythe, getoond als het ‘reliek van een tragisch huwelijk’:

Beschreven door biografen, hagiografen, journalisten, academici en exegeten zijn we onafscheidelijk van elkaar de verbeelding van miljoenen binnengetreden, met pappie en mammie als onze getuigen, als de schaduwkanten van onszelf, ineengehaakte personages in een passieverhaal waaruit geen ontsnapping mogelijk is, waarin de rollen duizenden jaren geleden zijn verdeeld en de protagonisten willoos aan de wet van hun gedicteerde lot gehoorzamen.

Het is bekend dat Hughes met name in de jaren zeventig door veel feministische lezers werd beschouwd als de directe schuldige aan haar dood: hij zou een ‘tiran’ zijn die Plath domineerde om zelf carrière te maken door haar te verlaten op het moment dat ze zelf succes kreeg. In Jij zegt het beklaagt Hughes zich erover dat biografen – vooral háár biografen – zich gedragen alsof ze de eigenaars zijn van hun leven. De geheime, gesloten privéwereld die hij met Plath had gecreëerd werd door de ‘Babylonische industrie’ rondom zijn vrouw in een ‘dorpsplein’ veranderd, een plein waarop hij als schuldige te kijk werd gesteld. En al die tijd heeft Hughes dat laten gebeuren. Hij had immers een afkeer van autobiografische literatuur – hij is blijven zwijgen. Tot hij vlak voor zijn dood Birthday Letters (1998) publiceerde. In Palmens roman is het personage Hughes zich ervan bewust dat hij zich door zijn zwijgen tekort heeft gedaan:

De enige manier om me te kunnen herenigen met mijn bruid, haar terug te halen uit de onderwereld en samen met haar naar de zon te lopen, lag in het ontsluieren van de eerste persoon enkelvoud die ik voor iedereen verborgen hield achter het mombakkes van een metafoor of analogie. De cocon van het valse zelf waaruit ik haar in ons huwelijk probeerde te bevrijden, werd na haar dood mijn eigen kooi en ik hield de vos – die in mijn dromen tegen het gewapend glas van mijn cel opsprong – jarenlang buiten de deur.

Palmen gebruikte die ultieme bekentenis in poëzie als de voornaamste bron van haar boek: ze zet Hughes poëzie om in een stilistisch zeer verzorgde monoloog in proza. Anders dan de biografen die hem opvoerden als de zondebok in het verhaal van Plath, wil zij hier zijn bevrijding gestalte geven door hem zijn eigen verhaal te laten vertellen. Dat is een werkwijze die de laatste jaren wel vaker wordt beproefd. Zo voerde Abdelkader Benali in Bad boy (2013) kickbokser Badr Hari als personage op en schreef Kristien Hemmerechts een roman over Michelle Martin, de echtgenote van Marc Dutroux. In die laatste roman leidde die aanpak ertoe dat Martin een buikspreekpop werd: de stem van de schrijfster klinkt door die van het personage heen en vertolkt de problemen van de schrijfster.

Bij Palmen ligt dat complexer. De thema’s in Palmens werk zijn bekend: ze schrijft over identiteit, het ‘ware zelf’, de liefde, de dood en over de broosheid van het leven en de moeizame pogingen om desondanks op de been te blijven. Ze hanteert daarbij een min of meer modernistische poëtica: de verbeelding van de roman dient als een houvast in het mijnenveld van de werkelijkheid. In haar vorige boek Logboek van een onbarmhartig jaar (2011) legde ze dat mijnenveld pijnlijk oprecht bloot – het schrijven was een laatste redmiddel dat haar dagelijks leven enige ordening gaf, maar dat slechts zelden echt voor troost zorgde.

Met Jij zegt het keert Palmen terug – zo lijkt het – tot een roman als Lucifer (2007). Ook in dit boek vormt een waargebeurde gebeurtenis de aanleiding voor een romaneske vertelling. Hierin gebruikte Palmen alle middelen van de vertelkunst om het ‘graan des levens’ om te zetten in de ‘jenever van de poëzie’ met als resultaat een roman die als verhaal op zich een kracht had. De lezer hoeft de werkelijke feiten niet te kennen om de roman als zodanig te kunnen appreciëren. In Jij zegt het zit ze de historische werkelijkheid veel dichter op de hielen: de roman wordt geschraagd door de voor de lezer min of meer bekende levensfeiten van Hughes en Plath en wijkt daar ook nauwelijks vanaf.

Dat heeft tot gevolg dat de plot tamelijk voorspelbaar is. De Britse Hughes en de Amerikaanse Plath worden hevig verliefd, trouwen al na vier maanden, en gaan aan de slag met hun gezamenlijke missie: allebei een groot schrijver worden. Hun huwelijk verloopt bij vlagen moeizaam. Aanvankelijk is dat vooral vanwege de omgeving. Met name Hughes’ zeer Britse zus heeft moeite met het accepteren van de nogal aanwezige en extraverte schoonzus Sylvia. Ze vindt dat broer Ted zich aan haar heeft overgeleverd en dat Sylvia hem gevangen houdt.

Plath blijkt al snel psychisch instabiel. Ze heeft een geschiedenis van depressies, waarvoor ze zelfs ooit met elektroshocktherapie is behandeld. Kan ze de ene dag bruisen van energie, de volgende zit ze in het diepste dal. Ze is neerslachtig, manisch, suïcidaal en hoogst sensitief. Meer dan eens schrijft ze of biecht ze op dat ze een verlangen heeft naar zelfvernietiging, een wens om te verdwijnen. Het is bovendien niet gemakkelijk dat haar man de eerste is die succes krijgt, terwijl er in de Britse literair wereld afstandelijk op haar werk wordt gereageerd. Als haar openhartige autobiografische roman The bell jar (1962) beroerd wordt ontvangen, blijkt dat het begin van het einde.

Plath is zo veeleisend dat Hughes – om te ontsnappen, zo lijkt het – verliefd wordt op Assia Wevill, die hij zijn ‘Lilith’ noemt. Hughes en Plath hebben op dat moment twee kinderen en het lijkt er niet op dat Hughes zich erg op zijn gemak voelt bij het vaderschap. De affaire komt al snel uit, waarna hij het huis wordt uitgezet. Ze zullen nooit meer echt samen zijn – kort daarna, in januari 1963 – doodt Plath zichzelf door zich in de oven te vergassen. Hughes wijt de verwijdering aan het feit dat hij zich te veel aan haar heeft toegewijd en daarmee zelfs zijn eigen dichterlijke stem opofferde. Palmen schrijft:

In de zes jaar van ons huwelijk was ik mezelf kwijtgeraakt in de toewijding aan de geboorte van dit poëtische zelf. Nu zij haar stem gevonden had en ik de mijne moest bevrijden uit onze eredienst, raakten we elkaar kwijt. Zij wilde naar de beminde vader, ik wilde naar de werkelijkheid, naar de natuur, maar mijn natuur. Tot op de dag van haar dood heb ik gemeend dat onze verwijdering tijdelijk was, dat wij – herboren, droeviger en wijzer – elkaar zouden terugvinden. En ik dacht dat we alle tijd hadden.

De roman moet het, zoals gezegd, niet van de plot hebben, want het verhaal van Plath en Hughes is allang publiek bezit en Palmen volgt het trouw. De originaliteit moeten we eerder zoeken in het perspectief. We horen de stem van de op het oog zo stabiele echtgenoot, die ons vertelt hoe het gaat met zijn ‘bruid’ – zoals hij Plath in een groot deel van de roman noemt –, leren zijn gedachtewereld kennen, en leven met hem mee.

In de jaren na haar dood en nu, nu ik met de poëzie het gat probeer te dichten dat haar zelfmoord in me heeft geslagen, in een postume dialoog het gesprek met haar voer dat we nooit konden hebben, de 88 verjaardagsbrieven aan mijn bruid voltooi om mijn versie van onze liefde op te eisen, mijn herinneringen terug te vorderen als een rechtmatig eigendom, en als een echo de poëtische versie van haar verhaal laat doorschemeren in het mijne, komt dit beeld vaak bij me terug, hoe we daar voor het laatst samen in de karmozijnrode zitkamer bij het vuur zaten en door de gloed van de vlammen zichtbaar werd hoe onze woorden vervloeiden, één lichaam, één geest, een huwelijk van taal.

Het drama van hun huwelijk was gefundeerd in de diepe wens om via de literatuur beroemd te worden en het verlangen dat gepaard ging met verachting van alles wat met die beroemdheid en bekendheid te maken had. Om succesvol te worden in de poëzie zochten ze de openbaarheid, maar tegelijk waren Hughes en Plath vooral op zoek – althans in het perspectief van de echtgenoot – naar een plek waar ze zich samen veilig konden voelen. Nu eens in de stad, waar Plath opbloeit, dan weer op het platteland, waar Hughes zijn rust denkt te vinden. Maar omdat ze allebei publieke figuren worden, is de idylle niet meer van hen samen en gaan allerlei mensen zich ermee bemoeien.

Een interessante diagnose, die aansluit bij de gedachte dat de media- en celebritycultuur het schrijverschap in de twintigste eeuw diepgravend beïnvloed hebben. Het is jammer dat Palmen geen reflectie op die diagnose biedt. Hughes wijt hun huwelijksproblemen aan de toenemende roem, maar hij legt niet uit waarom hij in die tijd ook zelf zo angstvallig blijft vasthouden aan die bekendheid (hij is de eerste die een radioprogramma krijgt). Het lijkt er eerder op dat hij zijn eigen zondebok zoekt (de media! de biografen!) om daarmee zijn eigen verantwoordelijkheid – en het schuldgevoel dat daarbij hoort – te ontlopen. Het zondebokthema had wat mij betreft meer diepte mogen krijgen. Palmen neemt vooral de tijd om het verhaal nog eens te vertellen, maar er had meer ruimte mogen zijn voor essayistische passages waarin Hughes zichzelf net zo scherp onder de loep neemt als hij nu met Plath doet. Paradoxaal genoeg gaat de rehabilitatieroman Jij zegt het misschien uiteindelijk toch ook meer over Plath dan over Hughes.

Jij zegt het geeft ons een origineel vertelperspectief en is daarmee een interessante bijdrage aan de stapel literatuur over Plath en Hughes, maar opvallend genoeg gebruikt Palmen dat originele perspectief niet om de mythe van Plath te ontkrachten of door te prikken. Ze komt naar voren als een vurige dichteres, die zich wil vernieuwen door zich te vernietigen. Ze verbindt het creatieve met het destructieve, verstrengelt liefde met haat. In de ogen van de verliefde Hughes wordt zij aanvankelijk bijkans een onaantastbare heilige, maar later ontpopt zij zich als een kwetsbare en opvliegende vrouw met ernstige psychische problemen die het haar omgeving niet gemakkelijk maakt. Ze heeft bovendien een complexe relatie met haar tegelijk beschermende en beklemmende moeder. Sylvia Plath is in Jij zegt het dan misschien niet het feministische rolmodel, maar het beeld van Plath als getormenteerde ziel, dat kende we toch ook al wel?

Uiteindelijk beklijft het beeld van Plath als weliswaar getormenteerde, maar voor het overige toch ook weer niet zo uitzonderlijke vrouw, maar Palmens Hughes ziet zijn monoloog als de revelatie van haar ‘ware zelf’. Hughes ziet het van meet af aan als zijn project om tot haar ‘ware ik’ door te dringen, en gebruikt daarvoor zelfs hypnose. Des te schokkender is het als hij na haar dood haar dagboeken onder ogen krijgt, waarin zij soms een hele andere versie schetst van hun huwelijk dan wat hij heeft beleefd:

En soms moeten we onze mythe leren lezen om bijtijds te kunnen ontsnappen uit de narratieve kooi van een oud scenario, aan het voorgeschreven lot waaraan het personage schijnbaar willoos gehoor geeft.
De grond gaat zich pas onder je openen als je leert hoe je ook voor anderen een figuur uit een roman of tragedie bent en moet ontdekken dat hun rolverdeling niets te maken heeft met jouw werkelijkheid, zij naar andere boeken en personages grijpen om jou te duiden.

Palmen is er goed in geslaagd om van deze Hughes een man van vlees en bloed te maken. Hij is geloofwaardig, hij ontroert vaak, irriteert zelden. De kracht van deze roman zit in de manier waarop Palmen de stem van Hughes authentiek laat opklinken – stilistisch is dit zonder meer Palmens beste boek. Maar of dat genoeg is om de hele roman te dragen? Het gaat niet om de plot, noch om het grondig bijstellen van de mythe. De roman moet het dus hebben van de reflectie op en interpretatie van de historische situatie die wordt beschreven. Omdat Palmen zo dicht op de huid van Hughes blijft, is er echter (te) weinig ruimte voor die reflectie. Om Jij zegt het echt tot een relevante bijdrage aan de Plath-literatuur te maken, had Palmen het zondebok-thema verder moeten uitdiepen door Hughes nog wat meer in de spiegel te laten kijken. Nu komt hij in Jij zegt het weliswaar tot leven, maar wat hij te zeggen heeft, beklijft niet altijd.

Prometheus, Amsterdam, 2015
ISBN 9789044628104
240p.

Geplaatst op 04/11/2015

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.