Recensies, roman

Flarden verhaal

Een zoon van

Roelof ten Napel

In Een zoon van (2020), de derde roman van de Nederlandse auteur Roelof ten Napel, verruilt hoofdpersoon Wolff zijn geboortegrond voor een studentenstad. Tijdens die studiejaren worstelt hij met zichzelf, zijn omgeving en zijn achtergrond. Wolff mijmert tot in het eindeloze. In de brei van nevelige vragen en ideeën die in Wolff leven, springt er soms een haarscherp inzicht uit. Een observatie die de moeite waard is.

De vragensteller

Ten Napel is niet het type schrijver dat de plot van zijn verhaal meteen duidelijk neerknalt. In Een zoon van ontvouwt de wereld van Wolff zich langzaam. De belangrijke lijnen worden aangestipt, maar blijven omhuld in een zweem van toevalligheid. Thema’s als eenzaamheid, vriendschap en familie komen voorbij zonder echt tastbaar te worden. Er is geen primair conflict – geen centrale gebeurtenis, situatie of probleemstelling – waaraan Wolffs overpeinzingen worden opgehangen.

De stijl van Een zoon van is vooral vragend. Als Wolff een stapel schriften koopt, vraagt hij zich af waarom hij de behoefte heeft om te schrijven: ‘Om het niet te vergeten?’ Nee, want ‘hij las amper iets terug’. Wat is het dan? ‘Misschien’, begint hij, ‘schreef hij zijn denken op zodat het ergens anders plaatsvond dan in zijn hoofd’. Wolff stelt vragen en beantwoordt ze met ‘misschien’. Hij zoekt continu de ruimte voor weerlegging, voor nieuwe vragen en voor het uitstellen van een standpunt. Het effect daarvan is een ankerloze romanwereld waarin gevaarlijk ronddobberen op de loer ligt.

De vragende toon in de roman wekt de suggestie van een filosofische insteek, en bij vlagen is het dat ook, maar vaak overstijgt Wolff het niveau van piekeren niet. Schrijf gewoon in je schriftje, kun je bijvoorbeeld denken. Of, kies gewoon wat, als Wolff in de supermarkt is en niet weet wat hij met een paar medestudenten in het park zal eten. Zelf beseft Wolff ook dat hij zichzelf ‘tot toeschouwer’ maakt, alles enkel observeert, om daarop te vervolgen: ‘Waar bleef hij zelf?’ Een terechte vraag.

Een wazig plot

De gedachtewereld van Wolff overheerst in Een zoon van en de plot lijkt vooral aanleiding om daartoe te komen. Zo wordt Wolff gevraagd om iets te doen voor een open podium van zijn studievereniging. Hij bladert ter inspiratie door De elegieën van Duino (1875-1926) van de dichter Rainer Maria Rilke, vindt een oud notitieboek van zichzelf, leest erin en mijmert wat over poëzie. Dat is ook waar het bij blijft: eigen citaten uit een notitieboek en eigen overpeinzingen. De verhaaltechnische noodzaak achter die stroom aan gedachten – een open podium – is dun.

Dat gebrek aan noodzaak levert een tweespalt op. De thema’s waar Wolff over nadenkt zijn in essentie urgent, maar het verhaal zelf is dat niet. De roman bestaat uit flarden verhaal over identiteit, seksualiteit, eenzaamheid, geloof, vriendschap, liefde, literatuur. De dynamiek waarmee de thema’s langsdrijven is steeds dezelfde. Ook de ouder-kindrelatie, die toch de opvallende rode draad zou moeten vormen in Een zoon van, heeft niet overduidelijk méér intensiteit dan de rest.

Misschien is het een bewuste keuze: de roman komt zo steeds meer overeen met de mistige binnenwereld van Wolff. Zoals het hoofdpersonage zichzelf ervaart – ‘Waarom was wat hij voelde niet meteen een volzin? Waarom die mist, altijd, binnen?’ – zo voelt ook het lezen van de roman. Zelfs letterlijk: Ten Napels zinnen zijn vaak opsommend en associatief. De taal krijgt daardoor iets grenzeloos, een soort ‘kommataal’, altijd op zoek naar een bijvoegsel. Ook de dialogen worden niet gemarkeerd door interpunctie, maar dienen zich geruisloos aan.

Loslaten

Tussen de flarden verhaal staan ook scherpere scenes. Zo haalt Wolff uit naar de obsessie van mensen over zijn gereformeerde achtergrond en zijn homoseksualiteit (‘Zij konden het zich voorstellen, hoe moeilijk dat moest zijn geweest, hoe zwaar’). In een relaas dat schiet van Genesis naar mensen als ‘hompen vlees en bot, ooit strandbeestjes’ in een ‘zo goed als levenloos heelal’ heeft Wolff één houvast en dat is dat we kunnen ‘getuigen van de echtheid’ van wat ons overkomt. De emoties, de ervaringen – die tellen. Ja, homoseksualiteit in een ‘gristelijke’ omgeving is complex, maar wat Wolff sterker lijkt te stellen: die kleinmenselijke obsessie naar homoseksualiteit in een religieuze context is haast lachwekkend op universele schaal.

In dezelfde categorie redeneert Wolff ook op een eigenzinnige manier over God. Een oude schoolvriend zoekt contact met Wolff, omdat de vriend een proces heeft doorgemaakt waarin hij gelovig is geworden (‘Ik praat niet meer tegen niks’) en niemand kent, behalve Wolff, om die ontwikkeling mee te delen. In hun gesprek verhouden ze zich tot wat God kan zijn. Nadat hij Kierkegaard citeert, bedenkt Wolff dat iemands beeld van God eerst moet ‘sterven’ voordat het lukt om God te volgen. ‘Je vormt je er een beeld van, en het beeld is een vertekening.’

Dat loslaten van beelden raakt aan een bredere thematiek in Een zoon van. Het loslaten van je herkomst, je ouders en je jeugdige geloof. Als zijn vader overlijdt, spreekt Wolff voor zijn graf. In een lange adem raken hun ingewikkelde band als vader en zoon, de eerste Korinthebrief uit de Bijbel en Wolffs seksuele identiteit met elkaar verknoopt. Het is alsof Wolff de angel uit zijn verleden haalt.

Een spoor van spoken

In het laatste deel van Een zoon van is ook Wolffs moeder overleden, heeft hij een stabiele relatie met Robin en is hij een gepubliceerde auteur. Inmiddels is ook duidelijk geworden dat Wolff zijn eigen verhaal schrijft en dat we dát verhaal lezen. Een bekende literaire truc die toch verrassend is.

In zijn mijmeringen, overwegingen en vragen blijft Wolff zich buigen over fundamentele kwesties. Als zijn vriend Ezra langzaam blind wordt, zoekt Wolff een oude notitie van zichzelf op over ‘spoken en kleur’. Hij reflecteert op het kleurloze, onzichtbare en vergankelijke dat ons blijft achtervolgen: herinneringen, gedachten, overledenen. Wolffs notities doen denken aan Jacques Derrida en zijn definities van ‘trace’ en ‘ghost’. Sporen uit het verleden blijven zich aan ons tonen – of we nu blind zijn of niet.

Wolffs spookanalyses vliegen vervolgens weer wat uit de bocht – zijn ze echt allemaal romanwaardig? – en voelen aan alsof de echte schrijver eerder aan de handrem had kunnen trekken. Toch biedt de spokenmetafoor een nieuwe blik op de vorm van de roman. De ‘flarden verhaal’ zouden we als geestachtige herinneringen kunnen lezen die opdoemen in Wolffs bewustzijn.

De vorm lijkt zo toch sterk samen te hangen met de inhoud: een nevelig plot, een zweverig personage en een geestachtige stream of consciousness.

Gebrek aan urgentie

Of het ook werkt, is een tweede. Het ontbreekt in Een zoon van vaak aan spanning. Als het waar is dat er in literatuur nooit zomaar een mus van een dak hoort te vallen (tenzij dat de bedoeling is) en als het waar is dat tijdloze literatuur moet voldoen aan structurele elementen (conflict, crisis, inzicht), dan is het de vraag of Een zoon van die tests zal doorstaan. Als we die voorwaarden van tafel vegen, is Een zoon van een geslaagde metareflectie op vorm en verhaal.

Toch blijft overheersen dat Een zoon van geen roman is waarin de thematiek houvast vindt in de noodzaak van de verhaallijn. De personages zijn niet stevig geworteld in hun wereld, de dialogen zijn vaag omlijnd en de scenes volgen elkaar associatief op. Zonder die voelbare urgentie in de plot is het risico dat de aandacht van de lezer verslapt, de taal haar scherpte verliest en er uiteindelijk onvoldoende overblijft van, een op zichzelf genomen, interessante inhoud.

Een recensie door Maartje Amelink over Een zoon van door Roelof ten Napel.

Hollands Diep, Amsterdam, 2020
ISBN 9789048845019
208p.

Geplaatst op 07/06/2021

Tags: gereformeerd, Homoseksualiteit, Religie

Categorie: Recensies, roman

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.