Poëzie, Signalement

Op zoek naar een eenduidig verlangen

En niet bij machte

J.V. Neylen

Laten we beginnen bij het einde. Het laatste gedicht in En niet bij machte, de debuutbundel van J.V. Neylen, opent met de regel: ‘Begin. En kijk niet met dit dreigend oog dat in je ligt.’ Er wordt een jij aangesproken in de gebiedende wijs, maar het ik van wie deze woorden afkomstig zijn, blijft het hele gedicht ongenoemd. Op dit punt in de bundel is wel duidelijk dat de aangesprokene hier, gehuld in ‘kostuums te nauw of te los op snit’, gelijk is aan het lyrisch ik zelf. ‘Alsmaar vlugger stik ik in de kostumering die ik word’, zo lezen we namelijk in een eerder gedicht. Het ik praat dus voortdurend op zichzelf in.

En ergens tussen het ik en het jij zit nog een derde stem in de vorm van een dreigend oog, een treffende metafoor voor een altijd aanwezige zelfkritische blik, een schijnbaar niet te stillen interne stoorzender. Die stem nestelt zich soms in de regels: ‘(het mag niet, het kan niet)’. Het ik is zich daarvan bewust en draagt het jij op om niet naar het oog te luisteren: ‘laat het niet / stekelen als een roos in je hoofd’. De titel van de bundel wordt in dit gedicht meermaals herhaald, als een soort mantra, in een aanhoudende poging dat oog te bezweren:

En niet bij machte, en niet in staat

om dat dreigend oog dat in je ligt

de vleselijke warmte te bieden waarin het slapen kan –

het tikt de schrik tegen je hart.

Het eindgedicht wordt voorafgegaan door een lemniscaat (∞), het symbool voor oneindigheid, dat al aankondigt hoe in dit gedicht de bundel als geheel tot een pointe komt. Er wordt hier een spel gespeeld, met ik en jij, met avontuur en veiligheid, met taal en werkelijkheid.

Neylen is de jongste laureaat van de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs 2021, een jaarlijkse stimuleringsprijs die wordt toegekend aan debuterende auteurs van afwisselend proza en poëzie. In het juryrapport wordt lovend gesproken van ‘opvallende aandacht voor de taal zelf’ en ‘een eigenzinnig beeldarsenaal’. De bundel staat er bol van. Zie bijvoorbeeld deze strofe: ‘Om te bewaren zo hol een klank. / Dit ballonnengeluk: clownesk / en als in een tent verstikkend.’ Ook na een aantal keer (hardop) lezen blijven in deze regels het klinker- en medeklinkerrijm, de zinsomkeringen én de metaforen over elkaar heen buitelen. Het is lastig die beelden te interpreteren, daarvoor staan er eigenlijk te veel in het gedicht, maar de energie spat er vanaf. In de voorgaande regels figureren onder andere faraohanden, een grijnzende paspop en een schaterlach die van een fietspad glijdt. En na de strofe met clownesk ballonnengeluk begint in de volgende regel het buitelen weer van voor af aan: ‘Zelfs de rokken blazen bol van geluk.’ Dat gaat zo de hele bundel door. Zonder vermoeiend of vergezocht te worden, want Neylen formuleert consistent speels en origineel.

De rijke stijl is op zichzelf al genoeg om van deze poëzie te genieten, maar heeft ook een thematische link. Zoals veel van haar collega’s dicht Neylen regelmatig over de taal zelf, vaak als een toevluchtsoord of een middel om zich tot de wereld te verhouden. In de eerste afdeling van de bundel, die over de jeugd van het lyrisch ik lijkt te gaan, lezen we: ‘Voor mij was het grootsheid / waarin ik werd geboren – wat waren het ruggen, hoog en koel / als muren om mijn knieën heen’. Het ik zat als het ware ingemetseld, maar slaagde erin een uitweg voor zichzelf te creëren, zo blijkt later: ‘Wat waren het ruggen allemaal – geknakt nu / onder mijn denken, mijn taal.’ Vanuit het heden kijkt het ik terug op wat die woorden voor elkaar gekregen hebben, en laat in deze gedichten met plezier zien wat er allemaal nog meer mogelijk is met die taal.

Deze thema’s en de bijbehorende beelden, zoals de eerder genoemde kostuums en kostumering, zitten door de gehele bundel verweven, waardoor zich een coherente wereld begint af te tekenen. Ook het beeld van de muur duikt vaker op: ‘Begrijp dan, ik wil geen muren // en geen mensen om mij heen, maar een strekken tot ik niet verder kan’. Het ik streeft naar een leven in complete vrijheid, maar stuit daarbij op (menselijke) blokkades. Even lijkt het mogelijk te zijn die te omzeilen door te ‘vluchten in een gedicht’. Toch lukt het deze keer het ik ook via de taal niet om volledig te ontkomen: ‘Maar ik zal // eens verdwaald in jullie warmte, verlangen / naar de kamer met zijn muren en zijn armen. Begrijp je, / keer op keer.’

Hier zit de centrale spanning van de bundel, die Neylen in een interview op Meander zelf ook benoemt, namelijk ‘tussen een verlangen naar een autonoom bestaan en het verlangen naar geborgenheid, overgave’. Het ik zegt los te willen breken maar kan dat niet met volle overtuiging doen. Die twee conflicterende verlangens hebben als gevolg een permanent verblijf in het grijze gebied tussen deze uitersten, op een plek die geen plek is, aldus Neylen in het interview: ‘[E]r is geen brug tussen deze werelden.’ Juist de onmogelijkheid van die tussenpositie vormt de drijvende kracht in deze poëzie en geeft haar haar existentiële noodzaak. Dezelfde ambiguïteit is terug te vinden in het dreigend oog, waarmee je niet mag kijken, maar dat wel geborgenheid verdient, die je toch niet kunt bieden. Of elders nog kernachtiger: ‘[Ik] volg nu slaafs mijn eigen wil.’ Het lyrisch ik gaat ten onder aan die wil, die meervoudig is en het zelf daardoor verscheurt.

De eigen wil komt nog verder op losse schroeven te staan als we ons afvragen van wie die eigen wil dan precies is. ‘Trek alle graten uit je lijf / tot er niets dan jezelf overblijft’, staat er, maar later: ‘Als een visgraat sta je,’ en in hetzelfde gedicht: ‘Graten vallen uit je armen als liefkozingen.’ De graten zijn eerst juist geen onderdeel van het zelf, dan ben je toch zelf geheel de graat, maar de graten zijn tegelijkertijd losstaande elementen. Het zelf is kortom niet precies te lokaliseren. Geen wonder dus dat in de zoektocht naar een zelf met een eenduidig verlangen het ik en het jij elkaar regelmatig afwisselen.

Neylen stelt zichzelf geen gemakkelijke taak door te schrijven over een ik dat niet weet of het aan- of afwezig wil zijn. Het ik bevindt zich daardoor noodgedwongen in een ongemakkelijk tussengebied, wil zich middels de poëzie een weg naar buiten banen, maar weet niet meer wie aan te spreken: het ik, het jij, of toch weer dat verdomde oog? Onder deze ambitie zouden veel debuterende dichters gebukt gaan, maar deze doet het met verve. De bundel maakt nieuwsgierig naar wat Neylen als prozaschrijver in haar mars heeft – haar romandebuut staat te verschijnen in het najaar van 2022. Gelukkig hebben we tot die tijd deze steeds opnieuw buitelende poëzie.

Een signalement door Thijs Joores over En niet bij machte van J.V. Neylen.

Contact, Amsterdam, 2020
ISBN 9789025457877
88p.

Geplaatst op 15/07/2021

Tags: Poëzie

Categorie: Poëzie, Signalement

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.