Geschiedenis, Recensies

Een decennialange fascinatie voor Carry van Bruggens oeuvre

Er is geen ander zijn dan anders zijn

Denken met Carry van Bruggen

Barber van de Pol

Vertaler en auteur Barber van de Pol maakte in 1978 kennis met het literaire en filosofische werk van Carry van Bruggen (1881-1932) en nu, meer dan veertig jaar later, brengt ze een boek uit over deze modernistische schrijver en filosoof. Er is geen zijn dan anders zijn. Denken met Carry van Bruggen is een essay in boekvorm en het resultaat van decennialang lezen, denken en praten over de auteur en haar literaire nalatenschap. Van de Pol nam zich voor geen biografie te schrijven, maar: ‘Een eerbetoon om mezelf beter te begrijpen maar niet achter haar aan hobbelen, en geen zelfontboezeming als de Carryfactor niet in het geding is. Niet het raadsel verkleinen maar het voeden met nieuwe vragen. En niet te veel toeters en bellen.’ Het is aan de lezer van Er is geen ander zijn dan anders zijn om te bepalen in hoeverre de auteur zich aan dat voornemen heeft gehouden.

De Carryfactor

Het oeuvre van Carry van Bruggen staat recent weer volop in de belangstelling. Tegelijk met het boek van Van de Pol verscheen, eveneens bij Uitgeverij Querido, een heruitgave van de roman Eva (1927). Deze roman inspireerde operaregisseur Sjaron Minailo tot de achtdelige gesproken opera Eva, die geheel in de geest van deze digitale tijd te beluisteren is als podcast. In iedere aflevering staat een hoofdstuk uit Eva centraal, waarin de hoofdpersoon wordt gevolgd in verschillende fasen van haar leven: haar achttiende verjaardag, haar belevenissen als onderwijzeres en haar leven als echtgenote en moeder. Van de Pol werkte mee aan een contextprogramma bij deze opera, waarin zij samen met librettist Gaea Schoeters de thema’s uit het werk van Van Bruggen bespreekt.

De literaire nalatenschap van Van Bruggen kende al eerder een revival in de jaren zeventig van de twintigste eeuw. In 1978 werd bijvoorbeeld een aflevering van het tijdschrift De Engelbewaarder gewijd aan haar werk. Samenstellers Jan Fontein en Diny Schouten staan in een eerbiedwaardige rij van bewonderaars. In haar eigen tijd was Van Bruggen een veelgelezen en -besproken auteur. Frans Coenen, criticus en auteur van naturalistische romans, was een pleitbezorger van haar werk. Haar roman Heleen (1913) werd twee jaar na haar overlijden herdrukt en bij die gelegenheid voorzien van een voorwoord van Coenen. Menno ter Braak schreef een voorwoord bij de eerste herdruk van haar filosofische studie Hedendaags fetisjisme (1925), maar zijn bewondering betrof, volgens Van de Pol, vooral haar omvangrijke filosofische studie Prometheus (1919).

In het betoog van Van de Pol staat de levensloop van Van Bruggen niet centraal en het boek kan in die zin zeker geen biografie worden genoemd. Een lezer die nog weinig kennis heeft over het leven van deze auteur, vindt echter versnipperd door de hoofdstukken heen wel biografische informatie. In de inleiding staan alleen wat losse gegevens over haar leven, zoals haar roepnaam Lien, voluit Carolina Lea de Haan. De achternaam Van Bruggen zou ze krijgen bij haar huwelijk met Kees van Bruggen en hield ze na haar scheiding als schrijversnaam. Er is sprake van een zus, Mies, die eigenlijk Sara heette en memoires over hun jeugd heeft gepubliceerd. En ze had een jongere broer, Joop, de schrijver Jacob Israël de Haan (1881-1924), met wie ze een goede band had. Ze groeiden op in Zaandam en waren kinderen van ‘Joodse kleinburgers’. Van de Pol spiegelt zich aan het leven en werk van Van Bruggen. Ze komt in de media op allerlei wijzen haar literaire en filosofische nalatenschap tegen en herkent, zoals zij dat noemt, ‘de Carryfactor’ in hedendaagse schrijvers. Ze constateert: ‘Mijn wereld is naar haar aan het kleuren’ en besluit haar inleiding met: ‘Carry, c’est moi.’

Indirect biografisch

In Er is geen ander zijn dan anders zijn onderzoekt Van de Pol het werk van Van Bruggen thematisch en vol met terzijdes uit haar eigen leven. Ze beschrijft aan de hand van de verhalen in Avontuurtjes (1922) en Vier jaargetijden (1924) de wereld waarin Van Bruggen opgroeide en verbindt deze aan haar eigen jeugdherinneringen. Dit geeft haar betoog een zeer persoonlijke toon. Geregeld lijkt het alsof het oeuvre van Van Bruggen verdwijnt achter een wirwar aan eigen herinneringen, leeservaringen en ontboezemingen van Van de Pol. Wie daar doorheen kan kijken, ziet een rijk en veelzijdig eerbetoon. In een associatieve, losse stijl bespeelt Van de Pol verschillende registers, van bewonderend tot kritisch. Haar redeneringen springen van de hak op de tak en pakken vaak humoristisch uit. Zo verklaart ze het succes van De verlatene (1910) door te stellen dat het boek gedetailleerd een verloren tijd oproept: ‘alsof je in het Zuiderzeemuseum bent, maar dan echt’. Ze vervlecht verhalen over haar leven met dat van haar onderzoeksobject. In het eerste hoofdstuk komt ze uiteindelijk bij het moederschap uit, dat het leven van haarzelf en van Van Bruggen ‘vervult en beperkt, kader en chaos [geeft]’.

Van Bruggen zat volgens Van de Pol altijd met haar neus in de boeken. Ze volgde een opleiding voor onderwijzeres en stond korte tijd voor de klas in Amsterdam. Daarna vertrok ze met haar echtgenoot naar Nederlands-Indië, waar ze van 1904 tot voorjaar 1907 woonden. Haar schrijversloopbaan begon met columns in de Deli-Courant. Terug in Nederland publiceerde ze in 1909 de verhalenbundel ’n Badreisje in de tropen en haar romandebuut Goenong-Djatti, die beide in Nederlands-Indië gesitueerd zijn. Van de Pol is kritisch over de stijl van het vroege werk van Van Bruggen, die zij typeert als ‘woordschilderingen’ en ‘woordkunstige franje’. In haar latere werk neemt Van Bruggen echter afstand van de Tachtigers en gaat ze het modernistische pad op. In de roman Heleen (1913) is het begin van een stijlverandering te onderscheiden en wordt het beschrijvend realisme losgelaten. Daarna voltrekt zich in haar werk een literaire metamorfose. Van Bruggen ontdekt de stream of consciousness, de stijl van haar tijd, en laat in Eva (1927) waarnemingen en reflectie samenvallen in de innerlijke monologen van haar hoofdpersonage.

Anders zijn

Carry van Bruggen kreeg de demonen van haar jeugd niet uitgedreven en dit zou de drijfveren van haar schrijverschap vormen. De discriminatie die Carry als Joods kind heeft ervaren, beschreef ze in haar eerste publicatie In de schaduw (1907), waarin het ‘anders zijn’ door de Joodse identiteit verhindert dat een kind onopvallend deel uitmaakt van een groep. Ook in latere werken komt het ‘anders zijn’ terug, zoals in haar omvangrijke filosofische werk Prometheus (1919) dat Van de Pol omschrijft als ‘geen studie maar een essay’ en waarin de termen ‘distinctiedrift’ en ‘gemeenschapsverlangen’ centraal staan. Hedendaagse Nederlandse sociologen zien overeenkomsten tussen Prometheus en de studie La distinction uit 1979 van de Franse socioloog Pierre Bourdieu. Van de Pol roemt de gewonemensentaal in Prometheus, die zich in positieve zin onderscheidt van de wetenschappelijke taal van Bourdieu. Ze is echter eerlijk over de moeite die het lezen van dit omvangrijke werk haar kost en over haar ongeduld wanneer ze de theorieën van Van Bruggen wil bevatten.

Van de Pol ontpopt zich in Er is geen zijn dan anders zijn als een duider van het filosofische werk van Carry van Bruggen. Zij plaatst Prometheus niet alleen in haar oeuvre maar ook in het wijsgerige klimaat van die tijd. Samen met het hoofdstuk waarin zij Hedendaags fetisjisme (1925) bespreekt, vormt dit het hoogtepunt van haar boek. Toch is Van de Pol niet alleen lyrisch maar benoemt ze ook de zwakke kanten in het werk van Carry van Bruggen. Ze wijst op het ‘afgeraffelde’ slot van de romans Heleen en Eva. Hedendaags fetisjisme noemt ze ‘taalsociologie op haar best’, maar ze is kritisch over de opbouw van het werk, want het ‘rammelt’:

Er gaapt net als in Prometheus een kloof tussen de taaie inleiding en de levendige uitwerking, wanneer je ineens een karrenvracht voorbeelden over je heen krijgt alsof de sorteringsdienst even geen tijd had, maar dan wordt het wél fijner, met flink wat humor.

Aan haar voornemen om niet te veel toeters en bellen toe te voegen, heeft Van de Pol zich echter niet gehouden. Vaak leiden haar eigen mijmeringen en belevenissen alleen maar af van het verhaal over Van Bruggens oeuvre en leven. Het sterkst zijn de stukken waarin Van de Pols enthousiasme over het werk van Van Bruggen de boventoon voert. Halverwege haar betoog stelt Van de Pol dat ze graag jonge mensen voor het oeuvre van Carry van Bruggen wil winnen. Niet alleen Eva en Prometheus geeft ze daarom veel aandacht, ook de debuutverhalen uit Nederlands-Indië en het reisverhaal Tirol (1926) worden besproken en geplaatst in hun tijd. De grote verdienste van Er is geen ander zijn dan anders zijn is dat Van de Pol het oeuvre van Van Bruggen ook in de huidige tijd situeert. Van de Pol verbindt op uiteenlopende wijze de literaire nalatenschap van Van Bruggen met hedendaagse cultuuruitingen als romans, beeldende kunst en films en met de actuele, sociologische theorie over distinctie. Zo slaagt ze erin om een brug te slaan naar de jonge generatie. Boeken mogen niet saai zijn, aldus Van de Pol, en Er is geen ander zijn dan anders zijn is dat beslist niet. Wie bereid is om mee te gaan in haar gedachtesprongen en terzijdes, maakt kennis met de denkwereld van Carry van Bruggen en kan niet anders dan instemmen met de auteur die haar vlammend betoog eindigt met: ‘Carry, c’est nous.’

Een recensie door Lenny Vos over Er is geen ander zijn dan anders zijn. Denken met Carry van Bruggen van Barber van de Pol.

Querido, Amsterdam, 2020
ISBN 978 90 214 2234 3
312p.

Geplaatst op 20/08/2021

Tags: Barber van de Pol, Carry van Bruggen, Eva, Jacob Israël de Haan, Modernisme, stream of consciousness, Tachtigers

Categorie: Geschiedenis, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.