Poëzie, Recensies

Vormloze gedaante, verlamde kracht

Gedichten 1917-1930

T.S. Eliot

Thomas Stearns Eliot (1888-1965) was een van de belangrijkste of grootste dichters van de twintigste eeuw: daarmee zou je kunnen beginnen. Maar wat houdt dat in? Hij was een Amerikaan die later Engelsman werd, en dus: een van de belangrijkste of grootste westerse dichters. Wat niet westers is kennen we meestal niet of nauwelijks, en natuurlijk is westers hier geen ruimtelijk begrip – ‘noordelijk’ zou juister zijn. Eliot behoorde tot een overheersend gebied en een overheersende taal in de overheersende cultuur, hij beriep zich heel nadrukkelijk op die cultuur en haar tradities, alludeerde steeds weer op allerlei gegevens en documenten eruit. Nochtans was zijn belangstelling verre van bekrompen, hij las bijvoorbeeld als jongeman een hoop antropologische werken, en stond op een bepaald moment dicht bij het boeddhisme; maar de blik waarmee hij naar het vreemde keek bleef erg westers. En al was hij ook gefascineerd door bepaalde vormen van populair amusement, het ging hem wel degelijk om ‘hoge’ cultuur. Van huis uit was hij unitariër (een ondogmatisch soort protestant), maar in 1927 trad hij toe tot de Church of England (meer bepaald de Anglo-katholieken), en zijn latere werk geeft ruimschoots blijk van een stug soort christendom; in politiek-ideologisch opzicht was hij reactionair, zijn hele volwassen leven lang, en vooral uit zijn essays maar ook uit enige gedichten stijgt soms een erg onaangename walm op. Eliots enorme invloed was die van een prominent cultureel vertegenwoordiger van de blanke mannelijke dominantie, en daar rijzen vandaag nogal wat vragen bij.

(Paul Claes: ‘Eliot […] liet zich verleiden tot een huwelijk met de min of meer hysterische Vivien Haigh-Wood’. ‘De aanleiding tot [‘Whispers of Immortality’] was Eliots ontmoeting met een verleidelijke Russin, die hij Grishkin noemt […]. Pound bracht hen met elkaar in contact in de hoop dat het een gedicht zou opleveren.’ De arme kerel was aan verleidsters blootgesteld, maar mannen onder elkaar zullen het wel redden.)

Eliots gedichten zitten meestal barstensvol met citaten uit en verwijzingen naar andere teksten. Paul Claes spreekt van ‘een superieure vorm van intertekstualiteit’; vaak wordt bij motto’s de bron niet vermeld, wat ze ‘raadselachtig’ maakt: ‘Critici zullen ze stuk voor stuk moeten identificeren.’ Critici! Zulke praktijken van Eliot kunnen behoorlijk irriteren, maar nog irriterender is de woekerende uitlegindustrie waarin letterlijk geen woord van zijn poëzie onaangeroerd blijft. Wie daar als buitenstaander iets van wil oppikken verdwaalt al snel in een domein waar ingewijde ‘critici’ alleen voor ingewijden schrijven en waar elke spontane respons uit den boze lijkt. Je durft zelf bijna niets meer te denken, het mocht eens verkeerd zijn! Zo’n diepe kloof tussen geleerd lezen en aandachtig lezen kan alleen maar ongezond zijn, hij schrikt mensen af en vergroot de toch al zo schreeuwende tegenstelling tussen mainstream en serieuze literatuur.

Aan de andere kant weten we hoezeer de onlangs overleden Barbadaanse dichter Kamau Brathwaite in zijn jeugd in de ban van T.S. Eliot kwam doordat die ‘de notie van de spreekstem, de conversatietoon’ binnenbracht in de Caraïbische literatuur; maar Brathwaite en zijn vrienden werden niet zozeer gestimuleerd door de teksten als door geluidsopnames van Eliots stem die ‘Prufrock’, The Waste Land enzovoort las. ‘In die droge effen voordracht klonken de riddims [ritmes] van Saint Louis [Eliots geboortestad] […] scherp en helder voor degenen onder ons die in dezelfde tijd luisterden naar de ontregelingen van Bird, Dizzy en Klook [Kenny Clarke]. En het is interessant dat in het algemeen het establishment Eliots stem niet kon uitstaan, laat staan jazz!’ (Brathwaite, History of the Voice, 1984)

Ook voor vele anderen heeft minstens een deel van Eliots werk op de een of andere manier bevrijdend gewerkt, maar toch lijkt hij vandaag een figuur uit een tijd die vervlogen is of bezig te vervliegen – en waar we niet te hard om moeten rouwen. Niettemin zullen poëzieliefhebbers zich nu en dan eens over zijn werk moeten buigen: je wil toch weten hoe er ‘vroeger’ geschreven is? En je wil toch niet altijd gehoorzamen aan de tijd van tegenwoordig?

Gedichten 1917-1930, het boek met nieuwe vertalingen van Paul Claes, bevat de meeste verzen die Eliot publiceerde voorafgaand aan zijn late hoofdwerk Four Quartets (1935-1942) en aan zijn toneelstukken (met Murder in the Cathedral en The Cocktail Party als imposante hoogtepunten). Niet opgenomen is het eerste hoofdwerk The Waste Land (1922), waarvan Claes al jaren geleden een becommentarieerde vertaling bezorgde (Het Barre Land, De Bezige Bij, 2007). Binnen de verzameling loopt een scheidslijn: de gedichten die geschreven werden na Eliots ‘bekering’ verschillen in meerdere opzichten van de eerdere, waarbij je de reeks ‘The Hollow Men’ (1925) tot op zekere hoogte als overgangsmoment kunt zien. Het boek heeft drie afdelingen: de bundel Prufrock en andere observaties (1917), de bundel Gedichten 1920, en – onder de kop ‘Ariël’ – ‘De holle mannen’, ‘Aswoensdag’ (1930) en de vier ‘Ariël-gedichten’ (1927-1930). Elke afdeling heeft een inleiding met biografische achtergrond en algemene toelichting, details komen aan de orde in de ‘Aantekeningen’.

Ik sta hier alleen even stil bij een drietal thema’s of voorstellingen die in verschillende gedichten voorkomen.

 

Doden

‘The Love Song of J. Alfred Prufrock’, het vrij lange titelgedicht uit Eliots debuutbundel (131 regels, voltooid in 1911), wordt wel eens gezien als het begin van de modernistische poëzie in het Engels. Liefdesliederen plegen een vorm van liefdesverklaring te bevatten, maar de spreker van deze monoloog – een man die al wat ouder wordt, maar vooral bang is het te worden – heeft het veeleer over zijn onmacht om een verklaring af te leggen. Weet hij trouwens echt wat hij wil? Hij loopt door onfrisse straten en dichte mist, een troosteloze weg, en begeeft zich in een verfijnd salon waar verder alleen vrouwen aanwezig zijn en waar hij zich ongemakkelijk voelt. En dan? Je zou het gedicht psychologisch kunnen lezen (een bepaald soort man), of ‘existentieel’ (DE mens), of sociologisch (een bepaalde klasse, een bepaalde maatschappij)… Maar laten we niet te snel zijn.

‘Prufrock’ draagt een Italiaans motto – zonder bronvermelding vanzelfsprekend, maar het komt uit Dantes Divina Commedia, Inferno 27, 61-66. Het personage Dante heeft een bewoner van de hel naar diens identiteit gevraagd en krijgt te horen: ik antwoord u alleen maar omdat ook u nooit naar de aarde zult terugkeren en dat u dus mijn reputatie daar geen schade kunt berokkenen. De aangesprokene meent dat Dante net als hijzelf voorgoed in de hel woont, en dus niets kan voortvertellen. Die tekst is meteen het vertrekpunt voor het gedicht zelf, dat het spreken in de tweede persoon gewoon voortzet: ‘Let us go then, you and I…’. En wie die ‘you’ ook is (de lezer, of slechts een ander aspect van het ik?), we mogen veronderstellen dat hij (?) volgens Prufrock eveneens een in de hel wonende dode is.

Omdat het hier om verdoemden lijkt te gaan, kun je denken aan een andere Dante-allusie bij Eliot, waarschijnlijk de beroemdste. In het eerste deel van The Waste Land worden de mensen die in de Londense City draven en werken geëvoceerd als levende doden; de helderziende madame Sosostris ziet, heel Inferno-achtig, ‘drommen mensen in een kring rondlopen’, en een paar regels lager, in de ‘Unreal City’, ‘Stroomde een drom over de London Bridge, zo velen, / Ik wist niet dat de dood zo velen had ontzield.’ Dit verwijst naar Inferno 3, waar in het voorhof van de hel schimmen doelloos ronddraaien ‘omdat ze noch goed noch kwaad hebben gedaan en dus nooit echt hebben geleefd’. Vaak wordt in dit verband Eliots Baudelaire-essay (1930) geciteerd, ook door Claes: ‘In zoverre we mens zijn, is wat we doen noodzakelijk goed of kwaad; in zoverre we kwaad of goed doen, zijn we mens, en paradoxaal genoeg is het beter kwaad te doen dan niets: zodoende leven we tenminste.’ In The Cocktail Party (1949) zegt Lavinia tegen de echtgenoot van wie ze vervreemd is: ‘Oh, Edward, I should like to be good to you  ̶  / Or if that’s impossible, at least be horrid to you  ̶  / Anything but nothing, which is all you seem to want of me.’ Niets of Tussenin is niet genoeg, er moet gekozen worden.

En zo beseffen we over wélke doden en wélke hel het gaat: niet over de hel van een concentratiekamp maar om de fletse hel van het ‘gewone leven’ en de sleur en de goede manieren, en over de geestelijk doden, om de niet schurkachtige middenmoot, de halfslachtigen, de lauwen, de vreesachtigen, de onverschilligen, de onpartijdigen, de ongeëngageerden die zich op de vlakte houden en alleen voor zichzelf zorgen…  ̶  kortom, de meeste mensen. Het thema keert obsessief terug in Eliots werk. Prufrock wil iets belangrijks maar komt er niet toe, hij blijft uitstellen en twijfelen, hij denkt aan wat ze over hem denken en zullen denken, hij leeft niet. Ook de onechtheid van het sociale spel heeft hier zijn plaats, de maskerade, ‘To prepare a face to meet the faces that you meet’.

De schimmen uit het voorhof klinken wel het uitdrukkelijkst in het sombere ‘The Hollow Men’ (1925): de sprekers zijn schijnfiguren, holle mannen en tevens ‘stuffed’, opgevulde, opgezette mannen, vogelverschrikkers, verdorden. Met deze messcherpe regels: ‘Shape without form, shade without colour, / Paralysed force, gesture without motion’ –

 

Vormloze gedaante, kleurloze schaduw,

Verlamde kracht, bewegingloos gebaar.

 

In ‘Ash-Wednesday’ horen we over christenen die zich niet ten volle geven, ‘Hen die wandelen in duisternis, die u [God] wilden en weerstaan, / […] kinderen aan de poort / Die niet weg willen gaan en niet kunnen bidden’. Het derde Ariël-gedicht, ‘Animula’, voert de volwassen mens op als ‘Niet in staat tot doorgaan of wijken, bang / Voor warme werkelijkheid, geboden goed’.  In het veel lichtere en veel vroegere ‘The Hippopotamus’ (1917), een blijvend aantrekkelijke satire waarin ‘de Ware Kerk’ wordt ‘vergeleken’ met een nijlpaard, is het motto weer van belang: het verwijst via Paulus’ brief aan de Kolossenzen naar Openbaring 3:14-20, de klassieke verwoording van Gods afkeer van de lauwen: ‘Was u maar koud of warm! Maar nu u lauw bent in plaats van warm of koud, zal ik u uitspuwen’ – met de logisch daaruit volgende oproep: ‘Zet u dus volledig in en breek met het leven dat u nu leidt!’ (Nieuwe Bijbelvertaling).

(Een invalletje: de verlamming bij Eliot zou verwant kunnen zijn met de fysieke verlamming van de echtgenoot in Lady Chatterley’s Lover (1928), en het bestaan dat die man en zijn vrouw aanvankelijk leiden is een verschrikkelijk voorbeeld van ‘niet echt leven’.)

 

Primitieven

Terwijl de stuntel Prufrock zich afvraagt hoe hij een conversatie kan beginnen, bekruipt hem een wensbeeld: ‘Ik zou liefst een stel ruige scharen zijn / Dat zich rept over de bodem van stille zeeën.’ Daarbij wordt vaak gedacht aan een achteruitlopende kreeft, geassocieerd met psychische regressie. Het is radicaal escapisme, verlangen om te vluchten in niet-menselijkheid en niet-bewustzijn. Aan het eind van het gedicht is sprake van een verblijf ‘in de zalen van de zee’, ‘Bij meisjes [sea-girls] door roodbruin zeewier omgeven / Tot mensentaal ons wekt, en wij verdrinken’. Een dagdroom waarin geen plaats is voor echte vrouwen en voor lastig, kwetsend sociaal verkeer – een buitenmaatschappelijke bubbel van passiviteit en onverantwoordelijkheid. (Het doet denken aan, in een heel ander register, de vrolijke Beatles-song ‘Octopus’s Garden’: ‘I’d like to be under the sea…’) Prufrock zoekt de uitweg uit zijn malaise in imaginaire primitiviteit.

Het onderzeese keert terug in ‘Mr. Apollinax’ (1916), dat in zekere zin Prufrocks tegenbeeld portretteert (gebaseerd op Bertrand Russell): een ongegeneerd wilde prater en sater, die een nette theepartij bijna op stelten zet. Hij lachte ‘als een ontoerekeningsvatbare foetus. / Zijn lach klonk oceanisch diep [submarine and profound] / Als die van de oude man van de zee / Verscholen onder koraaleilanden…’, en in de verbeelding van de ik-observator hangt er zowaar ‘zeewier in zijn haar’. Andermaal wijzen de zeebeelden op iets a-sociaals, en Apollinax is evengoed als Prufrock een outsider in keurig gezelschap; maar in plaats van te dromen leeft hij zijn eigenheid uit, hij ontsnapt metterdaad aan de drukkende conventies. En zo krijgen we meteen een andere variant of gedaante van het primitieve: de ruige, dierlijke man; – die komt nog veel nadrukkelijker naar voren in enkele gedichten over een aapachtige figuur, Sweeney. Soms wordt met groot misprijzen neergekeken op zo’n primitieveling, maar in het geval Apollinax lijkt hij veeleer te worden benijd. En allicht had toch ook Prufrock graag zo iemand willen zijn, want hij spreekt in opvallend woeste termen over wat hij niet kan doen: ‘To SPIT OUT all the butt-ends of my days and ways’, ‘To have BITTEN OFF the matter with a smile’. Juist als getemde denkt hij aan de mogelijke uitbraak of inbraak van iets wilds, en hij is er ook báng voor: voor het vitale, dat met zijn levenloosheid contrasteert.

Het primitieve of wilde treedt nog in andere vroege gedichten op, en met andere betekenisnuances. Het simpele societytafereeltje over de oude vrijster ‘Aunt Helen’ schildert weer iemand die een leven lang niet heeft geleefd, en haar dood ‘leidt tot losbandigheid bij het kort gehouden personeel’ (Claes). In ‘The Hippopotamus’ staat het nijlpaard, ‘breeduit in de moddervloed […] enkel vlees en bloed’, tegenover de onfeilbare Ware Kerk – met aan het eind een ruwe omkering, de Kerk zit in het moeras. En dan dit, een tikkeltje verontrustender toch: ‘De anonieme “Jood” in “Gerontion” en de Joodse Bleistein in “Burbank with a Baedeker: Bleistein with a Cigar” worden voorgesteld als primitieve levensvormen die zich reproduceren in de marges van de menselijke gemeenschap’; de ene is ‘spawned’ (kuit schieten, uitstoten) in een Antwerps estaminet, de tweede zien we als een oog dat staart vanuit ‘protozoic slime’ (zeg maar ‘oerslijm’). (Donald J. Childs, Modernism and Eugenics, 2001) En ten slotte, in het religieuze ‘Marina’ (1930) wordt dierlijkheid tot een vorm van zondigheid.

 

Woorden

Prufrocks ongeluk is onder meer, dat zal duidelijk zijn, een taalprobleem: hij krijgt ‘het’ niet gezegd. Er wordt wel gebabbeld in het gedicht, culturele dames kletsen over Michelangelo, en Prufrock vreest dat ze straks zijn uiterlijk zullen bekritiseren; ze hebben ogen die je fixeren met een ‘formulated frase’ (‘beleefdheidsfrase’), die je reduceren tot een formule, een etiket. En zelf praat hij wel een beetje mee, maar hij durft of kan niet spreken over de gore straten waardoor hij gekomen is, en nog minder durft of kan hij de vraag stellen die hem bezighoudt, de ‘overwhelming question’ waarvan hij meent dat ze ‘het heelal [kan] verstoren’. Het gaat om meer dan één belangrijke vraag aan één andere persoon; het gaat om de sprong van niets naar alles, om ridicule nederigheid en dito zelfverheerlijking. Het moment gaat voorbij, en dan bedenkt hij:

 

Had het iets uitgehaald

Glimlachend met de deur in huis te vallen, [bitten off the matter with a smile]

Het heelal samen te persen tot een bal en

Tot een verpletterende vraag te rollen,

Te zeggen: ‘Ik ben Lazarus, die uit de dood

Is opgestaan om je alles, alles uit te leggen’ – [tell you all]

Als iemand die een kussen verschikte achter haar hoofd

Zei: ‘Dat is helemaal niet wat ik bedoel.

Nee, dat is niet wat ik wou zeggen.’

 

Welke Lazarus zou Alles gezegd hebben? Niet, denk ik, degene die door Jezus uit de dood werd opgewekt, maar die uit de parabel in Lucas 16:19-31. In het kort: de rijke man, die in de ‘hel’ zit, vraagt dat de bedelaar Lazarus, die bij Abraham in de ‘hemel’ is, zijn broers op aarde zou gaan waarschuwen, opdat die later niet op hun beurt door slecht gedrag in de martelingen belanden; maar Abraham weigert: ze zullen evenmin naar een verrezene luisteren als dat ze naar de profeten geluisterd hebben. Ook de ‘dode’ Prufrock weet dat ze niet zouden luisteren als hij alles kwam zeggen, ze zouden hem niet eens verstaan, het zou niets uithalen. ‘It is impossible to say just what I mean!’ Hij kan niet zeggen waar het op aankomt – maar de taalonmacht is uiteraard ook, ruimer, een onmacht om zinvolle relaties met anderen aan te gaan. Apollinax met zijn charmante gepraat vormt een pover alternatief.

In ‘The Hollow Men’, een gedicht van ‘doden’ waarin taaldegeneratie een rol speelt, wordt geklaagd: ‘Onze verdorde stemmen, als / Wij samen fluisteren, / Klinken stil en zinloos / Als wind in dor gras / Of rattenpoten over scherven glas / In onze droge kelder’.

De latere, christelijke verzen in dit boek snijden een op het eerste gezicht heel andere taalproblematiek aan, die van het Woord dat vlees geworden is in de woordenloze boreling Jezus (‘Word without a word’), het Woord dat tevens licht is en in de duisternis priemt. Het vijfde deel van ‘Ash-Wednesday’, zet u even schrap, begint zo:

 

Als het verloren woord verloren is, het verspilde woord verspild

Als het ongehoorde, onuitgesproken

Woord niet uitgesproken, niet gehoord is,

Blijft het onuitgesproken woord, het ongehoorde Woord,

Het Woord buiten een woord [Word without a word], het Woord binnen

De wereld en voor de wereld;

En het licht scheen in de duisternis en

Tegen het Woord wervelde de niet gestilde wereld verder [the unstilled world still whirled]

Rondom de spil van het stilzwijgende Woord.

[…]

Waar is het woord te vinden, waar zal het woord

Weerklinken? Niet hier, het is er niet stil genoeg,

[…]

Voor hen die wandelen in duisternis

[…]

Geen tijd van verblijden voor wie wandelen in gedruis [noise] en de stem

bestrijden

 

Moeilijk maar niet warrig: het Woord is stilte en valt niet te verzoenen met de ongestilde, wervelende wereld van het lawaai – met de woorden van de wereld. Uiteindelijk ligt dit, me dunkt, niet zo ver van Prufrock en zijn ‘verpletterende vraag’ die het heelal zou verstoren. Staan niet telkens de woorden van niets tegenover het woord dat ertoe doet? Maar Prufrocks verbeelding bood geen oplossing, anders dan het ware Woord.

 

Realiteiten

Dat kunnen boeiende kwesties zijn, al zal niet elke hedendaagse lezer er affiniteit mee voelen, maar hoe boeiend of ‘goed’ zijn de teksten zelf? ‘Op alle niveaus blijkt de poëzie van Eliot […] even complex als subtiel’, schrijft Claes.

Het valt toch een beetje tegen, wat mij betreft. Vele strofen, fragmenten, regels… vind ik nog altijd schitterend en onvergetelijk, maar tegelijk kunnen weinig gedichten me in hun geheel overtuigen, en in de eerste twee bundels zitten er echt onbenullige. Soms is de zegging zo onnoemelijk gekunsteld en verkrampt, soms zijn de opgeroepen milieus en situaties zo onherroepelijk vreemd, dat het allemaal hopeloos gedateerd aandoet. Een aantal vroege gedichten zijn op de meest letterlijke manier ‘niet de moeite waard’: niet waard dat je er de inspanning voor doet die ze vereisen. Dat ligt anders met de derde afdeling uit dit boek, maar daar rijzen nieuwe hinderpalen; de Ariël-gedichten aan het eind zijn erg mooi, maar ze worden voor mij verpest door hun morbide kant: doordat hun godsdienstigheid altijd weer uitdraait op verlangen naar de dood (waarin we tot het Ware Leven zullen worden geboren).

Zo kom ik bij Eliots ‘wereldbeschouwing’. Je zou – een beetje schematisch – kunnen stellen dat zowel in de verzen van voor de ‘bekering’ als die van daarna de werkelijkheid niet alleen als onleefbaar maar ook als betekenisloos en schimmig wordt voorgesteld, een schaduwwereld met schaduwachtige figuren; het verschil is dat er zich in de eerste groep helemaal geen licht of uitweg aandient (tenzij een vorm van dierlijke primitiviteit), terwijl in ‘Ash-Wednesday’ en de ‘Ariël Poems’ gekozen wordt voor een Hogere Andere Werkelijkheid. Er is geen oplossing mogelijk binnen de menselijke maatschappij en geschiedenis, in wezen there is no such thing as society. Georg Lukács vertelde geen stalinistische flauwekul toen hij Eliot als een antirealistische schrijver karakteriseerde. Wat Eliot te vertellen heeft over de verworpen realiteit is niet veel zaaks, het blijft bij heel oppervlakkige (en zelfgenoegzame) indrukken, ondanks ironie en erudiet vertoon.

Maar je zou het ook anders kunnen bekijken, vertrekkend van het feit dat Eliot de sociale realiteit tenminste niet aanvaardt zoals ze is, dat hij zich er niet mee verzoent: misschien biedt juist die afwijzing iets ‘positiefs’, of althans een aansporing om iets positiefs te zoeken: ‘breek met het leven dat u nu leidt!’ En in elk geval zou het thema van de ‘holle mensen’ ons moeten bezighouden, of dat van de holle woorden. Wie wat tv kijkt of rondstruint op sociale media en digitale nieuwssites wordt vaak genoeg bevangen door een gevoel van helse onwerkelijkheid. En leven we niet in een morele sfeer die verlangt dat we niet het kwade doen, maar bij voorkeur evenmin het goede? Zo bezien – en enigszins tegendraads gelezen – bevat Eliots werk (ook zijn toneel!) zeker dingen die ‘redding’ verdienen, ten behoeve van lezers die niet slapend willen leven.

 

Levensfeiten

Voor zover ik het kan overzien zijn de vertalingen in Gedichten 1917-1930 in het algemeen degelijk of meer dan dat. Je kunt gaan vergelijken met de oudere versies (Nijhoff, Van der Plas, Voeten…) die zijn verzameld door W. Bronzwaer (Eliot, Gedichten, met commentaar, Ambo 1983 – nog steeds lezenswaard), en dan zul je bijna altijd constateren dat Claes beter is. Niettemin stuit ik geregeld op twijfelachtige elementen, maar die hebben te veel uitleg nodig om er verder op in te gaan.

De inleidingen en aantekeningen zijn voor het grootste deel nuttig en niet overdreven uitvoerig; nu en dan interpreteert Claes nogal eigenzinnig, maar dat kan geen kwaad. In mijn ogen hecht hij wel een overmatig belang aan de levensfeiten van de dichter. Ongetwijfeld valt, met behulp van biografische ‘achtergrond’, in deze poëzie vaak ‘veel persoonlijke ellende van de schrijver’ te ‘herkennen’, terwijl hij erop uit was die op diverse manieren te ‘verhullen’ en te ‘verbergen’; maar dat geldt voor héél veel dichters en gedichten; en, vergeef me de banaliteit, het gedicht kan me maar iets zeggen in de mate dat het boven dat persoonlijke uitstijgt, en ik er dus iets niet-individueels in kan ‘herkennen’. Bij Eliots verbergen van particuliere gegevens vangt de noodzakelijke ont-individualisering aan.

‘The Hollow Men’, ‘dat vaak wordt gelezen als een sociale kritiek op de geestelijke leegte van de moderne mens, is ontstaan uit de wanhoop van de dichter’, schrijft Claes. Ik geloof het direct, maar de informatie die we krijgen over Eliots ‘zenuwinzinking’ en zijn stukgelopen huwelijk voegt zo goed als niets toe aan mijn begrip van het gedicht. De primitieve Sweeney-figuur wordt door Claes vereenzelvigd met Bertrand Russell (die een affaire had met Eliots vrouw); godweet terecht, maar opnieuw: ik heb er weinig aan, en het is lichtelijk belachelijk iets te moeten lezen als: ‘Russell, alias Sweeney, die alleen zijn seksuele instincten volgt, gedraagt zich [volgens Eliot] als een beest’. (Dit gezegd zijnde: ik vind die Sweeney-teksten hoe dan ook miserabel.) De biografische aanpak leidt natuurlijk ook tot triviale Weetjes.

Maar uiteindelijk blijven al mijn bedenkingen marginaal. Deze Eliot-uitgave maakt een aantal in historisch opzicht essentiële teksten toegankelijker voor Nederlandstaligen, en ze staat op een hoog niveau. Iedereen die geïnteresseerd is in modernistische poëzie zou er kennis van moeten nemen.

 

Recensie: Gedichten 1917-1930 van T.S. Eliot door Joris Note

Koppernik, Amsterdam, 2019
Vertaald door: Paul Claes
ISBN 9789492313812
223p.

Geplaatst op 13/04/2020

Tags: Dante, Gedichten 1917-1930, Kamau Brathwaite, Paul Claes, T.S. Eliot

Categorie: Poëzie, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.