Geschiedenis, Recensies

Buruma’s fatale jongensdroom

Het Churchillcomplex

Opkomst en ondergang van de Anglo-Amerikaanse orde

Ian Buruma

In de ondertitel van een in 2020 door Jan Postma samengestelde essaybundel sijpelt de kritiek door die in de kop voor een welwillend oog ontbreekt. Jongens waren we. De problematische sekse in de literatuur. Het tweede deel van de bekende openingszin van Nescio’s Titaantjes (1915) waar de titel naar verwijst, ‘Jongens waren we, maar aardige jongens’, impliceert dat dat ene woord al zo’n negatieve lading in zich draagt dat het daarom meteen moet worden gecorrigeerd. In jongensboeken worden jeugdige mannen vaak gerepresenteerd als avontuurlijk of ondeugend, ze kijken nog met een frisse blik de wereld in, zijn wars van opgelegde conventies en betuttelende regels, zijn naïef en slaan in hun enthousiasme soms de plank mis. En de kringen waarin zij zich bevinden zijn nog overzichtelijk. De individuen zijn in twee kampen in te delen: goed en fout. Al deze karaktereigenschappen kunnen doorslaan, in bijvoorbeeld hybris, of een doorwrongen manicheïstisch wereldbeeld, het aanhangen van gemythologiseerde persoonlijkheidscultussen en niet-onderbouwde grootspraak die zelfs soms neigt naar gezwets. Wat de ware aard van de knaap is – en of die überhaupt bestaat – is hier irrelevant. Het punt dat ik wil maken is dat Ian Buruma’s nieuwste werk, Het Churchillcomplex, een onvervalst jongensboek is, met alle kwalijke gevolgen van dien.

Buruma behoort tot de intellectuele crème de la crème die Nederland heeft voortgebracht. Wie zijn palmares bekijkt, ziet dat er terecht op de omslag staat dat hij een ‘wereldberoemd essayist en historicus’ is. Hij werd in 2008 beloond met de Erasmusprijs en kreeg in 2019 De Gouden Ganzenveer toegekend. Hij was korte tijd hoofdredacteur van The New York Review of Books, het blad dat zonder overdrijven de intellectuele hoogmis van de Angelsaksische wereld genoemd kan worden, kreeg een eredoctoraat van de Rijksuniversiteit Groningen, bezette de prestigieuze Cleveringaleerstoel aan de Universiteit Leiden en was ruim een decennium hoogleraar mensenrechten en journalistiek aan Bard College in New York.

Buruma begint zijn boek met herinneringen aan zijn jeugd: Winston Churchill was een mythisch persoon voor de jonge Ian, die opgroeide in Den Haag (1951) als kind van een Nederlandse vader en een Britse moeder. De man met de onafscheidelijke sigaar en zijn V-teken stond symbool voor een land dat net zijn finest hour had beleefd. Met haar rug tegen de muur zei het Verenigd Koninkrijk in 1940 nee tegen Hitler en was daarmee het enige land dat in West-Europa weerstand kon bieden tegen de Wehrmacht en de Luftwaffe. Aan dit narratief werd de naam van een stad verbonden: Duinkerken, de plaats waar het Britse leger van het vasteland werd geëvacueerd gedurende de lente waarin de nazi’s de legers van Frankrijk, België en Nederland onder de voet liepen. Buruma zet deze pijlers van een roemruchte Britse nationale identiteit af tegen twee andere namen die symbool zijn komen te staan voor nederlaag, overgave, vernedering en weglopen voor je verantwoordelijkheid. In 1938 sloot de Britse premier Neville Chamberlain in München een verdrag met Hitler waardoor de nazi’s Sudetenland in Tsjecho-Slowakije konden innemen. ‘Peace for our time’, is de befaamde leus waarmee de regeringsleider de deal verdedigde. Chamberlain en München enerzijds, Churchill en Duinkerken anderzijds. De legendarische overwinning of de smadelijke nederlaag.

Aan de hand van deze gemythologiseerde voorstelling van het verleden schetst Buruma de relatie tussen de Verenigde Staten en Groot-Brittannië vanaf Churchill en Roosevelt tot aan het heden. Hij laat zien hoe deze Special Relationship werd en wordt vormgegeven in speeches en memoires van de Amerikaanse staatshoofden en Britse regeringsleiders. Buruma schrijft ‘geen verhaal over instituties,’ zo zegt hij, maar ‘over de ontwikkeling en erosie van een idee’. Om dit fantoom te grijpen en te ontleden – want wat is een idee meer dan dat? – vertelt hij ‘het verhaal van deze leiders en van hun onderlinge relaties’, want hij is van mening dat dit ‘ook het verhaal [is] van hun respectieve [sic] landen en van de manier waarop ze de rest van de wereld hebben beïnvloed, zowel in het Westen als het Oosten’. Dat deze insteek resulteert in grote-mannen-geschiedschrijving, waarin de enige vrouwelijke rol wordt vertolkt door Iron Lady Margaret Thatcher, mag meteen duidelijk zijn. Maar Buruma’s moeite verdient het om, voordat zijn kinderlijkeenvoudige kijk op de geschiedenis terzijde wordt geschoven, besproken te worden op basis van wat hij heeft geschreven.

De namen van de koppels die hij noemt spreken op zich al tot de verbeelding, net als de gebeurtenissen die tot de canon van de naoorlogse Westerse geschiedenis behoren. Buruma legt dit luisterrijk vast met beeldende details. Churchill en Roosevelt legden de basis voor de liberale Atlantische orde van na 1945 en de oud-premier sprak in 1947 over de plicht van Groot-Brittannië en de Verenigde Staten om zich

duidelijk en onbeducht uit te spreken over de geweldige beginselen van vrijheid en de rechten van de mens die het gemeenschappelijke erfgoed vormen van de Engelssprekende wereld en die via de Magna Carta, de Bill of Rights, habeas corpus, de juryrechtspraak en de common law hun beroemdste uitdrukking vinden in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring.

Treffend schetst Buruma de sfeer waarin Eisenhower en MacMillan spraken over wereldpolitiek na de Britse afgang tijdens de Suezcrisis: in een informele setting in de Mid-Ocean Club waar de twee mannen in pyjama discussieerden over de ondergang van the Empire en de stand van de wereldpolitiek. Thatcher in haar wollen mantel op bezoek in Camp David bij Reagan, gekleed in een leren jack en cowboylaarzen, waar ze hun neoliberale omwenteling bespreken. Blair en Bush joggend bij de ranch van de Amerikaanse president in 2002, waar ze verkennende gesprekken voeren voor de Irakoorlog van het jaar erop. Aan de hand van de persoonlijke relaties meandert het boek van toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de Europese Economische Gemeenschap in 1973, via de Joegoslavië-oorlogen van de jaren 90 en de Jom Kippoeroorlog, tot de revoluties in de Arabische wereld, de ontmanteling van het Britse imperium en nog veel meer. Buruma schrijft met een fluwelen pen geschiedenis aan de hand van ideeën, drank en diners, opgesmukt met gemythologiseerde mythische jaartallen en namen. Hiermee staat hij ver af van academische geschiedschrijving die, volgens critici, te veel op vakgenoten is gericht en te weinig op een breder publiek

Historiografische hiaten

Een gedachtenexperiment. Over dertig jaar schrijft een historicus een boek over Black Lives Matter en de auteur onderzoekt, om het idee van de beweging te begrijpen, de memoires van Donald Trump en Boris Johnson. Immers, zo stelt Buruma dus, ‘het verhaal van deze leiders en van hun onderlinge relaties is ook het verhaal van hun respectieve landen’. Of nog beter: de tweets van de Amerikaanse president, waarin de opruier in het Witte Huis de beweging onder meer wegzet als ‘symbool van haat’. Dit idee is zo absurd, zo onrealistisch, maar toch zou Buruma dit een geslaagde vorm van representativiteit vinden en hanteert deze in zijn boek. Hij had een alledaagse-mensen-geschiedenis over beide landen kunnen schrijven en in de voetsporen van Howard Zinns A people’s history of the United States (1980) kunnen treden. Of de claim dat enkele individuen de levens van miljoenen kunnen representeren laten vallen. De reden waarom grote-mannen-geschiedschrijving al een kleine zestig jaar onder vuur ligt en met argwaan wordt bekeken door professionele historici, is dat die zoveel weggumt: economische en sociale structuren doen er niet toe, overheidsinstituties doen er niet toe, alledaagse mensen doen er niet toe, binnenlandse politiek doet er niet toe, media doen er niet toe, cultuur doet er niet toe. Het enige dat overblijft om de geschiedenis te verklaren, zijn de persoonlijke motieven van enkele politici. Voer voor psychologen, niet voor historici. Wat onverlet laat dat Buruma zich wel van psychologie van de koude grond bedient. Want waarmee komt hij op de proppen als hij Trump, Brexit en andere uitingen van rechts populisme aan beide zijden van de Atlantische oceaan probeert te verklaren? Rancune.

Zou Buruma het werk van bijvoorbeeld Merijn Oudenampsen kennen, die een ideeëngeschiedenis van wat hij de Fortuynrevolte noemt heeft geschreven? Wat Oudenampsen op een overtuigende manier aantoont in De conservatieve revolte (2018) is dat de rechtse golf die de afgelopen dertig jaar over Nederland heen is gekomen niet een natuurverschijnsel is, maar het resultaat van een groep intellectuelen die een ideeënstrijd aangingen. En wat voor Nederland is geschreven, bestaat ook voor de Angelsaksische landen. ‘Immigranten uit arme landen,’ schrijft Buruma, ‘werden ondertussen gezien als een bedreiging voor de werkgelegenheid van de oorspronkelijke bevolking.’ Hoe zijn de rancuneuze mensen tot dit idee gekomen? Kan dat onder andere liggen aan Britse tabloids die migranten framen als gelukszoekers, parasieten en criminelen, zoals dit rapport van de UNHCR stelt? In Het Churchillcomplex kan je het antwoord niet vinden.

Ook Tony Blair, de man die politiek medeverantwoordelijk was voor een illegale oorlog, een feit waarvoor men in theorie voor het Internationale Strafhof in Den Haag zou moeten verschijnen, moet op de sofa bij Buruma. ‘Veel mensen denken dat Blair niet meer was dan de poedel van Amerika,’ veronderstelt hij. ‘Maar wie zo redeneert ziet een belangrijk punt over het hoofd. Blair was een ware gelovige.’ Naast de rariteit van de reductie van tien jaar Britse buitenlandse politiek tot de religieuze ervaring van één persoon (waardoor alle andere actoren, zoals multinationale ondernemingen, instituten zoals de NAVO of de EU, historische relaties, etc. buiten beeld worden gelaten), is het bevreemdend dat Buruma op afstand in het hoofd van Blair kruipt om te zien wat de laatste dacht. Natuurlijk doen historici dat ook aan de hand van egodocumenten, memoires en andere bronnen, maar op dat vlak laat Buruma wederom zien dat hij geen kaas heeft gegeten van geschiedschrijving. Om de besluitvorming van de Britten in de Kosovocrisis van 1999 te begrijpen, pakt hij de memoires van Blair erbij. ‘In een van de fascinerendste passages van zijn memoires beschrijft Blair hoe hij rond die tijd in de bibliotheek van Chequers op de dagboeken van Chamberlain stuitte. Hij las over diens ontmoeting met Hitler in 1938, toen de Britse leider besloot “vrede voor onze tijd” te kopen en Tsjecho-Slowakije op te offeren.’ Een journalistiek cliché luidt dat je een goed verhaal niet moet doodchecken, maar in tegenstelling tot een verslaggever moet een historicus dat wél doen. Analyseer, wik en weeg, schat de betrouwbaarheid in. Heeft een politicus er belang bij om zichzelf en zijn overwegingen te legitimeren? En wat is dan de waarde van de persoonlijke herinneringen van zo’n voormalige ambtsdrager als je wilt weten wat er daadwerkelijk gebeurd is?

Ik richt me niet op de ‘kleine’ fouten in Het Churchillcomplex – in ieder boek kunnen onvolkomenheden zitten – hoewel tweemaal Giscard d’Estaing de opvolger van François Mitterrand noemen wel erg slordig is. De minachting die van Buruma’s woorden afdruipt als hij spreekt over ‘ongeregelde voetbalhooligans’ tijdens de Egyptische revolutie, een groep die zich tegen een autoritaire politiestaat keert die bewapend wordt door de politici die hij als beschaafde heren portretteert, is stuitend. En ik weet niet of onjuistheden over Srebrenica in de categorie kleine fouten vallen, maar Buruma kan zich het jaar van de grootste genocide in Europa sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog in ieder geval niet correct herinneren. De grote euvels zijn het echte probleem.

Liberale leugens

Buruma schrijft vlot over de jaren dat Thatcher en Reagan aan de macht waren en noemt het door hun voorgestelde economisch beleid ‘een radicale vorm van economisch liberalisme’. ‘Belastingverlagingen, deregulering, ongebreidelde vrijhandel, een aanbodeconomie, terugdringen van de overheid en beperken van de macht van de vakbonden waren de ingrediënten van het recept om de vooraanstaande positie van zowel de Verenigde Staten als het Verenigd Koninkrijk te herstellen’, aldus Buruma. Deze platitudes over het economisch beleid van deze politici, gecombineerd met het begrip ‘neoliberalisme’, dat hij flankeert door aanhalingstekens, laten zien dat de schrijver bijna vijftien jaar aan academisch debat over dit onderwerp heeft gemist en daarvoor in de plaats gemakzuchtige en onjuiste observaties uit zijn mouw schudt. De verschijning van The Birth of Biopolitics in 2008, de Engelse uitgave van Michel Foucaults collegereeks van ’78-79 aan het Collège de France, zorgde voor nieuwe inzichten in de geschiedenis en aard van het neoliberalisme. Het gaat over de verschillen tussen liberalisme en neoliberalisme en de Franse filosoof laat aan de hand van de primaire werken van economen en sociologen zien dat neoliberalisme juist geen radicale vorm van economisch liberalisme is en dat het niet het terugdringen van de overheid behelst. De staat wordt juist vaak gebruikt om marktnormen te implementeren en om erop toe te zien dat alle actoren zich aan de opgelegde regels houden. Sindsdien zijn er meer dan honderden publicaties verschenen die hierop voortbouwen. The Great Persuasion (2012) van Angus Burgin bijvoorbeeld. Of Globalists (2018) van Quinn Slobodian, dat gaat over de ontmanteling van het Britse imperium en de institutionalisering van globaal neoliberalisme. Toevallig gaat Het Churchillcomplex ook over het instorten van het koloniale rijk, maar Buruma vond het niet nodig om aan dit werk te refereren. Als zelfs enkele aartsvaders van het neoliberalisme, zoals Friedrich Hayek en Milton Friedman, zich expliciet onderdeel van ‘de neoliberale beweging’ noemen, wie is Ian Buruma dan om in twijfel te trekken of het neoliberalisme wel bestaat?

Ook zijn ideeën over de Tweede Wereldoorlog overstijgen die van een eerstejaars handboek algemene geschiedenis niet. Buruma schrijft:

Niemand heeft ooit bevredigend kunnen uitleggen waarom Hitler zo roekeloos was om de Verenigde Staten de oorlog te verklaren op het moment dat hij zijn handen al overvol had aan de Sovjet-Unie. Maar zijn ideeën over Amerika waren zowel kenmerkend voor de gebruikelijke opvattingen van dictators over democratische landen als voor Hitlers eigen politieke en raciale vooroordelen: ‘Voor het amerikanisme voel ik slechts haat en een diepe weerzin. […] Uit alle gedragingen van de Amerikaanse samenleving blijkt dat deze half verjoodst en voor de andere helft vernegerd is.’

Waarom haatte Hitler Amerika? Vanwege haar vrijheid, aldus Buruma. Een mantra dat ook herhaald wordt zodra Amerikaanse presidenten hun straatje over dronesoorlogen, coupes, of andere buitenlandse inmengingen moeten schoonvegen. James Whitman, hoogleraar rechten aan Yale, trekt in zijn laatste boek Hitler’s American Model (2017) het tapijt onder de Angelsaksische zelfvoldaanheid vandaan. Ter inspiratie voor de Neurenberger rassenwetten van 1935 keken de nazi’s gretig naar de bestaande wetgeving in de Verenigde Staten over burgerschap en de regulering van seks en huwelijk. Vooral de regels over ‘interraciale’ huwelijken waren een inspiratiebron voor de nazi’s. Whitman benadrukt daarbij dat het niet enkel om de Jim Crow-wetten in het Diepe Zuiden gaat. Ook in het Noorden, in New England met zijn Ivy Leaugeuniversiteiten, zagen de nazi’s een voorbeeld van hoe een hiërarchische rassenmaatschappij opgebouwd kon worden. Wat schreef Hitler zelf over de Verenigde Staten? ‘Door ongezonde elementen principieel de toegang te weigeren, en de grenzen eenvoudig te sluiten voor bepaalde rassen geeft de Unie al – zij het ook nog in uiterst geringe mate – blijk van een opvatting, die aan de volksstaat idee eigen is’, staat in Mein Kampf (1925). En de grote trek westwaarts in de negentiende eeuw, de uitroeiing van de Native Americans, gelegitimeerd door de mythe van de manifest destiny, is een voorbeeld voor de verovering van Lebensraum voor de nazi’s in Midden- en Oost-Europa. De Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zijn geen Nazi-Duitsland en iedere absolute gelijkstelling is een gotspe, maar door de raciale ideeën die leefden in deze Engelssprekende landen te negeren, wist Buruma de geschiedenis van kolonialisme uit die intrinsiek verbonden is met het door hem zo aanbeden liberalisme.

Het is niet alleen Whitman die de verbanden tussen racisme, kolonialisme en de Tweede Wereldoorlog legt. In deel twee van The Origins of Totalitarianism (1951) wijst Hannah Arendt naar het modern imperialisme, met haar bureaucratie, haar legers, haar wetten, als een van de proeftuinen van de geweldsmachine die later als een boemerang zal terugkeren naar het Europese continent. Pankaj Mishra, een vriend en collega van Buruma die wel oog heeft voor wat er buiten de kring van naar binnen gekeerde liberale en kosmopolitische intellectuelen gebeurt, schreef:

Arendt observes that it was Europeans who initially reordered ‘humanity into master and slave races’ during their conquest and exploitation of much of Asia, Africa and America. This debasing hierarchy of races was established because the promise of equality and liberty at home required imperial expansion abroad in order to be even partially fulfilled.

Wie de geschiedenis negeert, heeft geen oog voor het heden. De grote idealen van trans-Atlantische samenwerking, vrijheid, liberalisme, vrijhandel, mensenrechten en nog meer beloftes van vooruitgang klinken op papier heel mooi, maar er een boek over schrijven en de realiteit van Guantanamo Bay niet onder ogen komen, leidt tot een farce. ‘Maar de Anglo-Amerikaanse wereld waar ik naar opkeek tijdens mijn jeugd, misschien wat naïef, maar wel om redenen die gebaseerd waren op de historische waarheid, heeft ernstig schade opgelopen’, concludeert Buruma. Van iedere introspectie gespeend blijft hij geloven in een droom die voor miljoenen mensen op deze aarde een nachtmerrie van buitenlandse bombardementen, overheersing en plundering was. Tragisch.

Een recensie over Het Churchillcomplex. Opkomst en ondergang van de Anglo-Amerikaanse orde van Ian Buruma (vertaald door Arthur Wevers) door Teun Dominicus.

Atlas Contact, Amsterdam, 2020
Vertaald door: Arthur Wevers
ISBN 9789045041902
367p.

Geplaatst op 21/03/2021

Tags: Buruma, Churchill, Obama, wereldgeschiedenis

Categorie: Geschiedenis, Recensies

Reacties

  1. H.C. ten Berge

    Jammer dat de auteur van deze bespreking tot twee maal toe onzijdige woorden vervrouwelijkt: het Verenigd Koninkrijk heeft een vrouwelijke rug [‘met HAAR rug tegen de muur’], terwijl het imperialisme met HAAR bureaucratie, HAAR legers, HAAR wetten wordt verbonden… De gewoonte om onzijdige woorden als vrouwelijk te behandelen is de laatste jaren helaas ook wijd verbreid in Nederlandse persorganen.

    Beantwoorden

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.