Het grote verband

Archaïsch de dieren

Hester Knibbe

De Rotterdamse dichter Hester Knibbe (1946) werkt graag samen met grafische kunstenaars. Zo publiceerde ze in 1999 de bundel Antidood met tekeningen van Bep Scheeren en verscheen in september 2013 de gedichtenreeks Er is altijd als een bibliofiele uitgave met linosneden van Cees Andriessen. Ook Knibbes jongste bundel Archaïsch de dieren (waarin ‘Er is altijd’ overigens opnieuw is opgenomen) zit in een mooi jasje. Op de lichtgrijze achtergrond prijkt een tekening die Wim Hofman voor de bundel heeft gemaakt. Deze prent van twee trekdieren doet vrij rudimentair, zelfs kinderlijk naïef aan. De lange horens van de dieren doen denken aan de uitgestorven oeros. Door de tweedimensionaliteit van de afbeelding lijken de dieren zelfs op fossielen. Dat maakt een eerste (letterlijke) interpretatie van de titel Archaïsch de dieren alvast mogelijk. Beide ossen zijn bovendien met elkaar verbonden door een juk waarmee ze een vierwielige kar voorttrekken. De kar symboliseert wellicht de vermeende superioriteit van de mens: die waant zich modern en geciviliseerd maar is al even archaïsch als de dieren die hij aan zich onderwerpt.

De omslagtekening zinspeelt op de tijdloze vragen over de mens en de wereld die Knibbe in Archaïsch de dieren aan de orde stelt. De bundel telt twee afdelingen (‘Vrijspraak voor Kaïn’ en ‘Er is altijd’). De eerste afdeling bestaat op haar beurt uit vier reeksen: ‘Pro domo’, ‘Zog’, ‘Lichaampje’ en ‘Archaïsch de dieren’. Knibbe geeft het woord alternerend aan een ‘wij’, een ‘jij’ en een ‘ik’ en houdt die verschillende stemmen bewust inwisselbaar om zo de universaliteit van de gedichten te garanderen. Ook de afwisseling tussen een historisch en een hedendaags decor en tussen verleden en tegenwoordige tijd laat zien dat de dichter lak heeft aan strakke tijdruimtelijke grenzen. Kaïn in T-shirt, Facebook te Thebe: in Knibbes poëtische wereld zijn dergelijke anachronismen legio.

Referenties als Kaïn, Thebe, Adam en Sicilië wijzen op Knibbes preoccupatie met de Bijbel en de klassieke oudheid. Het ‘archaïsche’ dat de titel en de omslagillustratie evoceren, vormt dus ook een belangrijk inhoudelijk kenmerk van de bundel, vooral dan in ‘Vrijspraak voor Kaïn’. Het verre verleden voedt bovendien ook andere van haar bundels. Voor De buigzaamheid van steen (2005) haalde ze inspiratie uit runenstenen en oud-Egyptische beelden, voor Bedrieglijke dagen (2008) uit de Griekse mythologie. Als een ware archeologe legt Knibbe het verleden bloot en onderzoekt ze wat daarvan de waarde kan zijn voor onze eigen tijd. In Archaïsch de dieren beklemtoont ze meermaals de gelijkenissen tussen de mens van nu en die van toen. Een hedendaags vleesfestijn bijvoorbeeld verschilt nauwelijks van een offerritueel:

Aan het spit draait het lam, poten
gebonden, kop nog verbijsterd. Denk

eeuwen aan tijd weg, sta je plots naast
een oud offer: een lam voor een gedachte
een kind voor gunstige wind, het hart
van een wiegeling om eigen lijf
veilig te stellen.

De menselijke conditie is onveranderlijk, zo lijkt Knibbe te suggereren. Twijfels en onzekerheden, zoals ‘de angst om de wind / in het zeil te verliezen, eigen ziel / te zien vliegen’, blijven ons parten spelen. Voortdurend ‘herhalen’ we ‘oude gebaren’ en ‘herkauwen’ we ‘oude problemen’. Dat geldt ook voor de erfzonde, die het nageslacht telkens weer en ondanks alles naar het kwaad leidt. Uiteindelijk zijn we allemaal daders: ‘Eén / moet de eerste zijn, maar wij hebben / ze zelf geleerd hoe je doodslaat, vilt om // honger te stillen of voor een extra huid / over rug schouders en naaktheid’. Kaïn uit de cyclus ‘Pro domo’ dient bij uitstek als het archetype dat maar niet wil leren van de fouten van zijn voorouders, want

ondanks
alle heimweeverhalen van onze ouders
over hoe vrede o vrede eruitziet moest hij
het lam grijpen en slachten om zelf hoger
te stijgen.

Het laatste enjambement illustreert dat het verhoopte opstijgen van de mens uiteindelijk neerkomt op een val. Bij wijze van tegenstem verwoordt Kaïns moeder in de reeks ‘Zog’ dan weer de twijfels van iedere ouder die zich afvraagt waar hij of zij heeft tekortgeschoten. Met de thematiek van het ouderschap krijgen Knibbes reflecties over de opeenvolging van generaties een heel concrete invulling.

Een zekere fatalistische gedachte is in Knibbes gedichten niet afwezig. Niet alleen dragen mensen de last van de erfzonde, ook het eigen lichaam verleidt hen al te vaak tot verkeerde keuzes. Het valt op dat Knibbe mensen vaak louter beschrijft als biologische organismen: ze zijn een ‘broos lichaampje waarin adem / zich ophoopt en uitrekt’. Het lichaam fungeert daarbij als een betekenisvolle pars pro toto die de mens tot zijn lijfelijkheid reduceert en die suggereert dat bewustzijn, ethiek en vrije wil ons handelen niet kunnen sturen. Vooral seksuele drift en honger drijven de personages uit de bundel voortdurend naar het kwaad. De grens tussen de mens en het dier (dat in de bundel in talloze vormen opduikt) wordt bijzonder flou: ‘zeg maar niks ik ken / de wetten van het dier dat ons / bewoont’. In de gedichten ‘Lichaampje 1-4’ en ‘Siciliaanse zangen 1-3’ belicht Knibbe de onontkoombare lichamelijkheid van het subject het meest. Knibbe situeert haar personages bijvoorbeeld tussen ‘bergen’, onder de ‘hemel’, in een ‘woestijn’ en in een eeuwige ‘maalstroom’ en legt zo de nadruk op de kleinheid van de stoffelijke mens in het grotere geheel van de tijd en de natuur. Symbolisch is ook de evocatie van een vulkaanuitbarsting in ‘Siciliaanse zangen 1’:

Die nacht waren de honden onrustig
voelden het onderaards grommen nog
door hun longen trekken, hun bek uit
rollen, de vurige tongen van de berg
brandden nog na op hun netvlies.

[…] Ondertussen

ging het tekeer in de lijven van zomaar
mensen ver weg die met naam en toenaam
stonden te snikken, misten, terug wilden
vinden, het onderhuids krimpen en scheuren
voelden, die grommende stilte.

De donkere o-klanken van de vulkaan overstemmen daarbij de fragiele i’s van de slachtoffers. Het thema van het breekbare lichaam gaat in Archaïsch de dieren meermaals gepaard met een fascinatie voor mismaaktheid en de dood. Als vanitasmotieven confronteren ze het subject met zijn eigen vergankelijkheid: ‘Al die omhulsels / waar het lijf uitgesleurd, – gesneden, dood // walmt weezoet op de stoep en in de rivier / trappen de jongens scheefoog en krentenbaard / zich lam een verdienste’.

De mens is volgens Knibbe gedurig op zoek naar kennis. Het begint al bij de zondeval. De eerste mensen ‘spogen de pitten uit op de grond waardoor / beginsels ontsproten’. Zo ontdekten ze dat er iets moet bestaan ‘wat je aanvang zou kunnen noemen en einde’. Zoals dit ook voor lichamelijke behoeften geldt, is de honger naar kennis een doos van Pandora. Hoe meer we weten, hoe minder we weten: ‘We groeiden krom, ook dat // hoorde bij de alwetendheid die we ongewild / meekregen. En we wisten ons dom’. En hoe meer we weten, hoe meer we ons bewust zijn van onze macht: ‘We leerden de ander te mijden, eenvoud meervoud / ijdel’. Veel van Knibbes gedichten bevatten dan ook een verlangen naar een toestand van zalige onbewustheid, zoals de slaap of de dood. Dat verlangen wordt echter niet uitgesproken maar via symbolen gesuggereerd, bijvoorbeeld in het volgende gedicht:

Op een dag lag er zoveel boom in het water
dat het de bodem raakte, vissen zich klem
zwommen in het gebladerte. Besloot
de takken opzij te buigen, tussen het lover door
over te lopen. Zon schurkte al aan tegen nazomer terwijl
het begon te waaien. Hield me vast, aarzeling wilde me
omblazen en ik vroeg mij af hoe aan de overzijde

vergeten eruitziet: x tot de macht ik zou het
niet weten? Kinderszenen, en om mij heen
ontstond langzaam een schemer die vogels zwart
probeerde te maken: voorbijschietende
silhouetten op zoek naar een slaapplek.
En de stemmen die over het water scheerden klonken
al vager, zangeriger ook al bijna een dag bedaagder.

Licht en duisternis, het stellen van vragen, het zoeken van de vergetelheid, de overgangszones van nazomer en avondschemering en de tocht over een water dat twee werelden scheidt: verschillende symbolen en metaforen doorkruisen elkaar en maken van deze verzen een gedicht zonder weerga. Het knappe gebruik van assonanties en alliteraties versterkt de suggestieve kracht des te meer. De spanning tussen de drang naar kennis en het verlangen naar onbewustheid die Archaïsch de dieren dooradert, kristalliseert in de talrijke kinderpersonages uit de bundel. Enerzijds zijn zij gelukzalige wezens, want ‘zij moeten nog / komen te weten’. Anderzijds getuigen juist zij van de funeste drang om de wereld en de mogelijkheden van het ik te leren kennen:

We wiegen een kind en het schreeuwde.
We zoogden het toen en het zoog en zoog
de aarde naar binnen. In zijn hoofd groeiden

hoe langer hoe meer gedachten
over waarom en waarvan en – Er
vielen woorden als willen en niet.

In de zoektocht naar kennis van Knibbes personages spelen taal en naamgeving een belangrijke rol. Het lijken aanlokkelijke instrumenten om greep te krijgen op de chaotische werkelijkheid maar ze brengen ook heel wat ellende met zich mee. De mogelijkheid om het kwade te benoemen maakt dat kwade immers al te concreet: ‘Al die woorden die we erbij kregen: woede / angst wens afgunst slacht honger slaaf / meester hoer heiligenleven vuil ziek tijd / zwanger eeuwig windbuil zwaard gesel // en weemoed niet te vergeten’. Het gebrek aan komma’s en voegwoorden in deze verzen creëert een ordeloosheid en impliceert dat zelfs de taal niet de gewenste structuur kan aanbrengen. Behalve de asyndeta bevat Archaïsch de dieren ook vele ellipsen die het failliet van de taal moeten uitdrukken. De essentie kan niet in woorden worden gevangen: ‘dat een mens daar zo stil in zijn dooie lijf / zou blijven liggen was veel te’, ‘terwijl ik wel wist / hoe het leven je soms’, ‘Er is altijd een eerste missen zoals je nog nooit’.

De thematisering van het menselijk tekort gaat bij Knibbe vaak gepaard met maatschappijkritiek. Die kritiek leidt in het begin van Archaïsch de dieren tot een wat moraliserend toontje, en dat is de achilleshiel van deze bundel. ‘Pro domo’ is bedoeld als een eigentijdse herinterpretatie van Genesis, maar Knibbes nadruk op het egoïsme, de hebzucht en de nonchalante houding van de mens tegenover fauna en flora – als symptoom van de menselijke slechtheid – ligt er te dik bovenop. Ze heeft het over ‘de futiele en grove gebreken, oneffenheden’ van de mens of noemt ‘[o]nze fout’ dat ‘we bestonden / uit lichaam, honger hadden, onze dorst // verdronken’. Het morele oordeel is soms al te geprononceerd.

In sommige gedichten uit de beginreeks ergerde ik mij aan de al te nadrukkelijke ethische boodschap. Knibbe vertrouwt er naar mijn mening te weinig op de kracht van de suggestie. De afdeling ‘Er is altijd’ daarentegen is feilloos en vormt niet alleen het sluitstuk maar ook een waar point d’orgue van Archaïsch de dieren. Knibbe beschrijft er in dertien gedichten (een voor elke maand plus een afsluitende oproep) een mensenleven tegen de achtergrond van de vier seizoenen. De hachelijke weg naar kennis, de relatie tussen mens en dier, de dualiteit tussen lichaam en bewustzijn, de moeilijkheden van het ouderschap en subtiele poëticale reflecties: alle thema’s en motieven uit de eerste afdeling van de bundel komen in ‘Er is altijd’ op synthetische wijze terug. Ook het enjambement, de ellips, het asyndeton en het klankeffect – de favoriete stijlfiguren van Knibbe – zijn er telkens goed gekozen en betekenisvol. Het volgende gedicht is dan ook een hoogtepunt van de bundel in het algemeen en van de slotreeks in het bijzonder:

Wanneer ik mij traag
in troostkleren nestel, droom
noch gedachterag witwas, verstrooid

de vrolijke zooi aan kleurval
bijeenhark onder steeds kaler hout
en opslag en een telkens ongenadiger hemel

gaat het vanzelf bezwerend zingen

de kat die voorbijschiet is grijs
donkergrijs maar niet zwart. In huis

al de afgevlogen vlinder, vuurmijt, kastanjes
vogelzaadtijd, dampende bloedworst in de terrine

en wildhandel Treuren ververst zijn vitrine.

De herfstige setting overstijgt het anekdotische en draagt een klassieke symbolische ondertoon: ze is de voorbode van de dood die, in het kielzog van de winter, op de volgende bladzijde volgt. De mens eet nog dieren (‘bloedworst’, ‘wildhandel’) maar beseft niet dat hij het volgende slachtoffer wordt. Met de dood in het verschiet vormt de herfst voor de ik-figuur bovendien een magisch moment van bezinning en inspiratie en ‘gaat het vanzelf bezwerend zingen’. De veelzijdige thematiek van dit gedicht wordt ondersteund door betekenisrijke klankeffecten en symbolen die in de laatste twee verzen tot een climax komen (al is Treuren een bestaande Rotterdamse wildhandel, de naam blijft zowel komisch als noodlottig).

De vele sterke gedichten in ‘Vrijspraak voor Kaïn’ en het adembenemende ‘Er is altijd’ zijn kenmerkend voor Hester Knibbes lef als dichter. Ze geeft blijk van een voorliefde voor grootse en zelfs metafysische thema’s en durft soms schaamteloos lyrisch te zijn. Knibbe legt bovendien een indrukwekkende vormbeheersing aan de dag. Ze houdt van alliteraties en assonanties, van leidmotieven en symbolen en ze benut de constructieve mogelijkheden van gedichtenreeksen. Het enjambement en de ellips gebruikt Knibbe dan weer op onorthodoxe en ontwrichtende maar betekenisvolle wijze: stamelend geeft ze uiting aan de in wezen onzegbare menselijke conditie. Het moralisme dat daarbij soms om de hoek komt kijken, neem ik er graag bij.

Links

De Arbeiderspers, Utrecht, 2014
ISBN 9789029589215
79p.

Geplaatst op 15/12/2014

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.