Proza, Recensies

Prevelend proza

Ik is een ander

Jon Fosse

Schrijven is een vorm van bidden. Het is een befaamde boutade van Franz Kafka die in hoge mate van toepassing is op het oeuvre van Jon Fosse. De Noorse auteur staat vooral bekend om zijn toneelstukken, die door middel van hun bedrieglijk eenvoudig en karig taalgebruik de kern van ons bestaan in al zijn kwetsbaarheid weergeven. Eerder verscheen er op De Reactor een bespreking van de Nederlandstalige tekstuitgave van Fosses stuk Ik ben de wind (2018). In 2014 besloot Fosse om zijn rug naar het podium te keren en zich weer te wijden aan het schrijven van romans. Voor geruime tijd trok hij zich terug uit het publieke leven en legde hij zich toe op wat misschien wel eens zijn magnum opus zou kunnen worden. Pas vijf jaar later verschenen onder de titels De andere naam (2019) en Ik is een ander (2021) respectievelijk de eerste twee en daarna de volgende drie samengebundelde delen van zijn romancyclus. Volgend jaar verschijnen de laatste twee delen gebundeld onder de titel De nieuwe naam. In die vijf jaar heeft hij dus maar liefst zeven delen, verspreid over drie romans, bijeen geschreven. Het geheel van die zeven delen betitelde hij met het neologisme Septologie.

In De andere naam is het vanaf het begin duidelijk dat de Noor zijn typische stijlkenmerken niet heeft opgegeven. De kustlijn vol grillige klippen, het barre weer en de desolate sfeer van de Zuid-Noorse regio Vestland vormen in de Septologie en in bijna al zijn werken de achtergrond voor zijn verhalen. Net als in zijn eerdere romans, Melancholie I (2018) en II (2020), is het hoofdpersonage Asle kunstschilder van beroep. En weeral weet Fosse eenvoudige woorden zo aaneen te rijgen, dat hij geen enkele keer een punt hoeft te gebruiken om de lezer mee te slepen. Om het plot is het zowel in zijn romans als in zijn toneelstukken niet te doen. In De andere naam rijdt Asle heen en weer tussen zijn afgelegen huis op een fjord en de stad Bergen waar zijn boezemvriend, de drankzuchtige kunstschilder en naamgenoot Asle, die Fosse benoemt als zijn Naam, van de regen in de drup belandt. Het doppelgängermotief is expliciet aanwezig, maar voor een knotsgek rollenspel à la David Lynch ben je bij Jon Fosse aan het verkeerde adres. Bij de Noorse schrijver voltrekken de verwisselingen met andere personen en de reminiscenties aan verleden gebeurtenissen zich niet via abrupte narratieve omschakelingen. Ze vloeien vanzelf voort uit een verstilling van de tijd en zijn het resultaat van het melancholisch contempleren van de omgeving.

De melancholische mijmeringen van Asle

Elk deel van de Septologie begint met Asle die zijn recentste schilderij bekijkt: ‘En ik zie mijzelf staan kijken naar het schilderij met de twee strepen, één lila en één bruin, die elkaar in het midden kruisen’. ‘De twee strepen vormen een Andreaskruis,’ zegt zijn vriend Asleik, die wat verderop woont en als enige nog over de vloer komt bij Asle in Dyglja. Buiten Asleik, zijn Naam en de galeriehouder Beyer heeft hij met niemand contact. Zijn dagen brengt hij het liefst alleen door in zijn afgelegen huis op de fjord, waar zijn schilderijen en de herinneringen aan zijn overleden vrouw Ales hem omringen. Het was met haar dat hij het huis had gekocht om ver verwijderd van de wereld altijd samen te kunnen zijn. Ales en zijn jonggestorven zus Alida zijn de twee personages die zich in beide romans uitdrukkelijk manifesteren in hun afwezigheid. Meestal voltrekt die manifestatie zich tijdens een van de vele momenten dat Asle verweesd voor zich uit staart. Overvallen door melancholische buien staart hij vaak naar het Andreaskruisschilderij, naar een punt op zee of al rijdend in de auto naar de weg.

Een groot deel van zijn mijmeringen beslaat slechts de tijdsduur van zijn rit naar Bergen, nadat hij het terechte voorgevoel heeft gehad dat zijn Naam dronken in de sneeuw op straat lag te verkleumen. Hij vindt zijn Naam neergezegen op de grond in een steegje, de Smalgangen, voor het huis van Guro, wat dezelfde naam is als de zus van Asleik, aan wie de boerentrotse man elk jaar een van Asles schilderijen schenkt als kerstcadeau. Fosse is duidelijk niet schroomvallig om het doppelgängermotief twee keer in te zetten. Tot nu toe geef ik hem graag het voordeel van de twijfel, omdat het laatste boek de talrijke verwisselingen hopelijk helemaal tot hun recht zal doen komen en omdat hij de flashbacks van Asle weergaloos kan doen verschijnen. Bij Fosse ontstaan Asles melancholische mijmeringen door een graduele verwisseling met iets wat de eenzame schilder gadeslaat.

In De andere naam is er een ontroerende passage waar Asle even rijpauze heeft genomen en zich naast een speeltuin heeft geparkeerd. Het is al bijna avond en er zijn enkel nog een jongen en een meisje aanwezig die op de wip zitten. Met zijn eenvoudige, repetitieve en modulerende schrijfstijl bezit Fosse de kracht om dit schijnbaar banaal tafereel toch een haast metafysische allure te verlenen:

Iedereen houdt ervan om te zweven, zegt hij

en hij zakt naar de grond en zet af

En van regelmatige beweging zegt hij

en zij zakt naar de grond en op de grond zet ze af

Zoals de ademhaling, zegt hij

en hij zakt naar de grond en hij zet af

En als de hartslag, zegt zij

en zij zakt naar de grond en ze zet af

In dezelfde beweging te zijn, zegt hij

en hij zakt naar de grond en hij zet af

Samen in beweging te zijn, zegt zij

en zij zakt naar de grond en ze zet af

Dezelfde beweging te zijn, zegt hij

en hij zakt naar de grond en hij zet af

Als golven, zegt zij

en zij zakt naar de grond en ze zet af

Als golven in dezelfde zee, zegt zij

en hij zakt naar de grond en hij zet af

Zoals wij tweeën, zegt zij

en zij zakt naar de grond en ze zet af

Zoals jij en ik, zegt hij

en hij zakt naar de grond en hij zet af

Zoals wij, zegt zij

Tegelijkertijd doet Fosse op kousenvoeten blijken dat het misschien om een herinnering gaat, want gaandeweg worden de twee mensen in de speeltuin Ales en Asle:

in de diepste duisternis hebben we elkaar, zegt hij

En wij tweeën blijven elkaar trouw zegt zij

door dik en dun, zegt hij

wij blijven bij elkaar jij en ik, zegt zij

jij en ik blijven altijd bij elkaar, zegt hij

Asle en Ales, zegt zij

Ales en Asle, zegt hij

Altijd bij elkaar, altijd gewoon bij elkaar, jij en ik, zegt zij

Zo is het, zegt hij

Met zijn meanderende pen en de kabbelende woorden die daaruit voortstromen laat Fosse de verschillen tussen personen vloeibaar worden. Wie zit er op de wip? Onbekenden of Asle en Ales? En welke Asle? In de Septologie lossen harde tegenstellingen zich in elkaar op. Men verwart Asle met zijn Naam, ik is een ander en het donker begint te schitteren.

Het lichtend donker schilderen

Het weggommen van elk clair-obscur contrast vormt een grondmotief in het oeuvre van Jon Fosse. Het is vanuit die invalshoek dat we zijn fascinatie voor de ogen kunnen beschouwen. Meestal gaat het daarbij om de onpeilbare ogen van een dier. Melancholie II eindigt met Oline die al zittend op het secreet met haar blik in de zwarte ogen van een opgehangen vis verzinkt. Ook in Ik is een ander verzinkt Asle in de ogen van een hert dat naast de weg staat. Het is vooral de volgende passage die veel duidelijk maakt. Wanneer Asle net een mijmering over Ales heeft gehad, komt Brage aandraven. Dat is de hond van zijn Naam die Asle na diens ineenstorting heeft meegenomen. Asle en Brage kijken elkaar in de ogen:

ik denk bij mezelf dat honden, die begrijpen zo veel, maar ze kunnen er niets over zeggen, of ze kunnen het zeggen met hun hondenogen, en in die zin lijken ze op goede kunst, want ook die kan niets zeggen, niet in eigenlijke zin, die kan alleen iets anders zeggen en zwijgen over wat ze eigenlijk wil zeggen, en op die manier zijn kunst en geloof en het stilzwijgend begrip van de hond een en hetzelfde

Bij Jon Fosse zijn geloof, kunst en het lichtend donker van dierenogen met elkaar verweven. Dat wordt duidelijk telkens Asle zijn opvattingen over religie en schilderkunst uit de doeken doet. In Ik is een ander hebben de mijmeringen en de flashbacks een veel sterker chronologisch verloop. We zien Asle opgroeien in Barmen, naar de middelbare school gaan in Aga, waar hij zijn Naam ontmoet en tenslotte belandt hij aan de kunstschool in Bergen. Als jonge knaap zette hij steeds huizen en landschappen op doek, maar na de dood van zijn zus Alida wil hij nooit meer iets naschilderen. In zijn hoofd spoken beelden rond die hem bestoken. Die beelden moet hij verjagen. Het draait niet meer om hetgeen hem omgeeft af te beelden, wel om de opake beelden die hem belagen te doen ophelderen. Asle spreekt steevast over zijn schilderijen in termen van ‘onzichtbaar stralend licht’, ‘iets onzichtbaars dat zichtbaar wordt terwijl het onzichtbaar blijft’ en ‘duisternis die licht uitstraalt’.

Het licht is onherroepelijk verbonden met de donkere, pijnlijke beelden die hij met olieverf op linnen doeken probeert te verdrijven. In De andere naam beklaagt Asle zich erover dat bijna niemand dat eigenlijke licht ziet. Zijn ouders en de andere dorpsbewoners vinden het onbegrijpelijk geklodder en vragen zich af waarom hij geen fatsoenlijke schilderijen meer maakt. Behalve galeriehouder Beyer, want hij is van mening dat zijn obscure doeken toch iets transparants laten doorschijnen. Het is in zijn galerie dat Asle later een jaarlijkse tentoonstelling zal houden. Zijn expositie loopt niet toevallig elk jaar tijdens de adventsperiode. Volgens Asle komen dan zijn schilderijen het best tot hun recht. Het is de donkerste periode van het jaar waarin gelovigen hoopvol wachten op de geboorte van Jezus Christus, die de neerdaling van het goddelijke licht op aarde met zich mee zal brengen.

Proza als rozenkrans

Voor Asle is schilderen een woordloos gebed. Nadat hij met Ales is getrouwd, bekeerde hij zich tot het katholicisme. Toch is het niet de almachtige en alomtegenwoordige God die Asle vereert. Zijn God is net machtig in de onmacht, het meest nabij in de afwezigheid, alleen hoorbaar in de stilte en enkel zichtbaar in de duisternis. Het mag niet verbazen dat Asle met de woorden van de dertiende-eeuwse mysticus Meister Eckhart stelt dat ‘Gott ist nichts was man in Worte fassen kann’. In De andere naam luidt het dat ‘Gods duisternis licht uitstraalt’. Door al schilderend woordloos te bidden, doet Asle beroep op dat goddelijke en fonkelende donker om de pijnlijke beelden te verdrijven. Vóór zijn bekering tot het katholicisme verdreef hij de trieste herinneringen aan Alida door samen met zijn Naam buitensporig te drinken en constant te roken. Daarna ruilde hij de roes in voor het gebed en de fles voor een rozenkrans. Elk deel van de Septologie eindigt met Asle die al biddend zijn woekerende gedachten de baas wil blijven. Hij pakt zijn rozenkrans en prevelt het onzevader en/of ave Maria, zowel in de volkstaal als in het latijn:

en dan zie ik de woorden voor me en ik zeg bij mijzelf Ave Maria […] et in hora mortis nostrae en ik beweeg mijn duim en wijsvinger omhoog naar de tweede kraal en ik zeg in mezelf Wees gegroet Maria […] en in het uur van onze dood en ik beweeg mijn duim en mijn wijsvinger naar de derde kraal en ik zeg bij mezelf Ave Maria […] et in hora mortis nostrae

Op soortgelijke wijze stelt Fosses modulerende schrijfstijl hem in staat om prevelend proza te produceren. Steevast herhaalt hij dezelfde woorden op lichtjes andere wijze en slechts geleidelijk aan verdwijnt het ene woord om plaats te maken voor een ander. Bij de Noor zijn inhoud en vorm onlosmakelijk verbonden, al vallen ze niet volledig samen en is er eerder sprake van een symbiose tussen die twee aspecten. Het is met zijn schrijfstijl dat hij de lezer hoop biedt in de eenzaamheid die de inhoud van zijn verhalen uitstraalt. Want inhoudelijk baden beide romans in een sfeer van afwezigheid: de lege stoel van Ales waar Asle niemand op laat zitten, de witte bedsprei van zijn overleden oma waar hij onder slaapt en het gevoel alleen nog te willen spreken met zij die voor eeuwig zullen zwijgen. Toch voelt het nooit aan als een zwaarmoedige bedoening, want als lezer ben je verplicht om mee te deinen op het lichtvoetige ritme van de rituele herhaling van woorden.

Fosse rijgt de woorden ritueel aan elkaar, net zoals Asle zijn vingers langs de kralen van zijn rozenkrans beweegt, om hoop uit het gebed te putten. Het bidden gaat vooraf aan het geloof in God en niet andersom. Het hoopvolle licht dat men ervaart tijdens het lezen van de Septologie kan geen enkele criticus in een bespreking laten doorschijnen, aangezien het geen inhoudelijk lichtpuntje betreft. Alleen door te schilderen, te schrijven, te lezen en zelf het gebed aan te vatten, kunnen de obscure beelden geloof en hoop uitstralen. Wat is het een koud kunstje om door middel van een happy end licht in het donker te doen schijnen en wat een vakkundige schrijver moet je daarentegen zijn om het donker te doen oplichten.

De blauwe ogen van Trakl en het gezang van Beckett

In de Septologie expliciteert Fosse voor het eerst in zijn fictiewerk zijn poëtica. Naast de verknopingen met de structuur van het bidden en de schitterende duisternis, stelt Asle in De andere naam dat ‘het ook zo is met de literatuur die ik graag lees, belangrijk is niet wat die woordelijk zegt over dit of dat, het gaat om iets anders, iets wat stil uit de zinnen en tussen de regels door spreekt’. Daarom is het van belang je niet blind te staren op het feit dat Fosse de titel van Ik is een ander ontleend heeft aan de bekende uitspraak van Arthur Rimbaud. Inhoudelijk zijn er zeker overeenkomsten, zoals de versplintering van persoonsidentiteiten met zijn Naam als de romantische kunstenaar, die met zijn losbandige gedrag uiting geeft aan de destructieve levenskrachten. Veelzeggender voor Fosses poëtica is echter de passage in Ik is een ander, waarin een jeugdvriend van Asle hem twee niet nader vermeldde boeken van respectievelijk Samuel Beckett en Georg Trakl te leen geeft. De verhalende teksten van Beckett en de gedichten van Trakl hebben dan ook nadrukkelijk hun sporen op de schriftuur van de Noorse auteur achtergelaten.

Bij Beckett denk ik dan niet zozeer aan zijn absurde toneelstukken, maar eerder aan de manier waarop hij door middel van stiltes en herhalingen de meest statische, minimalistische en hermetische prozateksten kan doen zingen. Een tijdje geleden publiceerde Peter Van Lier op De Reactor een recensie over een vertaling van het korte proza van Beckett, waarin we kunnen lezen dat ‘de teksten het best tot hun recht komen wanneer je ze zonder te veel intonatie en al murmelend voorleest’. Ga het ritme niet zelf bepalen maar laat je meeslepen door de cadans van de tekst. Pas dan kan het stille gezang van de woorden je echt doen verstommen.

Fosse doet het muzikaal gemurmel van Beckett prevelen doordat hij zijn eigen proza onderdompelt in de liturgische herfstsfeer van Trakls gedichten. Met zijn zinnelijke en mystieke taal weet de Oostenrijkse dichter gevoelens van verlatenheid met een omhulsel van kwetsbare nabijheid te bedekken. Naast de kleur blauw gebruikt hij vaak de ogen als motief om een intieme sfeer te evoceren. De laatste strofe van zijn gedicht ‘Helian’ is daar een treffend voorbeeld van: ‘O ihr zerbrochenen Augen in schwarzen Mündern, / Da der Enkel in sanfter Umnachtung / Einsam dem dunkleren Ende nachsinnt, / Der stille Gott die blauen Lider über ihn senkt.’ (In de vertaling van Jan U. Terpstra uit 2020: ‘O gij gebroken ogen in zwarte monden, / Als de nakomeling in milde zinsverbijstering / Eenzaam over het donkerder einde peinst; / De stille god zijn blauwe oogleden over hem neerslaat.’) Het is het beeld van de blauwe ogen die dat donkere gedicht laten tintelen.

Zo zijn we weer aanbeland bij het clair-obscur motief dat ook het chronologische verloop van de Septologie domineert. Elk deel begint namelijk met Asle die het Andreaskruisschilderij bekijkt. En de naamdag van de heilige Sint-Andreas valt elk jaar rond de eerste zondag van de advent. Tijdens het lezen van Ik is een ander werd het mij duidelijk dat het einde van de Septologie zich rond kerstavond zal afspelen. De zevendelige romancyclus zal dus eindigen met de komst van het goddelijke licht op aarde.

Ergens doet die opgang van een kunstenaar richting het licht een beetje denken aan De goddelijke komedie (1472) van Dante. Daarbovenop komen ook de uiterlijke eigenschappen en de levensloop van Asle opvallend goed overeen met die van Fosse. Alleen weten we bij voorbaat al dat Asle geen fel, paradijselijk licht te beurt zal vallen. Het zal eerder zijn zoals in de uitspraak van de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben dat ‘licht slechts het donker is dat tot zichzelf komt’. Of Asle en zijn Naam ook tot zichzelf zullen komen blijft vooralsnog een raadsel. We zullen het pas weten wanneer Marianne Molenaar haar hopelijk wederom voortreffelijke vertaling van de laatste twee delen op ons zal loslaten. Die samengebundelde delen zullen dus verschijnen onder de titel De nieuwe naam. Hoogstwaarschijnlijk zal Fosse die naam niet van de daken schreeuwen. De lezer zal zich moeten afzonderen en het boek moeten behandelen als een rozenkrans om samen met Asle en Fosse het gebed aan te gaan, in de hoop dat op een koude winternacht God vanuit het donker ons stilzwijgend die nieuwe naam zal toefluisteren.

Een recensie door Thibault Coigniez over De andere naam (2019) en Ik is een ander (2021) van Jon Fosse.

Oevers, Zaandam, 2021
Vertaald door: Marianne Molenaar
ISBN 9789492068514
296p.

Geplaatst op 21/10/2021

Tags: Septologie

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.