Ken jezelf

Delphi. Een geschiedenis van het middelpunt van de antieke wereld

Michael Scott (vert. Mario Molegraaf)

Voor velen zal het ontnuchterend zijn: Delphi, de beroemdste orakelplaats uit de oudheid, was geen verlaten, mystieke plek met filmische mist en zweverig gezang maar veeleer een bazaar vol overdadige monumenten, daar geplaatst door steden op zoek naar invloed en rijkaards op zoek naar roem. Zo was het bijvoorbeeld tijdens de Griekse Gouden Eeuw, de vijfde eeuw v. Chr., na de memorabele overwinning op de Perzen. In geen tijd veranderde een deel van het heiligdom in wat Michael Scott een ‘Perzische Oorlogen-zone’ noemt. Elke stad van betekenis wilde met pracht en praal – het absurde toppunt was een bronzen palmboom met gouden sterren – tonen hoe groot zijn bijdrage aan de Griekse zaak wel was. Zelfs Carystus, dat aan Perzische zijde had gevochten. Was Delphi dan een baken van hoop geweest tijdens de Perzische oorlogen, zoals al die gouden dankbaarheid wel moet suggereren? Dat niet. De steun van het orakel was op zijn zachtst gezegd dubbelzinnig. Sommigen beweren zelfs dat ook Delphi de Perzen steunde: een hypothese die door Scott overtuigend in twijfel wordt getrokken, maar die toont dat er waarschijnlijk meer dan vrome dankzegging schuilde achter de dure geschenken.

In Delphi. Een geschiedenis van het middelpunt van de antieke wereld beschrijft Scott hoe het legendarische heiligdom bij tal van gebeurtenissen en ontwikkelingen fungeerde als ‘een ruimte om geschiedenis te beschrijven, en misschien belangrijker te herschrijven’. Die aanpak is – zo toonde hij al in zijn vorige werken – Scotts handelsmerk: door wat hij ‘spatial analysis’ noemt laat hij zien hoe ruimte en identiteit in de oudheid onlosmakelijk verbonden waren. Die methode is ambitieus. Ze beoogt immers een totaalbeeld van Delphi, waarin niet enkel de orakelpraktijk belangrijk is, maar ook (en in Scotts ogen vooral) de bredere context: de reeds vermelde wijgeschenken, de Pythische spelen die er plaatsvonden, de politieke en economische belangen in relatie met de rest van de antieke wereld… en daarmee eigenlijk de hele geschiedenis van de antieke wereld. Scotts missie is ‘naar al die activiteiten samen [te] kijken, gedurende heel de geschiedenis van het heiligdom en vanuit de gezichtshoek van al de verschillende historische bronnen die ons ter beschikking staan’.

Die hele geschiedenis omvat echter bijna anderhalf millennium (van de achtste eeuw v. Chr. tot de zevende eeuw n. Chr.; Scott behandelt overigens ook de periode van de herontdekking van Delphi in de vijftiende eeuw tot de recentste opgravingen en voegt een korte gids toe voor een bezoek aan de archeologische site). De bronnen voor de reconstructie van deze lange geschiedenis zijn van zeer diverse aard, van potscherven tot gedichten. Ze zijn daarbij niet altijd betrouwbaar, zijn zelden eenduidig te interpreteren, spreken elkaar soms tegen of zwijgen gewoon over bepaalde periodes of aspecten. Hoe begin je aan zoiets? Scott vond inspiratie voor de driedeling van het boek in een regel uit Shakespeares Twelfth Night: ‘Sommigen worden groot geboren [deel 1], sommigen wórden groot [deel 2], sommigen worden groot gemaakt [deel 3].’ Het zijn volgens Scott drie stadia die in de geschiedenis van Delphi zijn te onderscheiden. Eerst de opkomst van het heiligdom en hoe men die in mythen probeerde te omhullen. Dan de zelfbewuste onderneming om politieke invloed uit te oefenen (hier is de Nederlandse vertaling ‘sommigen wórden groot’ allicht te passief voor Shakespeares ‘some achieve greatness’). Ten slotte hoe Delphi door die opgebouwde interpretatie door anderen werd geheroïseerd, gebruikt en misbruikt.

Het verbaast niet dat een dergelijke artificiële indeling, die Scott vroegere studies over Delphi ironisch genoeg verwijt, niet overtuigend kan worden volgehouden. De auteur lijkt door het boek heen ook geen moeite te doen ze te verdedigen. Als er één ding blijkt uit het chronologische relaas van de geschiedenis van Delphi – want zo is het leeuwendeel van het boek opgevat – dan is het dat ze gekenmerkt wordt door ups en downs, door anomalieën en tendensen, maar nauwelijks door een logische evolutie. De nietszeggende en inwisselbare titels van de hoofdstukken (‘Wedergeboorte’, ‘Renaissance’, ‘Transformatie’, ‘Transitie’…) zijn in dat opzicht eerlijker: de geschiedenis van Delphi is ‘een ritje in een achtbaan’, zoals Scott het verderop zelf beschrijft.

De eerste twee, algemene hoofdstukken – het eerste over de werking van het orakel, het tweede over de verschillende ontstaansmythes – zijn veelbelovend. Scott maakt evenwichtig gebruik van zowel archeologische als literaire bronnen, waarbij hij bijvoorbeeld toont hoe verschillende literaire genres verschillende doelen hebben. Daarna, wanneer de chronologische draad wordt opgenomen, krijgen archeologische bronnen een onmiskenbaar overwicht en blijven veel aspecten van de literaire traditie – bijvoorbeeld de rol van Delphi in de komedie en tragedie, of de discussies over het orakel in de filosofie – onderbelicht. Het boek vervalt al snel in opsommingen van namen, minutieuze reconstructies van niet altijd even relevante gebeurtenissen en bovenal inventarissen van monumenten, gebouwen en plaatsen. De programmatische poging om een totaalbeeld van de Delphische geschiedenis te bieden, brengt het nadeel mee dat er nauwelijks onderscheid wordt gemaakt tussen hoofd- en bijzaken. Deels zijn de vaak te gedetailleerde uiteenzettingen ook te wijten aan Scotts dubbele doelpubliek: Delphi is een populariserend boek dat tegelijk een substantiële bijdrage aan het wetenschappelijke debat wil leveren en dus zowel primaire als secundaire bronnen zo volledig mogelijk in rekening wil brengen.

Scotts uiterst ambitieuze boek werd in het Nederlands vertaald door een al even ambitieuze vertaler. Mario Molegraaf heeft zich kennelijk tot doel gesteld het boek te verbeteren en het eerder aan te vullen dan te vertalen. Tussen vierkante haken, die kennelijk zowel toevoeging als herschrijving kunnen markeren, treedt Molegraaf uit de schaduw waarin in elk geval de non-fictievertaler zich doorgaans ophoudt. Hij laat geregeld en op uiteenlopende manieren zijn stem horen. Toegegeven: ik heb niet kunnen besluiten of ik zijn ongewone aanpak nu misplaatst en pedant dan wel interessant en verrijkend vind.

Bewonderenswaardig is in elk geval dat Molegraaf erin is geslaagd tal van slordigheden – want daaraan is in het oorspronkelijke Engelstalige werk geen gebrek – op te schonen door de verwijzingen naar de bronnen (in het bijzonder wanneer het Herodotus betreft) minutieus na te trekken en te corrigeren. Ook enkele ernstiger fouten worden kundig rechtgezet, bijvoorbeeld Scotts bewering dat de beroemde spreuken van Delphi, waarvan ‘ken jezelf’ de bekendste is, pas vanaf de eerste eeuw v. Chr. aan de al even legendarische Zeven Wijzen werden toegeschreven: Molegraaf wijst terecht op een passage in het werk van Plato, die eeuwen eerder leefde.

Problematischer zijn de vele toevoegingen, die weliswaar een even grote kennis van en passie voor het onderwerp tonen, maar soms ook de indruk van betweterij geven. Scotts reeds door details bezwaarde tekst krijgt nog meer ballast. Molegraaf vindt bijvoorbeeld dat we moeten weten dat een bepaalde munt voor een kleine zestigduizend euro werd geveild of waar het graf van de Macedonische koning Philippus II kan worden gevonden (overigens een meer omstreden kwestie dan Molegraaf doet uitschijnen). Ook Scotts manier van refereren wordt door de vertaler onvoldoende geacht: terwijl Scott ervoor kiest om de eindnoten, die zeventig pagina’s beslaan, enigszins te beperken door enkel te verwijzen naar secundaire literatuur (eerdere studies) waar dan verdere referenties naar de primaire bronnen gevonden kunnen worden, voegt Molegraaf graag rechtstreekse verwijzingen naar die bronnen toe.

Een uiterst discutabel geval vormt een aantal passages waar de vertaler stilzwijgend Scotts interpretatie betwist en aanpast. Zo is er de episode over Cylon, die meende dat het orakel hem had geadviseerd de macht te grijpen in Athene. Scott beschrijft dit als volgt:

Back in the late seventh century BC the would-be tyrant Cylon, having consulted (and misunderstood) the Delphic oracle on how to take control of Athens, had been killed by the Alcmaeonid family. However, after performing such a service for their city, the Alcmaeonids dragged him out from the sacred refuge of a temple to Athena, their family thereby cursed forever because they had not respected Cylon’s protected status while in the religious sanctuary.

Dit is Molegraafs vertaling, die integraal tussen vierkante haken wordt geplaatst:

Aan het eind van de zevende eeuw v.Chr. wilde Cylon, nadat hij het orakel van Delphi had geraadpleegd (en verkeerd begrepen), de macht grijpen in Athene. Zijn plan mislukte. Er volgde een belegering van de Akropolis. Cylon zette zich vervolgens ‘als smekeling’ bij het beeld van de godin Athena neer. Men beloofde dat als Cylon en de zijnen zich aan het gerecht overleverden er geen bloed zou vloeien. ‘Dat de mannen desondanks zijn vermoord, zou de schuld van de Alcmaeoniden zijn,’ aldus Herodotus (vert. Hein L. van Dolen). Vanwege deze schanddaad werd de familie voor altijd vervloekt. De Alcmaeoniden en hun medestanders heten bij Herodotus zelfs ‘de Gedoemden’.

Scotts belangrijkste punt, namelijk dat de vloek over de familie van de Alcmaeoniden te wijten was aan heiligschennis en niet louter aan een wereldse gebroken belofte, is in de Nederlandse vertaling volledig afwezig. De lezer krijgt er weliswaar een citaat uit een primaire bron voor in de plaats, maar dat maakt de tekst er niet duidelijker op. Enerzijds heeft Molegraaf gelijk dat de heiligschennis nergens geëxpliciteerd wordt in de verslagen die we bij de Griekse geschiedschrijvers van deze gebeurtenis hebben, anderzijds is Scotts interpretatie uiterst plausibel, al had hij misschien duidelijk moeten maken dat die verklaring niet rechtstreeks uit de bronteksten volgt.

Wat vermag een vertaler? Het is een vraag die in het geval van een non-fictievertaling zelden wordt gesteld. Met de meeste van zijn interventies – en zeker met de vele onbetwistbare correcties – bewijst Molegraaf de lezer allicht een dienst. Maar is het ook zijn taak om de selectie van de door de auteur geboden informatie te betwisten of de gekozen interpretaties bij te sturen, in het bijzonder wanneer dit stilzwijgend gebeurt en de keuze van de auteur zelf uit de tekst verdwijnt? Voor de meeste lezers zullen dit allicht verwaarloosbare vragen zijn.

Minder verwaarloosbaar voor het geheel is echter de indruk dat Molegraaf danig geïnteresseerd was in het kritisch lezen en herschrijven van het werk dat het vertalen zelf er wat bij inschoot. De vertaling is het hele boek door storend letterlijk en stroef, al is dat ook soms aan Scotts Engels te wijten, dat niet vrij is van kromme zinnen en gebrekkige samenhang.

Vanaf de vijfde eeuw voor Christus – maar zoals zo vaak claimde de traditie veel verder terug te gaan – stonden op de tempel van Delphi drie bekende spreuken te lezen. En wie kan aan de orakelspreuken twijfelen bij het beoordelen van het boek over dat orakel? ‘Ken jezelf’ was, zoals gezegd, de beroemdste spreuk. Ze moest bezoekers van de tempel doen nadenken over hun identiteit en hun vermogens. Het had niet enkel een waarschuwing kunnen zijn voor de vertaler, die zich misschien eerder schrijver waande. Ook had het de auteur aan het nadenken kunnen zetten over de realiseerbaarheid van het voornemen om in één boek álles over Delphi te willen vertellen voor een zeer uiteenlopend publiek, hoeveel respect die poging ook verdient.

‘Ken jezelf’ had ook Scott alerter kunnen maken voor zijn positie als hedendaagse geleerde tegenover de oudheid. Zijn belofte om na te gaan ‘hoe in de antieke wereld de rol en het belang van Delphi werden gezien, gevormd en veranderd’ komt immers vaak in conflict met zijn analyses van de politieke en sociale gevolgen van de werking van het orakel. Zijn a posteriori-verklaringen van hoe, bijvoorbeeld, het orakel een gemeenschap hielp bij moeilijke beslissingen, zijn bijzonder waardevol maar verliezen de beloofde verklaring van het zelfbegrip uit het oog. Misschien wel de meest prangende vraag over Delphi, door Simon Price geformuleerd als ‘Waarom wilden de verstandige, rationele Grieken het geraaskal horen van een oude vrouw in de heuvels van Centraal-Griekenland?’, wordt daardoor uiteindelijk ontweken.

‘Niets te veel,’ maande de tweede spreuk tot matigheid: Scotts verhaal over Delphi ligt bedolven onder details en grote lijnen worden te zeer vervaagd door de drang naar onmogelijke volledigheid. De derde spreuk, ten slotte, is het minst bekend en wordt door Molegraaf leuk maar fout vertaald als ‘vertrouwen zal je berouwen’. Scotts Engelse weergave ‘an oath leads to perdition’ is een betere vertaling van het Griekse eggua para d’atê. Waarschijnlijk waarschuwde de spreuk geen beloftes te maken die je toch niet kunt houden. ‘Eindelijk zullen we Delphi – de omphalos van de antieke wereld – helemaal in schitterende Technicolor kunnen bekijken,’ belooft Scott in zijn inleiding. Het is een voorbeeld van zo’n onhoudbare belofte gebleken. Dat is deels te wijten aan Scott, maar minstens evenzeer aan het onbereikbare Delphi zelf. Als we het centrum van de antieke wereld met alle geweld in Technicolor willen, zullen we de kleuren zelf moeten raden. En dan zal het Delphi niet meer zijn. Delphi. Een geschiedenis van het middelpunt van de antieke wereld is het beste overzichtswerk over het beroemde orakel, maar dat komt eerder door het gebrek aan alternatieven dan door de kwaliteit ervan.

Prometheus/Bert Bakker, Amsterdam, 2014
ISBN 9789035141834
428p.

Geplaatst op 24/05/2015

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.