Proza, Recensies

De avonden van Jopie Landman

Kruis of munt

Jo Boer

Wanneer Charles Waringa na een bezoek aan zijn familie in Nederland terugkeert naar Nederlands-Indië, doet hij zijn nichtje Jopie een halsketting cadeau met een gouden hangertje in de vorm van een dobbelsteen. Binnenin zitten bovendien ‘drie minuscule kleine dobbelsteentjes, niet groter dan speldenknoppen, maar die, op Japanse wijze, zorgvuldig van het juiste aantal oogjes waren voorzien’. Zijn jongste zus Aletta, Jopies moeder, vindt het geen gepast cadeau voor een kind. Een klavertje-vier of een varkentje was geschikter geweest, en goud hoefde ook niet per se. Op haar vraag om uitleg antwoordt Charles: ‘Pile ou Face’, Frans voor ‘kruis of munt’ of – zoals hij er spottend aan toevoegt – ‘Erop of eronder’. Aletta wordt ‘hees van drift’ en laat het kettinkje verdwijnen.

Deze scène staat pal in het midden van de recent herdrukte roman Kruis of munt (1949) van de Nederlandse schrijver Jo (Johanna Maria) Boer (1907-1993). Het beeld van een opgegooid geldstuk dat twee kanten op kan vallen staat symbool voor de precaire omstandigheden waarin de hoofdfiguur Jopie opgroeit.

 

De familie Waringa

Jopies vader Bernard Landman heeft haar moeder nog tijdens de zwangerschap verlaten. Als gescheiden vrouw wordt Aletta ‘een uitgestotene van de maatschappij’. Ook haar broer Charles en hun oudste zuster Agatha zijn outcasts in hun burgerlijke en koloniale milieu: de eerste wegens zijn homoseksualiteit, de tweede doordat ze een ongeoorloofde relatie is begonnen met een ‘jonge zwoele Indo’. Hun tirannieke vader Bruno Waringa laat Agatha interneren in Nederland en vestigt zich in Den Haag samen met zijn vrouw Johanna, Aletta en Jopie. Op de achtergrond van het sombere familieleven sluimert de strijd om het vermogen dat Bruno in de kolonie heeft verworven.

De roman volgt het leven van Jopie van haar geboorte in Soerabaja tot haar vijftiende jaar, van de belle époque tot kort na de Eerste Wereldoorlog. Na verloop van tijd herkent Aletta de trekken van haar gehate ex-man in het meisje, dat ze tegelijk wil kneden naar de gelijkenis van Bruno en wil behoeden voor de erfelijke belasting die op de Waringa’s drukt. Zo ontstaat een verstikkende haat-liefdeverhouding waarin fysieke mishandeling en geestelijke terreur de toon aangeven.

 

Het geheugen van de literatuur

Vóór Kruis of munt had ik nooit iets van Boer gelezen, en daarin sta ik niet alleen. ‘Een verborgen schat van een boek’ noemde Sylvia Witteman deze roman, die ze leerde kennen doordat Kees van Kooten hem in interviews aanprees als favoriet van zijn moeder. De uitgever maakt bij de promotie van het boek kundig gebruik van hun lof en recensenten toonden zich op hun beurt blij verrast. Een literatuur heeft dan ook behoefte aan dit soort herontdekkingen. Ze kleuren de gangbare beelden van het verleden bij en vullen tegelijk het repertoire van hedendaagse lezers aan. Een ruim zeventig jaar oude roman van een weinig bekende schrijver kan, in een frisse cover gestoken, kennelijk moeiteloos overeind blijven.

Toch verandert niet elk oud boek vanzelf in een verborgen schat als je maar lang genoeg wacht. Een roman kan pas ‘vergeten’ en uiteindelijk ‘herontdekt’ worden nadat hij ooit de aandacht op zich wist te vestigen. In 1948 bekroonde de Jan Campertstichting Kruis of munt met de eerste Vijverbergprijs, die toen bestemd was voor een ongepubliceerde roman met Den Haag als deel van het decor. Boer had destijds al een zekere literaire reputatie: zo was haar debuut Catherina en de magnolia’s (1938) gunstig besproken door de toonaangevende criticus Menno ter Braak. Nog voor haar uitgever Stols, zelf bestuurslid van de Campertstichting, Kruis of munt in de handel had gebracht, publiceerde jurylid F. Bordewijk al een laaiend enthousiaste recensie in het Utrechtsch Nieuwsblad. In Vlaanderen was de jonge Ivo Michiels, als recensent voor Het Handelsblad, behoorlijk te spreken over de roman.

Later kreeg Kruis of munt aandacht in het veelgebruikte schoolboek van Lodewick en het Handboek tot de moderne Nederlandse letterkunde van de literatuurhistoricus Knuvelder. In 1991 kwam er een herdruk met een inleiding door Aad Meinderts. En  ook Hugo Brems vermeldt Jo Boer nog een enkele keer in zijn literatuurgeschiedenis uit 2005.

Volgens het colofon is de nieuwe uitgave ‘[g]etrouw gezet’ naar de tekst uit 1949 zoals die in 2016 werd opgenomen in de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren (DBNL), ‘behoudens enkele evidente fouten’. Dat is niet helemaal goed afgelopen. Zo heten de fluwelen muiltjes van Oma Waringa op pagina 16 nu eens ‘Fluweeltjes’ of ‘Weeltjes’ en dan weer ‘Weekjes’ en staat er op pagina 302 ‘koos het land’ in plaats van ‘koos het kind’. Op het moment dat ik dit schrijf, is de roman overigens niet meer beschikbaar via de DBNL.

 

Het plezier van camp

Al kwam Kruis of munt de afgelopen decennia af en toe onder het stof vandaan, een klassieker is de roman niet geworden. De al genoemde Knuvelder situeerde Jo Boer nog in de lijn van het ontluisterende proza van Anna Blaman, Willem Frederik Hermans en Gerard Reve, maar dat beeld hield geen stand. Om verschillende redenen kwam Kruis of munt op een afstandje van die ophefmakende naoorlogse literatuur te staan.

Allereerst speelt de roman niet in de eigen tijd, maar in de eerste helft van de twintigste eeuw. Terwijl Hella S. Haasse in Oeroeg (1948) behoedzaam het actuele thema aansneed van de strijd om de Indonesische onafhankelijkheid, keerde Boer uitvoerig terug naar het koloniale tijdperk. Daarbij bouwde ze voort op de bekende motieven van de Indische roman en vooral op de principes van het naturalisme dat rond 1900 de toon aangaf in het Nederlandse proza. Een halve eeuw later worden de personages van Boer nog steeds bepaald door race, milieu en moment. Ze worstelen met de determinerende invloed van hun afstamming: de seksuele en mentale problemen van Agatha, Charles en Aletta zouden samenhangen met het feit dat hun ouders neef en nicht zijn. Naast die erfelijke belasting noemt de verteller ook sociale en historische omstandigheden als verklaring voor gedrag. Zo wordt van Bernard gezegd dat zijn ‘ingeboren laksheid zou verergerd worden door het tropische klimaat’, en van Bruno’s twee zusters dat de catastrofe van de Eerste Wereldoorlog hen tot ‘inzicht en vergeving’ brengt in een oude familievete.

Bovendien hanteert Jo Boer een karakteristieke verteltrant, waarmee de lezer meteen kennismaakt in het eerste hoofdstuk. Het is aanzienlijk langer dan alle volgende en geeft, tegen de achtergrond van de familiegeschiedenis, een beeld van het Haagse leven in het huis van Bruno Waringa. Voor een deel zien we dat vanuit het perspectief van Jopie. We kijken mee door haar kinderogen en delen haar ‘avondherinneringen’, ervaringen en gedachten. De verteller geeft daarnaast inkijkjes in het bewustzijn van andere personages en maakt gebruik van documenten, voornamelijk foto’s en brieven, die de authenticiteit van het relaas onderstrepen. Die wat afstandelijke benadering ‒ weer een erfenis van het naturalisme ‒ wordt gecombineerd met passages waarin de alwetende verteller uit de coulissen komt, de lezer direct toespreekt, expliciet commentaar geeft, algemene waarheden uitserveert en oordelen velt. Hier grijpt Boer terug naar een nog oudere, negentiende-eeuwse verteltraditie die een bloeiend naleven kende in tal van populaire familie- en avonturenromans en in de jeugdliteratuur.

De curieuze combinatie van die twee manieren van vertellen doet een beetje denken aan de eerste pagina van De avonden, dat twee jaar voor Kruis of munt verscheen. Daar begint de verteller in de toon van het traditionele winterverhaal: ‘Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeëntwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte.’ Maar waar Reve die toon meteen laat varen en in het vervolg consequent vasthoudt aan het perspectief van Frits, blijft Boer gebruik maken van alle mogelijkheden die de alwetende verteller biedt om geheimzinnigheid, spanning en (melo)drama te creëren. Daarbij passen ook de vele opsommingen die sfeer en couleur locale oproepen:

 

Bij het naderen van December liet zij een lege wasmand in haar slaapkamer zetten – het was in het jaar van Charles’ verlof – en in deze mand verzamelde zij alle lekkernijen waar haar kleine gezin van hield; een blik caviaar voor Charles, een kist Corona de Corona’s, een doos Egyptische cigaretten. Pâté de foie gras voor Aletta, een pot Chinese gember, een fles chutney, tamarinde en frambozenkoekjes, geconfijte kersen uit Nice. Voor Jopie chocoladeletters, marsepein, een doos Droste flikken, een koeken varkentje. Voor de avond zelf champagne, bourgogne, marrons-glacés, en een Irmataart. De rest van de mand liet zij opvullen met mandarijntjes, sinaasappelen, vijgen, borstplaatjes, suikeren beestjes en pepernoten. Voor ieder was er bovendien een grote vrijer of vrijster van taai-taai.

 

Wie hierbij niet terugdenkt aan behaaglijke leeservaringen met Sjakie en de chocoladefabriek of De klop op de deur moet wel een hart van steen hebben, of een uitzonderlijk gesofisticeerde smaak. Maar ook wie zich dat knusse leesplezier wel herinnert, heeft ondertussen misschien geleerd dat een twintigste-eeuwse romanschrijver daarmee geen literair prestige kan oogsten. Annie Romein-Verschoor, een wat oudere generatiegenoot van Boer, noemde Kruis of munt in 1949 al misprijzend een ‘moderne Marlitt-roman’ en in het jongerentijdschrift Podium betoogde James Brockway niet zonder snobisme en genderstereotypie dat het boek vooral geschikt was voor ‘readers in basement kitchens’.

Het besef dat Kruis of munt zwaar leunt op literaire conventies die het als een boek van de ‘tweede rang’ markeren, kan leiden tot afwijzing maar ook tot een prikkelende dubbele manier van lezen. Literatuurwetenschapper Erica van Boven omschrijft die leeshouding als camp: ‘bovenal een milde blik, een blik die wel bewust is en kritisch ontleedt, die de minpunten ziet (sentimenteel, overdreven), maar die niet veroordeelt, integendeel, die de kritiek combineert met affectie, echt plezier en genieten’.

Kruis of munt stimuleert tot een campy manier van lezen doordat de karakteristieke combinatie van realistische vertelling, psychologische analyse en symboliserende beeldspraak niet altijd clichématig of overdreven is, maar in sommige sterke scènes juist mooi in evenwicht blijft. Een enkele keer waagt Boer zich zelfs aan een bijtend ironische passage over Aletta’s schilderhobby. Wie zich niet laat hinderen door aangeleerde goede smaak, kan zich in Kruis of munt bovendien vermaken met allerlei vondsten. Zo is er een fraaie cameo van koningin Wilhelmina, een beklijvende schets van de dementerende Johanna en haar obsessie met Mussolini, of het genot van de bruuske vooruitblik: ‘De laatste uren van zijn leven zou hij gebruiken om een brief te schrijven aan dat nimmer geziene dochtertje […] Deze brief was zesenvijftig zijdjes lang; zijn dode lichaam woog honderdveertig Kilo.’

Terzijde: ook sommige romans van Bordewijk vergen vandaag een camp-houding om leesbaar te blijven. Apollyon (1941) of Eiken van Dodona (1946) bijvoorbeeld, die niet de klassieke status van een boek als Bint (1934) verwierven. Heeft hij destijds iets van zijn eigen veranderende stijl herkend in die van Boer? In ieder geval lijkt Bruno Waringa familie van Bordewijks dwingende personages Starnmeer en Leeuwenkuijl.

 

Een deur die plots opengaat

‘Pile ou Face’: ook na de dood van Charles zindert het nog na bij Aletta. Ze past zijn uitspraak eerst toe op de ‘verwrongen verhouding tot haar kind’: ‘Een zonde, die, wanneer zij zou trachten deze weg te snijden uit haar ziel, dood of waanzin ten gevolge zou hebben; van tweeën één: Pile ou Face. Charles – Agaath. Kruis of Munt.’ Even later bedenkt Aletta dat ook voor de vijftienjarige Jopie ‘twee deuren’ openstaan: ‘De ene deur leidde naar alle heerlijkheden en rijkdommen ter wereld en de andere was… het ijzeren hek van Oud-Rozenburg, waarachter ook haar tante verdwenen was.’ Met andere woorden: als Jopie zich verzet tegen haar moeder, zal die haar laten opsluiten, zo niet zal ze het fortuin van de Waringa’s erven.

Maar dan tonen de laatste bladzijden van de roman hoe ‘de derde deur’ zich opent. Jopie kiest een uitweg waarmee ze zowel haar moeder als zichzelf en misschien ook de lezer verrast. Het determinisme dat de hele roman doordringt, blijkt dus minder eenduidig te zijn dan de personages kunnen vermoeden.

Behalve door deze ontknoping neemt Boer ook op een andere manier afstand van de naturalistische wetten: in haar eigen levensloop. Ondanks de voor de hand liggende parallel tussen de namen ‘Jopie Landman’ en ‘Jo Boer’ vallen personage en auteur niet samen. Jopies uitvoerig beschreven interesse voor kunst en literatuur leidt in de roman niet tot een eigen artistieke praktijk, maar in de biografische werkelijkheid wel: Jo Boer werd zowel kunstschilder als schrijver.

Alleen al het bestaan van Kruis of munt toont dus aan dat er niet alleen een derde, maar zelfs een vierde deur op een kier staat. Het lot blijkt uiteindelijk over een groter arsenaal aan mogelijkheden te beschikken dan ‘Erop of eronder’. In die zin zijn de vier dobbelstenen van Charles, met hun vele mogelijke worpen, een profetisch geschenk.

Prometheus, Amsterdam, 2020
ISBN 9789044646177
304p.

Geplaatst op 14/04/2021

Tags: De avonden, Determinisme, Jp Boer, Kruis of munt, naturalisme

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.