Non-fictie, Recensies

Een cartografie van het neoliberale offensief

Lang leve de vergrijzing

Patrick Deboosere

Het boek Lang leve de vergrijzing van Patrick Deboosere, dit jaar verschenen bij EPO, is een page tuner. Omdat het geschreven is in interviewvorm leest het als een trein. Het is ook een beetje een whodunit, want hoe kan het dat we bij stijgende productiviteit steeds langer moeten werken? Wie en wat zit daarachter? Antwoord (spoiler alert): ‘het neoliberale offensief’, een zorgvuldig met veel geld en denktanks opgebouwde politieke strategie. Het in kaart brengen van die strategie is de inzet en de merite van dit boek. Lang leve de vergrijzing is echter niet enkel een aanklacht, maar wil ook uitdrukkelijk hoop geven, zonder daarbij te vergeten dat de uitdagingen waar we voor staan gigantisch zijn.

Het boek begint – Deboosere is tenslotte demograaf – met een uitleg over de demografische transitie. Hij benadrukt dat de spectaculaire stijging van de levensverwachting in de vorige eeuw een ongelooflijke verwezenlijking is. De auteur wil schoon schip maken met de ideologische leugens die over de ‘tsunami van de vergrijzing’ worden verteld. En hij maakt zich daar samen met zijn gesprekspartner Marijke Persoone een boek lang druk over. Het begint met de stelling dat de demografische transitie geen stijging, maar juist een democratisering van de levensverwachting is. Dus niet: de mens leeft langer, maar wel: meer mensen leven lang. ‘Om het kort samen te vatten: we worden niet ouder, maar we worden met velen oud.’

Deze demografische transitie of ‘het nieuwe demografische regime’ is volgens Deboosere niet alleen toe te schrijven aan de vooruitgang in de geneeskunde, maar vooral aan de verbetering van de levensomstandigheden: het bestrijden van hongersnoden en epidemieën, de sanitaire vooruitgang, de betere woon- en werkomstandigheden. Het leitmotiv blijft dat men levensverwachting – eigenlijk de achteruitgang van sterfte, vooral kindersterfte –  als collectieve vooruitgang niet moet verwarren met het verhogen van de individuele levensduur. Dat de mens genetisch wezenlijk niet veranderd is, wordt er herhaaldelijk ingehamerd. Een voordeel van zo’n gespreksboek is dat je de zaak van alle kanten kan bekijken en telkens misvattingen kan weerleggen, tot het, hopelijk, bij de lezer begint te dagen. Want wat het boek zo boeiend maakt, is dat het eigenlijk ook gaat om een gesprek over leven en dood. Zo bijvoorbeeld wordt het geloof in het verlengen van de levensduur gezien als ‘een hardnekkige wil’, ‘een troost’ die gezocht wordt voor de vergankelijkheid in een maatschappij die niet meer religieus is. Zeer revelerend is het hoofdstukje waarin Deboosere het heeft over de obsessie met de eeuwige jeugd van de captains of industry, zoals Elon Musk.

Na verloop van tijd wordt duidelijk waarom de auteur zo hamert op het feit dat we niet echt langer leven, maar met meer langer leven: het verhogen van de pensioenleeftijd is dan plots niet meer evident. De mantra: ‘we leven langer dus moeten we langer werken’ klinkt dan plots hol en leugenachtig. Dat is in feite de echte dubbele stelling waarrond dit boek is opgebouwd. We leven niet wezenlijk langer, wel met meer, en daarom is de verhoging van de pensioenleeftijd echt geen goed idee. Het wordt bangelijk concreet als hij de Vlaamse partijvoorzitter Bart De Wever citeert: ‘Als de levensverwachting nog stijgt, moeten we een systeem introduceren waarbij mensen telkens een maand langer moeten werken’. En verder: ‘De neoliberale vleugel van de N-VA heeft duidelijk de bedoeling om de sociale zekerheid te reduceren’. Of nog sterker: ‘De verhoging van de pensioenleeftijd is noch min noch meer een eenzijdige belasting die aan hele werkende bevolking wordt opgelegd’.

Het grote argument achter die mislezing van de levensverwachting (als individuele en gezonde levensduur) is dat de pensioenen onbetaalbaar zullen worden. Deboosere noemt dat een ‘totale mythe’. Ze stamt al uit de jaren dertig van de twintigste eeuw. Men vergeet de stijging van de productiviteit te verdisconteren. Vaak maakt men het echt bont en wordt de totale kost van de sociale zekerheid bewust of onbewust verkeerdelijk voorgesteld als de vergrijzingskost. Terwijl de meerkost van de vergrijzing slechts 4,2 procent bedraagt van het bbp, deed de zogenaamde tax shift onder de regering Michel ruim 2 procent van dat bbp aan de bedrijven cadeau. Deze combinatie van belastingverlagingen en kostenbesparing is in werkelijkheid een strategie die ‘starve the beast’ heet: het doel is om belastingverlagingen door te voeren zodat er wel moet gesnoeid worden in de sociale zekerheid. Het gaat om een framing van alle sociale uitgaven als ‘kosten’. Een van de fraaie smoking guns uit het boek is dat van de Vlaamse N-VA-politicus Johan Van Overtveldt, die, hoewel dat in geen enkel partijprogramma stond, erin slaagde om in de regering Michel als minister van financiën de pensioenleeftijd te verhogen.

Dat neoliberale offensief wordt in de tweede helft van Lang leve de vergrijzing geduldig in kaart gebracht en de argumenten van de neoliberale ideologen worden als hele en halve leugens ontkracht. De auteur toont haarfijn aan hoe het neoliberale offensief via Amerikaanse denktanks ook in Vlaanderen wordt verspreid door denktanks als Itinera, die op een ondoorzichtige manier gefinancierd worden door de grootindustrie. Hij noemt ook man en paard als hij in cijfers aangeeft hoe gretig onze media ideologen als Marc Devos, die jarenlang directeur was van Itinera, citeren. Onder de gezapige, vertellende, kabbelende toon, waarbij Deboosere de lezer geduldig bij de hand neemt, zit een polemische intentie. Het boek is een ware genealogie van de invoering van de neoliberale remedies (privatisering, deregulering, flexibilisering), via ideologisch gedreven economen als Friedrich Von Hayek en Milton Friedman, denktanks als de Mont Pèlerin Society en het Cato Institute en natuurlijk politici zoals Ronald Reagan en Margaret Thatcher, tot en met lokale denktanks als Institut Molinari en Itinera. Het toont hoe deze denkbeelden door een langdurige strategie gemeengoed zijn geworden. Er blijft van deze hegemonische ideologie – ze lijkt tweede natuur geworden – werkelijk geen spaander over aan het eind van het boek. 

Lang leve de vergrijzing is ook een boek over tijd en hoe het neoliberalisme ons dat kostbare goed wil ontnemen. Onze eigen tijd moet economisch renderen en dus worden ingeperkt (ook al weten we dat onze productiviteit enorm is gestegen en de rijkdom van de 1 procent gigantisch is en alsmaar groter wordt). De tijd om te studeren, die sterk is uitgebreid over de laatste decennia, moet weer sneller naar de ‘arbeidsmarkt’ leiden en de tijd om op rust te gaan en actief te zijn als grootouder in de familie en de maatschappij, moet worden uitgesteld. Dit thema van de tijd past als gegoten in een boek tegen de onderschikking van de mens aan de economie. En daarom is Lang leve de vergrijzingvooral ook een boek over het goede leven – volgens Aristoteles het doel van alle politiek. En net zoals bij Aristoteles is bij Deboosere het goede leven gebaseerd op vrije tijd. Tijd voor studie, kunst, theorie, contemplatie. Het boek, geschreven door een zeer actieve professor emeritus, sluit zelfs af met een lof der luiheid en een pleidooi voor een herverdeling van de beschikbare rijkdommen voor een rustig en rijk leven voor zoveel mogelijk mensen.

Misschien een beetje obligaat, maar goed: ik heb drie kritische kanttekeningen bij het boek. Een: het boek is eurocentrisch, zelfs belgo-centrisch. Het zou fraai geweest zijn om het perspectief meer open te trekken en te bekijken wat de vergrijzing wereldwijd betekent. Want ook als er naar andere landen wordt gekeken, het blijft een heel westers verhaal. Tegelijk is die focus natuurlijk ook strategisch: het is een politiek boek dat wil ingrijpen in de Belgische politieke discussie over de vergrijzing. Twee: het technologisch en economisch optimisme van de groei blijft aan het boek ten grondslag liggen, terwijl we weten dat groei in een eindig systeem ecologisch onhoudbaar is. Die paradox zie je voortdurend onder de tekst zwemmen. In dezelfde lijn – drie – is het vreemd dat de auteur, die nochtans goed beseft dat we op een ecologische catastrofe afstevenen, nergens de bevolkingsexplosie als factor, als element van die catastrofe in beeld brengt of ook maar erkent. Hij ontkracht dat argument evenmin. James Lovelock, de grote ecoloog, schatte dat onze biosfeer eigenlijk maar 3 miljard mensen aankan. We zijn onderweg naar het driedubbele.Dat is het nadeel van een soort links vooruitgangsgeloof en techno-optimisme dat ervan uitgaat dat het er ‘genoeg is voor iedereen’ en dat het alleen maar gaat om een verkeerde, ongelijke verdeling. En het geloof, ook, dat men nog op tijd kan overschakelen op een kleinere voetafdruk.

Maar laat mijn zure, neo-malthusiaanse oprisping de pret niet drukken. Het is verfrissend om nog eens een optimistisch, voluntaristisch, werkelijk progressief – in de zin van ‘vooruit-strevend’ – boek te lezen. Debooseres pleidooi voor een lagere pensioenleeftijd en kortere arbeidsduur, en vooral zijn ontkrachting van de argumentatie van ideologische denktanks als Itinera, levert knetterend leesplezier op. Maar het is zeker geen goedkope afrekening: elke bewering wordt zeer goed onderbouwd (met voetnoten en al) en de redeneringen worden zorgvuldig opgebouwd.

Lang leve de vergrijzing is ook relatief goed aangekomen. Ik vernam dat het boek al bijna door zijn tweede druk heen is. Het verdient zonder meer een derde druk en zeker ook meer maatschappelijk debat, want de enige grote Vlaamse kwaliteitskrant, bijvoorbeeld, heeft er nog geen lettergreep aan vuil gemaakt. Ook toch een beetje typisch. Hoe men boeken over uiterst relevante thema’s zoals vergrijzing en de verhoging van de pensioenleeftijd zomaar naast zich neer kan leggen. Een mooi alibi is altijd dat het boek over te veel domeinen tegelijk gaat. En nog een beter alibi: dat het nu al oud nieuws is. Wel, ik durf met deze late boekbespreking nogmaals aandacht te vragen voor dit boek.

Men zou het boek, in termen van de Franse filosoof Michel Foucault een lofzang op de biopolitiek kunnen noemen: de zorg van de staat voor het leven van de bevolking, een nieuwe entiteit die in beeld komt aan het begin van de moderne tijd. De statistiek en de demografie vormen voor Foucault belangrijke pijlers van de opkomst van deze tendens. Het boek levert een krachtig argument voor een affirmatieve, positieve opvatting van biopolitiek: de democratisering van de levensverwachting is onmiskenbaar een ongelofelijke realisatie. Lang leve de vergrijzing betekent sinds de lectuur van dit boek, op wetenschappelijke grond en voor altijd: ‘weg met de verhoging van de pensioenleeftijd!’ Maar het leert je veel meer dan dat: misschien is dit wel een van de beste boeken die in de Lage Landen zijn geschreven tegen het neoliberalisme. Het boek is uiterst leerzaam voor beginners en zeer genietbaar voor gevorderden. Kortom, een must read.

 

Recensie: Lang leve de vergrijzing van Patrick Deboosere door Lieven De Cauter

EPO, 2020

Geplaatst op 22/12/2020

Categorie: Non-fictie, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.