Literatuur als tijdsdocument

Grondstof

Jörg Fauser (vert. Marten de Vries)

Een bevriend kunstenaar, tuk op recreatief, intraveneus druggebruik, waarschuwde me ooit: ‘Schrijf nooit over druggebruik.’ De reden van zijn waarschuwing was dat een drugsrelaas vandaag bijna altijd verkeerd wordt gelezen. Er wordt immers al snel van uitgegaan dat de betreffende schrijver zich als romantische held wil profileren, dat hij koketteert met zijn verslaving – terwijl een echte verslaving natuurlijk niet iets is om tuk op te zijn; ze overkomt de verslaafde. Het enige, ietwat dubieuze voordeel van zijn verslaving is dat hij weet hoe hij zijn dagen moet inrichten, wat voor veel niet-verslaafden elke dag toch weer een moeilijke opdracht is. De grote, bekende drugsromans werden niet toevallig tussen de jaren 1950 en 1980 geschreven: ze pasten in een tijdgeest, waarin werd gezocht naar manieren om met het oude denken komaf te maken, wat natuurlijk resulteerde in heel wat vrijblijvendheid. Wie tegenwoordig losbandigheid en verslaving tot thema’s maakt, wordt niet zelden getrakteerd op een geeuw. Een andere waarschuwing zou kunnen zijn: ‘Schrijf nooit over een hoofdpersonage dat een boek schrijft.’ Want dat soort metafictie hebben we ook wel gehad.

Grondstof gaat over een schrijver die drugs gebruikt. De roman verscheen voor het eerst in 1984 en werd onlangs uit het Duits vertaald, nadat hij in 2004 in Duitsland werd heruitgegeven en daar veel lof oogstte. Zo schreef een recensent in de Frankfurter Allgemeine Zeitung: ‘Eén van de allerbeste Duitse romans ooit. Waarom was dit boek er zo lang niet? Onbegrijpelijk.’ Het Oostenrijkse Der Standard noemde het boek één van de belangrijkste boeken ‘voor de tegencanon van de Duitse literatuur’.

Ik weet niet of ik het daarmee eens ben. Als volwassen lezer in 1984 zou ik het zeker graag hebben gelezen. Ook nu, dertig jaar later, heb ik de roman met een soort genot gelezen, maar dan meer met het genot van een historicus of een archeoloog die iets opgraaft wat hij al eerder heeft gedolven; hij herkent het object maar bekijkt het toch nog eens aandachtig, want het blijft een interessant object. Het frisse geluid van de zogenaamde tegencanon hoor ik echter helaas niet. Het is bijvoorbeeld, om maar iemand te noemen, voldoende om Hunter S. Thompson te hebben gelezen om te weten hoe dit proza functioneert. In het nawoord schrijft Benjamin von Stuckrad-Barre (1975) over de auteur: ‘Daarbij trekt hij zich geen lor aan van literaire conventies, de genres versmelten – thriller, dagboek, roman, sprookje – en zo komt alles samen, in een fantastisch boek.’ Ik geef hem gelijk, maar zijn duiding van dit genre is vandaag niet langer opzienbarend. Dat hoeft ook niet: inmiddels mag alles, zelfs binnen de canon van de mainstream, op voorwaarde dat het smaakt of ontregelt.

Jörg Fauser (1944-1987) vertelt het autobiografische verhaal van zijn alter ego Harry Gelb, junk en aspirant-schrijver. Zoals Fauser zelf, leeft ook Gelb eind jaren zestig in de Istanbulse drugswijk Tophane. Hij is verslaafd aan ruwe opium, moet zoals iedere arme junk scharrelen en ritselen om aan zijn dagelijkse dosis te komen. Wat hem overkomt, vormt de grondstof voor zijn literatuur. Hier is een schrijver aan het woord die leeft om te kunnen schrijven en niet schrijft om te kunnen leven – als dit onderscheid al zo scherp kan worden gesteld. Gelb: ‘En wat kon een schrijver beter overkomen dan tussen deze misère te zitten en zich te trainen in overleven? Dit was de plek waar een schrijver thuishoorde. Dit was de plek waar mythes ontstonden, groeiden en triomfeerden. […] Dacht ik.’

In dat ‘dacht ik’ zit de ironie die in heel het boek terug te vinden is. Harry Gelb (of Jörg Fauser) is toch niet zo zeker van zijn queeste. Maar tegelijk getuigt hij van de blik waar menig schrijver ziek aan is. Want als hij na een razzia weer eens in de gevangenis belandt, zegt hij: ‘Ik wist dat ik er binnenkort over zou schrijven.’ Hij bevindt zich immers altijd al in de tekst, want elke handeling, hoe verheffend of smerig ook, is grondstof voor waar het werkelijk om gaat: het verslag achteraf.

In dit verband zei iemand me ooit: schrijvers voelen geen pijn. Want ze stoppen elke emotie meteen in hun speciale herkauwersmaag, waar de tekst wordt voorbereid. Dat is het heimelijke plezier dat aan het schrijven voorafgaat. Gelb: ‘We waren op weg naar de Berlijnse Underground, hij om revolutie te maken, ik om materiaal te verzamelen voor mijn nieuwe roman. Ik keek wel uit om dat te zeggen. Ik was ook anarchist.’ Of elders: ‘Een man de liefde afpakken was zo goed als moord, maar met een schrijfmachine kwam hij er wel overheen.’

In 43 korte hoofdstukken volgen we het onnavolgbare parcours van Harry Gelb. (Wat ik nu plots opmerk: Jörg Fauser werd 43, wat hij natuurlijk niet kon weten – of misschien wel, want hij stierf in onopgehelderde omstandigheden: hij werd ’s nachts, één dag na zijn verjaardag, lopend op een snelweg in München gegrepen door een vrachtwagen. Ook zo ontstaan mythes.) Onnavolgbaar parcours? Natuurlijk is het na te volgen, maar ik heb er geen zin in om dat hier te gaan reproduceren. Het komt erop neer dat Harry Gelb als in een soort draaideurtragedie van het ene baantje in het andere valt (bewaker, bagagedrager, portier, hoofdredacteur van een obscuur blad, filmmaker…), gaat dealen, meisjes leert kennen, enzovoort, met als rode draad het boek waaraan hij werkt. Maar misschien is het toch eerder een draaideurkomedie, want echte wanhoop komen we niet tegen en de toon is altijd relativerend: het is wat het is. Gelb – geel – is dan ook, zegt men, de kleur van de hoop, van verandering ook.

Dat boek probeert hij eerst aan gevestigde, dan bij kleine, obscure uitgeverijen te slijten. Niemand lijkt geïnteresseerd in zijn roman, getiteld Stamboul Blues. Die zoektocht levert de mooiste passages op, maar ook: alle clichés uit de jaren 1970 worden bevestigd. Tijdschriften worden gestencild en uitgevers uit de underground zijn laveloze, bezopen figuren in kamers waar de boeken liggen opgestapeld, te midden van lege flessen en volle asbakken. Wat een plezier, wat een ellende ook. Pas aan het eind van Grondstof krijgen we iets uit Stamboul Blues te lezen: ‘Danse macabre in de Spitfirebar. Door pokken gelittekende Massai uit de bidonvilles van Alexandrië dansen in nauwe omstrengeling met de afgevaardigden van de Wereldraad van Kerken.’ Gelb verdedigt zijn schriftuur door ze te duiden als ‘nieuwe literatuur’.

Grondstof kan derhalve ook gelezen worden als een afrekening met die nieuwe literatuur. Fauser laat ene Lou Schneider zeggen: ‘Je wilt niet weten door hoeveel shit ze vaak in Amerika moeten waden voordat ze ooit een kans krijgen. Als ik sommige van die lui in East Village voor me zie – Jezus, daarbij vergeleken is het wereldje hier toch je reinste kinderpartijtje! Zo’n Carl Solomon, die zijn Howl heeft opgedragen aan Ginsberg, die loopt nu tegen de zestig, geen haren meer, geen tanden meer, houdt zich slechts met breukbanden en steunkousen en klysma’s en protheses overeind, vijfhonderd elektroshocks achter de rug, en nog altijd rotsvast in literatuur geloven en onverstoorbaar aan een gedicht vijlen, dat noem ik klasse!’ Waarop Gelb antwoordt: ‘Dank voor je steun, Lou. Zet me maar af op de hoek.’ (Zo staat het althans in de vertaling: Solomon die Howl opdraagt aan Ginsberg.)

Uiteindelijk verschijnt van Gelb eerst Eisbox, vervolgens Stamboul Blues: ‘[H]et typoscript wemelde van de fouten.’ En niemand leest het uiteraard. Over Eisbox:

We hadden het manuscript laten reproduceren zoals het uit de typemachine was komen rollen, daarbij een paar bescheiden fotomontages, krantenknipsels, recepten etc. De tekst was weliswaar nogal warrig […] – maar het was tenslotte de tijd van het experiment, van bewustzijnsverandering, van nieuwe wegen. In één woord: Underground. Als Eisbox geen Underground was, wat dan wel?

Iets eerder denkt Gelb: ‘Een lineair verhaal of cut-up, welbeschouwd leek alles uitzichtloos.’

Een beetje uitzichtloos, want na het verschijnen van Stamboul Blues volgt Gelbs eerste lezing, ergens in de provincie, in een parochiezaaltje, voor CDU-dorpsjongeren dan nog wel. Maar nooit helemaal uitzichtloos, want als hij hardhandig uit een café op straat wordt gesmeten, filosofeert Gelb vanuit de immer hoopvolle goot: ‘Van dichtbij zag dit plaveisel er interessant uit, er liep zelfs een scheur door het asfalt en in die scheur schoot zowaar een grasspriet op. Als dat zo is, dacht ik, kun jij ook wel opstaan.’

Grondstof is een vermakelijk boek, dat met een rotvaart geschreven is. Het biedt uit de eerste hand inkijk in een periode toen idealisten (of idealistische egotrippers) nog breed lachend hun tijd verneukten. Althans, dat is het perspectief van dit boek. Op de een of andere manier leest het allemaal erg vertrouwd. Het doet me ook nadenken over: literatuur als tijdsdocument of als tijdloos document?

Links

Leesmagazijn, Amsterdam, 2014
ISBN 9789491717055
295p.

Geplaatst op 08/06/2014

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.