Proza, Recensies

Middelnederlandse mystiek in tijden van massatoerisme en #MeToo

Messias van niks

Michiel Cox

Toen de Leuvense professor Franz Joseph Mone in 1830 op twee anonieme handschriften stootte in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel, wist hij niet waar hij het had. In de folia trof hij onstuimige liefdesliederen aan, brieven die zich als morele richtwijzers lieten lezen en visioenen waarin een vrijpartij met Christus werd verbeeld. Verder onderzoek wees uit dat de teksten door een zekere Hadewijch werden geschreven, een Middelnederlandse mystica wier identiteit tot op vandaag in nevelen gehuld blijft. Door het gebrek aan biografische gegevens over de schrijfster en de opvallende meerduidigheid van haar schriftuur oefenden Hadewijch en haar werk algauw een enorme aantrekkingskracht uit op de meest uiteenlopende individuen. Leden van de liberale intelligentsia riepen haar uit tot een ketterin die de vrije geest vierde, surrealistische kunstenaars gingen in haar teksten op zoek naar beelden om het onderbewuste bloot te leggen en flamingante filologen stelden haar werk voor als de vruchtbare grond waarin de wortels van het Vlaamse volk hadden kunnen ontkiemen. Ook buiten de Lage Landen raakte Hadewijch een gevoelige snaar: zo verwerkte de Argentijnse dichter Juan Gelman enkele van haar Liederen in zijn bezwerende liefdeslyriek en voerde de Franse cineast Bruno Dumont in Hadewijch (2009) een jonge kloosterzuster met diezelfde naam op, die door haar allesverterende liefde voor Christus in de armen van een groepje jihadisten wordt gedreven.

 

In zijn romandebuut Messias van niks (2019) voegt Michiel Cox een nieuwe vertakking toe aan het grillige pad dat Hadewijchs oeuvre sinds de negentiende eeuw heeft afgelegd. Die vertakking mondt uit in Vuchelt, een (fictief) Vlaams dorp dat volledig in de ban is van een (eveneens fictieve) processie ter ere van de Middelnederlandse mystica, waarrond zich een hele herinneringscultus heeft uitgekristalliseerd. Wanneer zich een nieuwe inwoner in Vuchelt aandient die zich presenteert als de ‘Nieuwe Hadewijch’, wordt het ingedommelde dorp bruusk opgeschrikt uit zijn ingesleten routines. Inwoners en toeristen, pelgrims en persagentschappen: alle aanwezigen in het dorp hebben hun eigen visie op wat Hadewijch vandaag kan betekenen. Een strijd breekt los: iedereen is bereid om een persoonlijke kijk op de mystieke schrijfster met hand en tand te verdedigen en stelt alles in het werk om de gezichtsloze mystica naar eigen inzicht te verbeelden – en op die manier meester te worden van haar verhaal. In alternerende hoofdstukken gunnen vier vertellers – een Vucheltse wierookverkoopster (Jeannine), een Nederlandse journaliste (Miriam), een van zijn geloof gevallen priester (mijnheer pastoor) en een seksueel gefrustreerde jongeman en zelfverklaard Hadewijchkenner (Sven) – de lezer een blik op de consternatie die rond de Vucheltse Hadewijchcultus ontstaat. Door te tonen hoe religieuze teksten met een grote poëtische zeggingskracht de gemoederen in een mum van tijd kunnen doen oplaaien, brengt Michiel Cox met Messias van niks een boeiende reflectie op de brandbom die mystieke literatuur ook vandaag nog kan zijn. Mystieke teksten komen immers erg dichtbij: vaak hanteren lezers ze als spiegels om hun eigen beeltenis in te bewonderen. En zoals Cox laat zien, levert dat niet altijd een fraai gezicht op.

 


Mystiek als citymarketing

 

Volgens de Vucheltenaren was hun dorp ooit een ‘oord van pure schoonheid’ waar Hadewijch niet alleen haar laatste jaren doorbracht, maar ook haar belangrijkste mystieke werken neerpende. Vandaag is die glorie echter definitief verleden tijd: ‘Het is geen fijne woonplek, een groot deel van de huizen staat leeg en de gemiddelde inwoner is een gefrustreerde, werkloze arbeider die terugverlangt naar de tijd dat hij aan de band kon staan.’ Doorgaans ligt het dorp er verlaten bij, maar in de periode waarin de Hadewijchprocessie plaatsvindt, lokt het duizenden toeristen van over heel de wereld. Die kunnen er een wandeling volgen naar de grot waar de schrijftafel van de mystica wordt bewaard. Om de omzet van de lokale economie te bevorderen, beslist het schepencollege om toeristentegels in het voetpad te verankeren, die de bezoekers via de winkeliers en de lokale horeca naar de Hadewijchgrot leiden. Aan die toeristen – die in de roman als eendimensionale personages worden neergezet – verdient onder anderen Jeannine, die een wierookwinkeltje uitbaat, grof geld. Wanneer de eerste bussen van het seizoen arriveren, hangt ze nieuwe labels aan de zakjes om de wierook te adverteren als ‘Hadewijchwierook’, waarvoor ze drie keer de normale prijs kan vragen.

De toeristen laten het zich allemaal welgevallen. Met plezier betalen ze het achtvoudige van de standaardprijs voor een kamer in Hotel Hadewijch of huren tegen woekerprijzen een bed in een door particulieren aangeboden logeerkamer. Die accommodatie mag dan ‘duurder dan New York’ zijn, ze stelt de toeristen wel in staat om het authentieke karakter van de Hadewijchcultus te ervaren. En daar is het hen om te doen: in een Chinese reisgids staat de Hadewijchprocessie immers in de ‘top tien van alles wat je gezien moet hebben in België’. Niet alleen wordt de processie die haar naam draagt als een must see voor de globetrotter voorgesteld, ook het onderwerp van Hadewijchs mystieke teksten, de minne, wordt als exportproduct in de markt gezet. Zo presenteert Sven, die visitekaartjes met het opschrift ‘Hadewijchkenner – Connaisseur d’ Hadewych’ uitdeelt, de minne als een onvertaalbaar begrip met hetzelfde marketingtechnisch potentieel als hygge, de Deense gezelligheid waar woonbladen vandaag bol van staan. Op die manier verschijnt Hadewijch in Messias van niks als een toeristische marker à la Manneken Pis. Ze verwordt tot de unique selling proposition van een verder troosteloos Vlaams dorp dat, in een poging om niet volledig betekenisloos te blijven, de Middelnederlandse mystiek tot citymarketing verheft.

 


Pelgrims en toeristen

 

Dat alles verandert wanneer Odetta op het toneel verschijnt. Nadat de relatie met haar man en kinderen is verzuurd door een van haar erotische escapades, komt de terminaal zieke vrouw, die afkomstig is uit een niet nader genoemde Vlaamse kustgemeente, aan in Vuchelt. Meteen blijkt dat ze niet voldoet aan de aldaar vigerende normen: ze parkeert haar rode Nissan op het Kerkplein – terwijl ‘dat niet mag, er staan sinds een jaar borden die het verbieden!’ –, praat te luid en kan de ‘g’ niet naar behoren uitspreken. Wanneer Odetta na een vurig gebed tot Hadewijch op miraculeuze wijze geneest van pancreaskanker, werpt ze haar oude gedaante af en vervelt ze tot een moderne incarnatie van de mystica die haar van de dood heeft gered. Odetta roept zich uit tot ‘Nieuwe Hadewijch’ en verzamelt een schare acolieten rond zich die ze de ‘Volgelingen van Odetta’ doopt. Ze verplicht haar aanhangers om een beige pij aan te trekken – ‘voor de uitstraling was het belangrijk dat iedereen er hetzelfde uitzag’ – en teksten van Hadewijch te declameren op het Kerkplein, om zo zieltjes te scoren voor haar beweging. Ze wint snel aan aanhang en ‘de toeristen vinden het geweldig’.

Die interactie tussen de toeristen en Odetta’s Volgelingen leidt tot koldereske taferelen die bij momenten doen denken aan Zygmunt Baumans overpeinzingen over de gelijkenissen en verschillen tussen pelgrims en toeristen in een vloeibaar geworden wereld. Wanneer een Nederlandse familie de Hadewijchgrot bezoekt waar Odetta haar favoriete Visioenen ongevraagd aan bezoekers voorleest, blijkt dat de klederdracht van een Nederlands gezin erg op die van Odetta’s Volgelingen gelijkt: ‘de ouders hadden beige broeken aan, de twee kinderen droegen hoedjes in dezelfde kleur.’ Maar hoewel Odetta’s pelgrims en de buitenlandse toeristen in wezen niet zo verschillen – allemaal zijn ze op zoek naar iets onbestemds, dat ze in de herinnering aan Hadewijch hopen te vinden – hebben ze toch een andere kijk op wat de mystica voor hen kan betekenen:

Odetta vertelde over haar mirakel, de man gaf aan dat ze mocht stoppen met praten; de kinderen hoorden het toch niet: ‘Nou, hartstikke leuk wat u doet. Staat u hier het hele jaar? Of is het alleen voor die processie binnenkort?’ […] ‘De kids vinden het amazing, dat is zeker. Het is zo schattig hier. We willen later nog terugkomen voor een picknick tijdens zonsondergang. Tot hoe laat werkt u?’

Gedesillusioneerd door de tourist gaze die ‘haar’ Hadewijch tot handelswaar herleidt, besluit Odetta zich af te keren van de kerkelijke autoriteiten die ze verantwoordelijk acht voor de commerciële uitbuiting van de Hadewijchprocessie. Die beslissing leidt niet alleen tot een radicalisering van haar beweging – die alles in het werk stelt om Hadewijch heilig te verklaren, bulldozers laat aanrukken om haar beenderen op te graven, ‘valse broeders’ bedreigt en leuzen als ‘Weg met de ongelovigen’ scandeert – maar zorgt ook voor een meningsverschil met de priester van het dorp (die de wat knullige naam ‘mijnheer pastoor’ toebedeeld krijgt). Die heeft het niet op Odetta’s nieuwlichterij begrepen, en wil Hadewijch tot elke prijs behoeden voor religieuze recuperatie – hij ziet haar immers vooral als een dichteres: ‘Hadewijch was een dichtende begijn, geen heilige, geen genezende kracht, geen goddelijk wezen, maar een begijn met een heerlijke, sterke pen.’ Hij kan het dan ook niet verkroppen dat Odetta ‘Hadewijch als lijdend voorwerp’ hanteert.

Die zinsnede lijkt te raken aan de kern van Cox’ roman: niet alleen fungeert Hadewijch voor heel wat van de personages als een scherm waarop ze hun dromen en idealen projecteren, ook dient het thema van de toe-eigening van de mystica als een kapstok waaraan Cox allerlei hedendaagse hete hangijzers kan ophangen: van religieus extremisme en spirituele commercie tot toxic masculinity en xenofobie, van massatoerisme en culturele appropriatie tot fake news en #MeToo. Daarbij kiest hij voor een sjabloonachtige opzet, waarin de soms wat karikaturaal aandoende personages als allegorische typen lijken te functioneren die symbool staan voor de maatschappelijke tendensen die in de lens van de Hadewijch-appropriatie gevangen worden.

 


‘Voor Vuchelt vooral’

 

De inwoners van het dorp claimen Hadewijch bovenal als een door en door Vuchtelts icoon. Die identificatie baseren ze op het onderzoek van ene professor Rokelaar, die zijn hele leven wijdde aan de studie van Hadewijchs werk, en een persiflage vormt op de flamingantische jezuïet Jozef van Mierlo, die vanaf het begin van de twintigste eeuw een stroom aan studies over Hadewijch genereerde en haar werk tot tweemaal toe uitgaf:

Het ergerlijkste aan [Hadewijchs] internationale bekendheid is dat iedereen zich haar probeert toe te eigenen. Zo staat ze in de Franstalige wereld bekend als Hadewijch d’Anvers. Het zou Hadewijch de Vuchelt moeten zijn, dat heeft het onderzoek van professor Rokelaar in het begin van de vorige eeuw aangetoond. En hij heeft gelijk want hij was een jezuïet, die werken altijd grondig.

Van Mierlo’s voornaamste doel was om de mystica te beschermen tegen heterodoxe recuperatie, en door middel van filologisch onderzoek aan te tonen dat ze wel degelijk Vlaams én katholiek was. In tegenstelling tot wat kwatongen beweerden, droeg Hadewijch volgens hem geen universalistische spiritualiteit uit, maar belichaamde ze de ‘eerste uiting in schoonheid van wat tot de wezenstrekken van de Vlaamsche ziel moet gerekend: het diep-godsdienstig-mystisch leven.’ In Messias van niks wordt die Vlaamse identificatie van Hadewijch vernauwd tot een Vucheltse: de dorpelingen beschouwen haar als ‘een Vucheltse beroemdheid’ en stellen zelfs dat ze ‘meer Vuchtels is dan katholiek’. Dat komt treffend tot uiting in de Vucheltse Hadewijchleuze, die tijdens de processie wordt gescandeerd ‘alsof het de naam van een voetballer is’:

De minne es al,

voor Vuchelt vooral.

De dood is dichtbij,

door Hadewijch komt Vuchelt in de hemel d’rbij.

Waar het bekende citaat ‘die minne es al’ uit Hadewijchs 25ste Brief veelal wordt gelezen als een affirmatie van het universele karakter van de mystieke liefde, krijgt het in deze context een regionalistische invulling. Hadewijchs minne mag dan tot ieders beschikking staan als toeristisch consumptieartikel; als uithangbord van Vuchelt blijft de mystica de exclusieve eigendom van het dorp dat haar te gelde wil maken. Cox relateert die Vucheltse toe-eigening van de Middelnederlandse mystica aan de (soms wat dik aangezette) xenofobe reflexen van zijn personages. Die schilderen Chinezen af als ‘een vreemd volk’ dat ‘noedels slurpt als ontbijt’ en onbegrijpend ‘met hun stokjes in de hand’ naar een schilderij van Hadewijch tuurt. Ook de Nederlandse journaliste Miriam, die naar Vuchelt is afgezakt om een reportage over de Hadewijchcultus te schrijven voor een online magazine, wordt voortdurend op haar afkomst afgerekend: ‘Miriam is de enige lelijke Nederlandse vrouw ter wereld, ze is even afschuwelijk als het taaltje dat ze spreekt’.

 


Online hagiografie

 

Die misogyne karakterisering van Miriam is exemplarisch voor de kijk op vrouwen die het merendeel van de personages erop nahoudt. Een van de meest opvallende uitingen daarvan is wellicht de manier waarop Odetta wordt geportretteerd. Zo verwijzen de personages naar haar ‘vreemde lichaam’: ‘het leek met haken en ogen aan elkaar te hangen en het ontbrak haar aan iedere vrouwelijke vorm. Ze was bijna een personage: op de grens tussen karikatuur en mens, tussen schets en schilderij.’ Dat Odetta expliciet als een personage wordt voorgesteld, is geen toeval. In de roman komen immers verschillende stemmen aan het woord, maar die van Odetta krijgt de lezer alleen indirect te horen. Alles wat die over haar verneemt, wordt gefilterd door de vier vertellers, die haar neerzetten als een hyperbolische karikatuur van de hysterische vrouw.

Ook in meer letterlijke zin wordt Odetta tot een personage gereduceerd: Miriam typecast haar als een van de karakters over wie ze het liefst schrijft: ‘echte mensen aan de rand van de samenleving of mensen die schijt hebben aan hoe het heurt’. Aanvankelijk vindt Miriam Odetta’s getuigenis over haar miraculeuze genezing te absurd om er een reportage aan te wijden, maar wanneer haar hoofdredacteur haar aanmaant om ‘nieuwe content aan te leveren’, ziet ze zich genoodzaakt om toch in haar pen te kruipen. Daarbij schrikt ze er niet voor terug om Odetta’s verhaal ‘een duw te geven, niet te hard, maar genoeg om er wat conflict in te brengen’. Zo is Miriam degene die Odetta na haar genezing influistert dat zij wel eens een reïncarnatie van Hadewijch zou kunnen zijn, en port ze haar eveneens aan om zich tegen de Kerk en de effecten van het massatoerisme in de Vucheltse gemeenschap te keren. Wanneer Miriam haar hoofdredacteur een eerste versie van de reportage doorstuurt, is die laaiend enthousiast: ‘Nou, dit gaat viraal, dat weet ik wel zeker. Doe even een interviewtje, dan zetten we dat online. Een soort teasertje, weet je wel?’

Aanvankelijk is Odetta erg in haar sas met de aandacht die ze van Miriam krijgt. Maar wanneer Miriam ook de pastoor van het dorp interviewt, omdat ze die ideaal acht als ‘antagonist van het verhaal’, is haar protagoniste misnoegd. Voor de tegenstem van de Kerk is volgens Odetta geen plaats in de reportage; zij is ‘nog steeds de baas van haar verhaal’. Toch weet Miriam Odetta ervan te overtuigen dat ze een geoefende pen nodig heeft om haar boodschap te verkondigen: ‘Denk je dat je ooit van Jezus had gehoord zonder zijn evangelisten? […] Je wilt toch dat de lezers een sterke vrouw leren kennen?’

Door te tonen hoe het verhaal van een vrouw met onorthodoxe ideeën wordt gekneed en vervormd en in een mum van tijd een eigen leven gaat leiden, relateert Cox Odetta’s historie op treffende wijze aan dat van de mulieres religiosae, de dertiende-eeuwse mystieke vrouwenbeweging waartoe ook Hadewijch wordt gerekend. Het levensverhaal van vele van die religieuze vrouwen werd immers eveneens ingekapseld door de narratieven die anderen over hen schreven: in hun hagiografieën over mystieke vrouwen als Christina de Wonderbare, eigenden (mannelijke) schrijvers als Thomas van Cantimpré zich het recht toe om het levensverhaal van die vrouwen aan te dikken, naar hun hand te zetten en op die manier tot lijdend voorwerp van hun eigen spirituele visie te reduceren. In die zin is het ironisch dat Odetta, die de controle over haar eigen verhaal verliest, zich als een Nieuwe Hadewijch profileert. Hadewijch was immers een van de weinige mystieke vrouwen van wie de eigen teksten bewaard zijn gebleven: haar verhaal kan de lezer in haar eigen (vaak cryptische) bewoordingen leren kennen, over haar werd geen enkele vita overgeleverd en, voor zover we weten, werd haar werk pas in een latere fase door anderen toegeëigend. Odetta’s verhaal, daarentegen, is al bij aanvang niet meer het hare: het wordt meteen opgeblazen tot online content voor ‘zo’n verhaal waarvan je niet zeker wist of het fictie was’. Om lezers te lokken, zet Miriam in op de sensationele aspecten van het verhaal – een strategie waar ook de hagiografen van de mystieke vrouwenbeweging niet vies van waren. Toch kan ook Miriam het auteurschap van Odetta’s verhaal niet claimen: ze werd immers gedwongen om het op te tekenen door haar (mannelijke) hoofdredacteur, die zich op zijn beurt laat leiden door de winstmarges die de clickbait genereert.

 


De minne en #MeToo

 

Miriams toe-eigening van Odetta’s verhaal krijgt in de loop van de roman een spiegeleffect wanneer ook zij herleid wordt tot het wensverhaal van iemand anders. Nadat Sven gedroomd heeft dat hij in een besneeuwd veld (dat hij als de vlakte der volmaakte deugden uit Hadewijchs ‘Eerste Visioen’ identificeert) een maanverlichte champignon aantreft die hem van zijn erectieproblemen afhelpt, stelt hij alles in het werk om de liefde te bedrijven met Miriam: haar achterwerk vereenzelvigt hij immers met de lustopwekkende paddenstoel uit zijn droom. Voor Sven staat de minne gelijk aan genot. Ook verderop in de roman wordt zijn toxische mannelijkheid expliciet aan Hadewijchs oeuvre gerelateerd. Tijdens een wansmakelijke verkrachtingsscène, waarbij Sven als de karakteristieke geweldenaar in een #MeToo-scenario uitgaat van allerlei foute vooronderstellingen (‘Je wilt het al zo lang!’), projecteert hij zijn male gaze op het (fictieve) portret van zijn favoriete mystica:

Mijn oog valt op de koorkap met het portret van Hadewijch. Zag ik maar even wat zij zag, mijn lichaam dat sierlijke bewegingen maakt, het zweet op mijn voorhoofd, het moet een prachtig schouwspel zijn. Alles heb ik aan Hadewijch te danken. En nu, terwijl ik Miriam haar spartelende lijf neerduw en in de goede positie houd, borrelen de woorden op: ‘Mont in mont ende herte in herte ende lichame in lichame.’ Ook ik ben één met een ander, zoals Hadewijch één was met Christus.

Op die manier lijkt het wel alsof ook de zelfverklaarde Hadewijchkenner, die zich meermaals uitlaat tegen de ‘verheiliging’ van Hadewijch – en die hij als een ‘verkrachting’ van de schrijfster beschouwt – zich aan zijn idool vergrijpt.

Niet alleen Sven bezondigt zich aan de (al dan niet metaforische) verkrachting van Hadewijch: hoewel mijnheer pastoor zich tot doel heeft gesteld om de mystica tegen dergelijke vormen van oneigenlijk gebruik te beschermen, is ook hij niet zuiver op de graat. In wat enkele van de meest raak geformuleerde passages van de roman vormen, beschrijft Cox hoe de priester een vrouw voor zichzelf verzint. Die moet als een surrogaat voor zijn eenzaamheid dienen en lijkt verdacht sterk op de mystieke schrijfster wier werk hij zo graag voordraagt tijdens de mis:

Haar haar was grijs, maar nog steeds lang. Ik wilde niet dat het kort werd: dan zou ze lijken op die oude vrouwen uit de kerk. ‘Je wil dat ik Hadewijch ben,’ zei ze ooit tegen me. ‘Je laat mijn haar lang en wit worden, zoals Hadewijchs witte kap, en ik praat in verzen.’
‘Je hebt gelijk,’ zei ik, ‘maar je hebt geen visioenen.’ Ze lachte en zei dat dat er nog aan ontbrak, dat Jezus vanop een gouden troon bezit van haar nam. Ik zei dat ze ooit Hadewijch heette, ze draaide met haar ogen.

Op die manier projecteert ook de priester zijn wensdromen op de figuur van Hadewijch, die hij verbeeldt in de spiegeling van zijn eigen blik. In het volle besef dat hij zijn vrouw verzonnen heeft, maakt hij ’s morgens ontbijt voor haar klaar en laat hij zijn manier van kijken en denken in haar ogen en woorden weerkaatsen. ‘s Avonds put hij troost uit de conversaties die hij in het echtelijke bed met haar voert. In tegenstelling tot zijn makke parochianen durft zij het immers aan om wat hij zegt in vraag te stellen, hem daarbij aankijkend ‘met die doordringende blik, de blik van de God die [hij] zelf schiep.’

 


Allegorische tekenfilm

 

Met Messias van niks toont Cox overtuigend aan dat het verhaal van de toe-eigening van een middeleeuwse mystica resoneert met heel wat debatten die vandaag op de publieke agenda staan. De sjabloonachtige opzet die hij daarbij hanteert vormt tegelijk de sterkte en de zwakte van de roman. Doordat niet alleen Odetta, maar alle personages als ‘een figuur uit een tekenfilm’ geportretteerd worden, functioneren ze als allegorische typen die de hete hangijzers die Cox behandelt op een vaak rake en hilarische manier verzinnebeelden. Mogelijk viel de keuze voor de coverafbeelding daarom op Masked Ball (2014), een kleurrijk werk van de Belgische striptekenaar Brecht Evens waarop Ensoriaanse figuren in een kluwen van kleuren en vormen dansen en drinken. Maar doordat de strijd om de herinnering aan Hadewijch voornamelijk door stock characters wordt gevoerd, kostte het mij bij momenten moeite om écht in het verhaal te geloven: soms lijkt het meer ‘schets’ dan ‘schilderij’. Toch laat Messias van niks erg mooi zien hoe een middeleeuwse mystica de hedendaagse maatschappij een spiegel kan voorhouden – en daardoor blijft begeesteren.

Recensie: Messias van niks van Michiel Cox door Tijl Nuyts.

Atlas contact, Amsterdam, 2020

Geplaatst op 08/01/2020

Tags: #MeToo, Brieven, Christina de Wonderbare, Feminist, Flamingant, Hagiografie, Heilig, Jezuïet, Jozef van Mierlo, Liederen, Male gaze, Massatoerisme, Messias, Michiel Cox, Middelnederlandse mystiek, Mirakel, Mulieres religiosae, Mystieke teksten, Priester, Theologie, Thomas van Cantimpré, Tijl Nuyts, Tourist gaze, Visioenen, Vlaams nationalism, Vuchelt, Zygmunt Bauman

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.