Proza, Recensies

De zwaan en de zeemeermin

Mijn lieve gunsteling

Marieke Lucas Rijneveld

In Mijn lieve gunsteling, de tweede roman van Marieke Lucas Rijneveld (genomineerd voor de Libris Literatuurprijs), wordt de lezer vanaf bladzijde één meegezogen in de gedachtestroom van een negenveertigjarige veearts die verliefd wordt op een veertienjarig meisje, de dochter van een veehouder. Waar men De avond is ongemak (2018) met Het smelt (2016) van Lize Spit vergeleek, dringt zich nu een referentie op aan Vladimir Nabokovs Lolita (1955): Rijnevelds verhaal neemt de vorm aan van een apologie gericht aan magistraten. In tegenstelling tot Humbert Humbert, die zijn verhaal pas wil publiceren na de dood van Lolita, richt de veearts zich expliciet tot het slachtoffer, zijn lieve gunsteling: ‘dit is het verhaal van de veearts en zijn hemelse uitverkorene, dit is voor jou, voor als je later terugkijkt en je afvraagt of ik van je hield’. Dat opgedragen karakter is ook terug te vinden in de adressering van de apologie (‘VOOR JOU’), al kunnen deze woorden ook een uitnodiging zijn voor de lezer om de rol van rechter of jury aan te nemen.

De schuldbekentenis zelf bestaat uit ellenlange door komma’s aaneengeregen zinnen die goed weergeven hoe het raast in het hoofd van de veearts. Zijn gedachten tollen over elkaar heen in de vorm van agrarische, wild opeengestapelde metaforen en vergelijkingen: ‘Lieve gunsteling, ik zeg het je maar meteen: ik had je in dat steilorige hoogseizoen als een zweer met een hoefmes uit de klauwlederhuid moeten verwijderen’. De hoofdpersoon van die innerlijke monoloog is echter niet zozeer de ‘ik’, maar veeleer de gunsteling (‘jij’), waarvan de veearts de leef- en belevingswereld minutieus blootlegt, als ware ze een ‘ontleedstuk’ op zijn dissectietafel: ‘ik vroeg me af of je wist […] dat ik je eindeloos bekeek en bestudeerde, dat ik alles onthield wat je zei, wat je deed, hoe je bewoog, dat jij mijn ultieme practicum zou zijn’. Die intieme inkijk geeft aan de monoloog een verraderlijk meerstemmig karakter, want in de schuldbekentenis van de veearts klinkt de stem van de gunsteling door, maar de veearts bepaalt volledig de perceptie: alles wat we over het meisje te weten komen is gefilterd door zijn blik.

De retoriek van de verbeelding

Het veertienjarige meisje uit Mijn lieve gunsteling doet denken aan Jas uit Rijnevelds debuut De avond is ongemak: ook zij groeit op in een gereformeerd plattelandsgezin dat gebroken is na het verlies van een verongelukte broer, de ‘verlorene’. De emotionele en fysieke afwezigheid van steunpilaren zorgt ervoor dat de gunsteling toevlucht zoekt in fantasie: ze heeft net zoals Jas een fascinatie voor de dood, Hitler en piemels. De verbeelding van de gunsteling gaat echter nog een stuk verder dan die van haar evenknie: ze voert regelmatig gesprekken met Freud, gelooft dat ze een van de Twin Towers heeft doorboord en identificeert zich voortdurend met dieren. De veearts heeft die leegte opgemerkt en speelt in op haar behoefte aan liefde: hij geeft haar aandacht, biedt een luisterend oor, spreekt haar taal (‘ik moest meegaan in je gedachtegang’). Niemand heeft ondertussen in de gaten dat diezelfde veearts zijn Fiat ombouwt tot een liefdespaleis met een matras ‘gemaakt van traagschuim en koudschuim, en twee kussens gevuld met eendendons’.

De figuur van de veearts, die door de gunsteling ‘Kurt’ wordt genoemd (naar Kurt Cobain), verscheen eerder al in de coulissen van De avond is ongemak, en lijkt ook rond te wandelen in Fantoommerie (2019), een bundel waarin het thema van kindermisbruik doorschemert in de gedichten ‘Voorleesvaders’ en ‘De schemering van het geweten’. In dat laatste gedicht gebruikt Rijneveld verschillende motieven die zullen terugkeren in Mijn lieve gunsteling (het ijsje, de matras, de vogel, het geweten): 

Om de hoek kopen we een ijsje []  en ik fluister
dat ik bij haar blijf tot het eind der dagen, het hoorntje is zo taai dat ik
er een metafoor bij zou kunnen verzinnen, maar we moeten hier alles
afleren wat steeds om geruststelling vraagt, beweeg mijn kruis te veel
tegen matras en knuffel, maak soms daders van ze of de vrouw in de
jurk die in het huis woont die pas bij fantasie een voordeur krijgt, iets
met ontblote billen en eenmaal jongen geworden laat ik mij smelten
tot de zesjarige die als een weekdier gevangen in jampotje door glas
vergroot werd tot wie hij niet was

De veearts toont veel gelijkenissen met de gespleten ‘ik’ uit dit gedicht: ook hij maakt van zijn matras een dader en laat zich in zijn fantasie voortdurend tot een kleine jongen smelten, omdat hij als kind almaar ‘vergroot werd tot wie hij niet was’. De veearts is nooit echt kind geweest, hij werd meteen in een volwassen keurslijf gedwongen door het psychologisch en seksueel geweld van zijn moeder: ‘ik bedacht daar ineens dat ik als klein jongetje nooit had gehuppeld, ik was als volwassene geboren en volwassenen huppelen niet’. Dankzij de gunsteling kan hij van de jeugd proeven die hij nooit heeft gekend: ‘in mij zat een klein behoeftig jongetje dat het liefst wilde spelen, dat met jou plezier wilde maken’.

In datzelfde gedicht vinden we nog een ander belangrijk motief uit Mijn lieve gunsteling terug: ‘de liedjes die we meeneuriën zijn / in onze hoofden geplant: wie een ontaarde jeugd heeft gehad, kent / inmiddels zijn klassiekers.’ Het meisje en de veearts, beiden getekend door een ‘ontaarde jeugd’, kennen hun klassiekers op een draad: ze communiceren voortdurend met elkaar via referenties aan muziek, films en literatuur. Die culturele referenties staan daar niet zomaar, ze hebben een functie: Mijn lieve gunsteling is net als Lolita een allusierijke en dubbelzinnige roman met meerdere bodems. De veearts lijkt erg op Nabokovs Humbert Humbert: hij is een welbespraakt man, maar psychologisch instabiel. Zijn traumatische kindertijd veroorzaakt nachtmerries en waanvoorstellingen, waarbij heden en verleden in elkaar schuiven. Feiten en fictie slaat hij ook dooreen: na het zien van de film Unfaithful (2002) droomt hij er voortdurend van zijn moeder te hebben doodgeslagen met een sneeuwbol. Daarnaast heeft de veearts last van paranoia, zo denkt hij vaak dat de gunsteling liegt (‘ik zag dat je iets achterhield’) of achtervolgt hij concurrenten die in zijn fantasie waanachtige proporties aannemen (‘dan schrok ik wakker van De Kikker, die in mijn droom op het dashboard zat en kwaakte dat ik je nooit zou bezitten’). Die psychologische toestand tast ook zijn beeldvorming aan. De veearts is een onbetrouwbare verteller die citaten aanhaalt die de gunsteling nooit in de zomer van 2005 kan gezegd hebben, zoals haar uitspraak over de presidentsverkiezing van Sarkozy (die pas in 2007 plaatsvond): ‘het eerste wat je tegen me zei was dat als Carla Bruni en Mick Jagger samen waren gebleven Sarkozy nooit tot president van Frankrijk zijn verkozen’. Hij vergelijkt haar ook met de snikkende Duffy uit ‘Warwick avenue’, terwijl deze plaat pas in 2008 uitkwam:

Ik denk nog vaak aan die openingszin, aan die keer in de melktankstal toen je voor het eerst tegen mij begon te praten en je vertelde over het nummer ‘Warwick Avenue’. Ik weet soms niet zeker meer of je dat echt gezegd hebt, dan twijfel ik aan mijn eigen heugenissen want het nummer zou pas drie jaar na die bewuste zomer verschijnen, dus hoe kan het dan dat je daar toen over was begonnen

Door die dwalingen wordt de grens tussen droom en werkelijkheid flinterdun: soms lijkt de gunsteling meer een uit referenties opgebouwd droombeeld van de veearts dan een reëel persoon. Wanneer Kurt een vraag stelt, antwoordt ze bijna altijd machinaal met een citaat: ‘[D]us lispelde je dat je ook van mij hield en ik vroeg of je het meende en je zei met de woorden uit een liedje van Herman Brood: I love you like I love myself, and I don’t need nobody else.’ Die referenties en citaten zijn soms zo erudiet dat de lezer argwanend moet worden: hoe geloofwaardig is het dat een kind van veertien voortdurend Freud aanhaalt? Hebben we te maken met de gedachten van een kind of met de hersenspinsels van een veel oudere veearts? Het frequent gebruik van de hypothetische tijd in de apologie (‘je zou zeggen dat’, ‘je zou vertellen dat’) laat vermoeden dat de gesprekken met de gunsteling nooit hebben plaatsgevonden en dus ingebeeld zijn.

Die citaten leiden daarnaast tot een dubbelzinnig en verwarrend kluwen, waarbij het onderscheid tussen waarheid (het kind dat spreekt) en fictie (het kind dat een boek, film of lied citeert) volledig vervaagt. Dat is bijvoorbeeld het geval in de volgende passage: 

je was al veertien jaar, zei je, en het werd hoog tijd dat je je met het grotere werk ging bezighouden, en je lispelde: I want to know what love is, I want you to show me. Het ging helemaal aan me voorbij dat je uit een nummer van Foreigner citeerde [] ik voelde mijn wangen warm worden en vroeg me af of je wel besefte wat je vraag betekende

Wie lispelt hier over liefde? De gunsteling die vanuit het hart spreekt? Of de gunsteling die zonder meer een nummer van Foreigner citeert? Het is noemenswaardig dat de Fata Morgana haar lievelingsattractie is. Je zou de uitspraken van het meisje namelijk ook als drogbeelden kunnen beschouwen: haar woorden maken deel uit van een imaginaire fantasiewereld, het zijn holle citaten zonder werkelijke betekenislaag. De veearts verzoekt haar meermaals om rechtuit te spreken: ‘ik zei dat je moest stoppen met citeren, dat je moest zeggen wat je écht wilde zeggen’. Taal wordt hierdoor een gevaarlijk spel met veel interpretatieve valstrikken. De gunsteling vindt dat heen en weer gooien van citaten ‘een heerlijk spelletje’ maar doorziet de dubbele bodems van haar taalgebruik niet. De veearts, die nogal snel verdwaalt in ‘de paardenkopnevel van [z]ijn eigen lusten’, maakt misbruik van die drogcitaten om zichzelf een vrijkaart te geven ‘om de knoop van [haar] broek los te maken’. Zijn antwoord op ‘I want to know what love is, I want you to show me’ luidt als volgt: ‘ik wilde je leren what love is, hoe grillig mijn kennis ook’.

De retoriek van de misleiding

Maar is het verhaal wel zo eenzijdig? Soms lijkt het alsof de gunsteling maar al te goed weet waar ze mee bezig is. ‘Ik ben een kraai, een raaf, ik ben een reiger, ik ben de vogel die je het meest vreest’, sist ze. De vogel waar de veearts voor moet vrezen, is ongetwijfeld de sirene: het meisje waant zich zowel mens als vogel, kan heel goed zingen en Ariël de zeemeermin staat op haar lievelingstrui… De gunsteling is een ongrijpbaar persoon (de veearts krijgt concurrentie van De Kikker, zijn zoon en later De Rat) die Kurt verleidt met haar mooie stem en woorden: zij begon als eerste tegen de veearts te praten, betovert hem met suggestieve zinnen (‘Als ik jouw Bonnie ben, wil jij dan mijn Clyde zijn?’) en brengt hem uiteindelijk ten val via haar album Kurt12. Interessant is dat de veearts haar meermaals vergelijkt met een actrice die de kunst van de misleiding goed beheerst (‘je loog je hele inboedel bij elkaar’). De gunsteling is een shapeshifter die zich niet alleen naargelang de situatie aanpast ‘aan het veranderde script’, maar ook van fysieke gedaante weet te verwisselen: ze kan zich zowel transformeren in een vogel, een otter en De Kikker. Dat laatste personage is een ‘liefje’ van de gunsteling, maar ze doet zichzelf ook graag voor als De Kikker, omdat ze graag een jongen wil zijn.

De vraagt rijst of de gunsteling werkelijk een shapeshifter is of dat de veearts haar gedaante gewoon zelf naar zijn hand zet. Het lijkt wel of hij bij momenten een femme fatale van het meisje maakt omdat hij zich door haar misleid en bedrogen voelt: ‘daar was je goed in, in andermans hart stelen, je deed het altijd zo secuur dat diegene er pas veel later achter zou komen en dan was het te laat, dan was je al in iemand gekropen’. De gevaarlijkste vogel uit het verhaal is overigens niet de sirene maar de zwaan: ‘je zou sturen dat de vogel niemand meer pijn wilde doen, sinds het verhaal over Leda en de zwaan wist je donders goed dat ik hier de echte vogel was’. De veearts is het alter-ego van Zeus, de dolverliefde maar afgewezen oppergod die zich in een prachtige zwaan veranderde om Leda te veroveren. Hij benadert de gunsteling vanuit een schijnidentiteit, doet zich voortdurend mooier voor dan hij werkelijk is: leuke dingen, zoals posters van Nirvana, beltegoedkaarten en beloftes over een reis naar Stavanar, maskeren zijn gruwelijke daden. Hij is een meester in de manipulatie, maakt voortdurend misbruik van zijn ‘kennis van de wereld, van [z]ijn schijnveiligheid’. De gunsteling, die schemert tussen jongen en meisje, gelooft blindelings zijn opgemaakte verhaal over piemels: dat als ze met hem vrijt, ze eindelijk het jongensgewei zal krijgen waar ze zo naar verlangt…

Manipulators houden hun slachtoffer in de greep door in te spelen op hun zwakke plek. De achillespees van de gunsteling is haar verlatingsangst. Wanneer ze zich van de veearts wil losmaken, sneert hij dat ze niet zonder hem kan en vergelijkt hij haar met ‘een kalf met een retractie van de buigpezen […], waardoor het amper op de voorpoten kon staan’. Dat taalgebruik is typerend voor de veearts. Hij kent vaak dierlijke eigenschappen toe aan de gunsteling, waardoor een machtsverhouding tussen beide partijen ontstaat: zij is de ‘prooi’, hij is het ‘virus’ of de ‘parasiet’. Die kwetsbaarheid en weerloosheid voeden zijn superioriteitsgevoel: ‘ik proefde de weerstand zoals ik die voelde wanneer ik een drenchgun in de bek van een ooi duwde om haar te injecteren tegen maden en ik de lens van het pistool tussen de kiezen en de wangzak stak, maar je was weerloos, mijn hemelse uitverkorene, je was zo weerloos.’

Voor je het weet val je als lezer ook ten prooi aan de trucs van de veearts: hij is een parasiet die langzaam binnendringt ‘onder je huid, als leverbot in een rund’. De lange zinnen van de innerlijke monoloog hebben een verdovend effect: je kan niet stoppen met lezen, je wordt meezogen. De zwaan windt je stilaan om de vinger: je krijgt steeds meer empathie voor de dader, je gaat steeds meer meeleven met de man die zelf ook slachtoffer was van kindermisbruik en gebukt gaat onder allerhande schuldgevoelens (de dood van zijn zus, van de ‘verlorene’, van de veehouder). Even later bekruipt je dan weer het onbehagelijke gevoel dat diezelfde persoon een minderjarig meisje aanraakt ‘zonder naar de signalen te kijken’ en zijn gezin als dekmantel gebruikt om zijn verlangen naar ‘jonge meisjes-nimfijnen’ te maskeren… Dat maakt de lectuur van Mijn lieve gunsteling pervers, maar tegelijk ook gelaagd. Rijneveld vertelt geen zwart-wit verhaal, ze laat de lezer spartelen in een schemergebied waarin de grenzen tussen goed en kwaad volledig vervagen.

Een levensgroot kuiken

Rijneveld is zelf ook een sirene: ze verleidt met speelse, bloemrijke taal die erin hakt en de lezer voortdurend ontwricht. Haar proza is even poëtisch als haar poëzie prozaïsch is. Ze schrijft treffende vergelijkingen in haast encyclopedische termen: ‘zo herhaalde ze meermaals dat als ze merkte dat ik een jokkebrok was, ze met een aardappelschilmesje mijn tong eraf zou snijden zoals ze de uitlopers van de opperdoezers eraf sneed’. De sterkste passages uit Mijn lieve gunsteling zijn ongetwijfeld de suggestieve droomscènes. Die bevatten zoveel ontsporende metaforen en beeldassociaties dat de lezer het er vaak het raden naar heeft: wie personifieert het levensgroot kuiken dat de veearts achtervolgt? De verlorene die hij doodgereden heeft? De veehouder aan de trap van de balustrade die even blauw kleurt als het kuiken? Of het dode zusje dat net zoals het ‘lief donzig kuikentje’ recht uit de moederschoot in de armen van de hebberige jonge Kurt rolde? Het kuiken kan ook simpelweg het ingebeelde alter-ego van de veearts zijn, een beetje zoals Claire Quilty – het volwassen personage waar Lolita op verliefd wordt en dat haar ‘redt’ van de pedofiel Humbert Humbert, terwijl hij haar zelf dwingt om in zijn pornofilms te spelen – het spiegelbeeld is van Humbert Humbert: een immens groot kuiken met ‘enorme […] snavel’ en ‘hoge poten’ vloekt even hard als een ‘reus in kinderland’…

Die stilistische krachttoeren kennen we ook al uit De avond is ongemak, waarvoor Rijneveld vorig jaar de International Booker Prize won. Nu heeft haar proza echter duidelijk aan kracht en maturiteit gewonnen. Ik kan tegen een hoop smerigheid (poep, snot, automutilatie, dierpesterijen, obscene sekspelletjes, …), maar de ontsporing van Jas las meer als een aaneenrijging van geforceerde en gezochte shockeffecten dan een desintegratie van de normaliteit: een tienjarig meisje dat een kaasboortje aanbrengt in het poepgaatje van een koe? Of, samen met haar broer Obbe, een vriendin insemineert met het sperma van een stier? In Mijn lieve gunsteling wekt de agrarische metaforiek soms nog steeds op de lachspieren (ik denk aan de scène waarin een door ecstasy doorgeslagen stier Joris met zijn horens dood spietst), maar de taal is nu meer in balans en beter gelaagd dan in haar debuut. De veearts is ook veel geloofwaardiger dan Jas. Daarin ligt misschien nog de grootste perversiteit van deze roman: de dader overtuigt meer dan het kind. Marieke Lucas Rijneveld toont hiermee de kracht en reikwijdte van taal: Mijn lieve gunsteling is een knap staaltje redenaarskunst waarvoor het ‘imaginaire publiek’ (‘VOOR JOU’) graag applaudisseert en een buiging maakt.

Een recensie door Steffie Van Neste over Mijn lieve gunsteling door Marieke Lucas Rijneveld.

Atlas Contact, Amsterdam, 2020
ISBN 9789025470142
363p.

Geplaatst op 07/05/2021

Tags: International Booker Prize, kindermisbruik, pedofilie

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.