Moederschap als ziekte?

Vaderland

Herman Stevens

Begin september 2010 liet de boekenredactie van NRC Handelsblad Jonathan Franzens nieuwe roman Freedom door twee mensen bespreken: een literair criticus en een politicoloog. Kennelijk waren er twee soorten recensenten nodig om de verschillende aspecten van het boek recht te doen. Dat zou vaker moeten gebeuren, zij het dat de benodigde ruimte in de praktijk ten koste zou gaan van een ander boek. Een Nederlandse roman die zo’n dubbelrecensie verdient, is Herman Stevens’ zesde roman Vaderland. Met dit boek pleegt hij een boeiende literaire interventie in het maatschappelijke debat over de plaats van een kind in het leven van de ouders en over de emancipatoire posities van vader en moeder. Daarnaast vormt de roman een speelse satire op een Wassenaarachtig dorp en zijn bevolking, en niet te vergeten, op de literaire wereld in Nederland. In het laatste geval zijn de typeringen van Stevens paradoxaal genoeg zo raak, juist omdat hij zijn protagonisten uit diverse personen samenstelt, zodat Vaderland geen flauwe roman à clef wordt. Evenmin is er sprake van een realistische zedenschets van een door een kinderwens desintegrerende relatie of een psychologische roman over een gestoorde moeder. Vaderland wordt op een kundige wijze in balans gehouden door de manier waarop Stevens het verleden in het heden monteert aan de hand van (jeugd)herinneringen van zijn hoofdpersoon Hugo van Loon. Zo mijmert hij over een prille jeugdliefde, het begin van zijn literaire carrière en vooral over zijn moeder.

Het land waaruit niemand terugkeert

Hugo van Loon is een vijftiger en een auteur die zijn dagelijks brood vooral verdient met het schrijven over wijn. Daarnaast verkiest hij het flierefluiten boven kinderen. Van Loon had in zijn leven allerlei relaties, maar de eerste die beklijft is Loes: lerares Frans, mooi, sexy, grappig, intelligent. Zij brengt regelmaat en discipline in zijn leven. Hugo kan zijn geluk niet op. Totdat haar vader overlijdt en haar opgeruimde stemming begint te veranderen. Ze verhuizen van Amsterdam naar een groot huis in het ‘over het paard getilde kustplaatsje W.’. De mooie tijden lijken terug te keren. Dan deelt Loes hem mee dat ze een kind wil.

Van Loon vertelt haar hoe bang hij is dat zij hun leven zullen kwijtraken: ‘En dan heb ik het niet eens over een huis waar je je nek breekt over speelgoed of dat we drie minuten per week overhouden voor elkaar, met de babyfoon onder het kussen. Ik maak me vooral zorgen dat we van die ouders worden die alleen via hun kind leven. Die altijd achter hun kind aanrennen omdat ze het harder nodig hebben dan hun kind hen. Kijken met kinderogen en praten over kinderdingen.’ Loes antwoordt: ‘Maar daar zijn we toch zelf bij?’ Hugo laat zich overhalen, uit liefde voor Loes, uit interesse in het nieuwe kind. Niet door maatschappelijke conventies of door sociale druk van familie, vrienden, kennissen, collega’s, buren, media, iconen, geestelijke en andere functionarissen.

Wat Van Loon vreest, geschiedt. In een knap parallel proces beschrijft Stevens hoe zijn protagonist het steeds benauwder krijgt en diens echtgenote steeds monomaner opgaat in het komende moederschap. ‘Like the vortex in a draining bathtub,’ zoals John Updike dat stelde in zijn roman Bech at Bay (1990).

Die benauwdheid uit zich in nachtmerries. Zo ziet Van Loon een reusachtig gezicht voor het raam dat naar hem zoekt: ‘Het huis was te klein.’ Als de predictortest uitwijst dat Loes zwanger is, heeft ze een fles champagne in de koelkast gezet. Maar ze drinkt natuurlijk geen druppel. Loes is voortaan elke seconde bezig met haar gezondheid. Ze vraagt zich constant af of ze het kind nog voelt, hoe het kind reageert. Ze is niet zozeer overbezorgd, maar totaal gefixeerd. Haar zwangerschapstoestand definieert Loes letterlijk en positief als ‘een drug’, maar bij haar werkt die eerder geestvernauwend dan -verruimend. We kennen de voorbeelden van ouders die kniebeschermers voor hun kruipende baby’s aanschaffen, maar bij Loes gaat het verder: ze houdt zoveel van het ongeboren kind dat ze bij bevallingscomplicaties liever zelf zou sterven dan dat ze haar kind verliest. De obsessie is hier immers compleet. Nadat het kind is geboren – Ze noemen haar Simone – gaat die niet over. Nu en dan trekt iemand een wenkbrauw op als het stel de zoveelste oppas wegbonjourt, maar de omgeving lijkt deze obsessie te tolereren. Van Loon woont voorgoed in het land waaruit niemand terugkeert.

Jeugd

Gaandeweg groeit de suggestie dat Loes Van Loon wist te strikken omdat zij sterk lijkt op zijn moeder, onder wier dood hij als adolescent erg heeft geleden. Zij was lerares Frans, net als Loes. Tegelijkertijd wordt duidelijk dat Loes in niets lijkt op de andere vrouwen in Van Loons leven. Zijn uitgeefster, die eveneens een eerste kind heeft gebaard, vindt het bijvoorbeeld al spoedig prettig een paar dagen in de week aan Luierland te ontsnappen. Weer een ander type moeder – van volwassen kinderen – is de jeugdliefde die contact met hem zoekt. Subtiel en fraai beschrijft Stevens de liefde tussen de twee pubers, in een ver en vervlogen verleden. Van Loon realiseert zich dat die tijd definitief voorbij is. Op een fijnzinnige manier schetst Stevens ten slotte het cultuurloze rijkemensendorp waar Hugo en Loes wonen en hij borstelt even raak de wereld van de commerciële opiniebladen en die van de literatuur.

De kranten

Behalve in zijn roman, sprak Stevens zich ook uit over de vaderrol in een debat in NRC Handelsblad van 19/20 juli 2010. Hij stelt dat mannen werk van hun vaderschap moeten maken, wat alleen kan als de vrouwen het ‘moedermonopolie’ loslaten. Vaderland gaat dan ook niet over het onuitstaanbare gedrag dat jonge stellen soms vertonen. Stevens’ roman behandelt het verschil tussen een reguliere, zij het oudere, vader en een vrouw wier vroegere leven volkomen is geïmplodeerd. Haar enige identiteit is die van moeder. Uiteraard wil ze niet meer werken, want de aandacht voor het kind eist haar vierentwintig uur per dag op. Vrienden en kennissen bestaan niet meer en Hugo fungeert nog slechts als een inpandige oppas omdat het kind ‘een vader nodig heeft’. Wanneer hij een keer vreemd gaat – dus in de ogen van Loes zondigt tegen de vaderrol – kan hij meteen vertrekken. Het meest beklemmende van het hele verhaal is dat Loes volstrekt niet dom of kortzichtig was, maar juist een geestige, intelligente en bijzondere vrouw, die als een zelfstandig individu in haar relatie stond.

Het is boeiend om te zien dat dezelfde Republiek der Letteren, die Van Loon zo hekelt, in werkelijkheid de essentie van Vaderland uitstekend blijkt te begrijpen, vooral het ongeluk van de hoofdpersoon. Met uitzondering van Edith Koenders in de Volkskrant die spreekt van ‘gewoon de zoveelste roman over een man met een midlifecrisis’ en de ooit door hetzelfde dagblad afgedankte columnist Gerry van der List in Elsevier (het weekblad is nota bene in Vaderland nauwelijks vermomd als Van Loons wijnmedium). De laatste refereert aan het publieke geheim dat Van Loon mede geïnspireerd is op de journalist Hendrik Jan Schoo en vindt een roman ‘over alweer een tobbende schrijver […] totaal niet boeiend’. Maar die eenduidige verwijzing naar Schoo strookt niet met de werkwijze van Stevens. Hij plukt elementen uit allerlei bestaande personen en situaties en smeedt tot nieuwe combinaties die tezamen een haarscherp beeld geven van de sfeer van onze Republiek der Letteren. Pim Fortuyn betreedt bijvoorbeeld het toneel als Frits Appel, die niet doodgaat: ‘een ex-professor, ex-troubleshooter, ex-herrieschopper, eigenlijk een ex-alles’. Overigens pakte geen enkele recensent de verwijzingen naar Stevens’ debuut Mindere goden (1990) op. Een zesde roman plaats je immers in het hele oeuvre, zou je denken. Het lijkt er echter op dat auteurs als Stevens blij mogen zijn dat ze nog een paar korte besprekingen krijgen van critici aan wie niet de ‘grote’ auteurs en ‘belangrijke’ boeken worden toevertrouwd. Terwijl het toch de dominante critici zijn die invloed op literaire jury’s uitoefenen.

Prijs?

Ik hoopte dat Stevens’ roman bekroond zal worden. Die kans wordt steeds kleiner, want Vaderland stond ook niet op de shortlist voor de Librisprijs 2011. De professionele literaire consensus over een boek als Vaderland vertaalt zich de laatste jaren zelden in een belangrijke literaire prijs. De laatste Libris ging bijvoorbeeld naar een boekje dat exact het ongereflecteerde tegendeel vormt van Stevens roman: Kleine dagen van de Bernard Dewulf. Het volstaat om de adequate omschrijving van Maarten ’t Hart te citeren: ‘knusse kitsch met een hoog schattigheidsgehalte van een kasplantcolumnist die maar door blijft zwijmelen over de verrukkingen van het vaderschap.’ Daarvoor ging deze prijs naar een roman over een joodse Amsterdammer die valt op dikke zwarte vrouwen en vaak voor Marokkaan wordt aangezien. Navrant is dat Stevens de afgelopen jaren in diverse opiniestukken het mechanisme van de bestsellercultuur heeft beschreven.

Maar misschien duikt er in de kwaliteitsmedia alsnog opeens een lovend essay op, waarin een vermaarde socioloog, psycholoog of sociaal-psycholoog Vaderland de hemel in prijst als uitmuntende literaire beschrijving van een toenemend syndroom. Soms maken die wetenschappers overigens deel uit van literaire jury’s.

Links

Prometheus, Amsterdam, 2010
ISBN 9789044609950
224p.

Geplaatst op 31/03/2011

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.