Filosofie, Signalement

Na ons de zonvloed

Vuur

Een vergeten vraagstuk

Ignaas Devisch

Toen de Pool Nikolaj Kopernik in 1543 de aanvankelijk louter hypothetische theorie publiceerde dat niet de zon rond de aarde, maar de aarde samen met de andere planeten rond de zon draait, hebben we het geocentrisme afgezworen en het heliocentrisme omhelsd. We zijn daarin evenwel niet ver genoeg gegaan, zo luidt de stelling van de Vlaamse filosoof Ignaas Devisch (1970) in Vuur.

Antropologen zijn het erover eens: vuur is de gangmaker van de menselijke beschaving. Oeroude verhalen leggen hiervan getuigenis af. Het bekendst is allicht de Griekse mythe over Prometheus, die uit onvrede met de onbeholpenheid van de mensen het vuur van de goden steelt en vervolgens de mensen leert hoe ermee om te gaan. De oppergod Zeus aanziet dit als een daad van hoogverraad en vervloekt Prometheus: als straf wordt die vastgeketend aan een bergwand, waar een arend elke dag stukken uit zijn immer groeiende lever komt pikken. De boodschap is duidelijk: vuur is geen speeltje, de beheersing van het vuur heeft een prijs. Die dubbelheid zijn wij, moderne mensen, uit het oog verloren, aldus Devisch. Of liever: na eeuwen worden wij vandaag opnieuw met die dubbelheid geconfronteerd.

In de premoderne tijd wordt vuur met een grote terughoudendheid gebruikt en met een bijna religieuze verering bejegend. Daar komt een eind aan zodra de wetenschappen van vuur een studieobject maken en in het wetenschappelijk onderzoek de vraag gesteld wordt wat verbranding is en hoe ontbranding ontstaat. De westerse beschaving, aldus Devisch, berust op een geperfectioneerde pyrotechniek: wij gebruiken vuur voor nagenoeg alles, voor het bereiden van voedsel, voor de verlichting en verwarming van onze woningen, voor het vervoer van goederen en mensen zowel over het land als in de lucht. Maar nooit hebben wij ons zorgen gemaakt over die afhankelijkheid, of beter over onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, omdat wij geloofden in ons meesterschap. Waarom zouden we nog nadenken over onze verhouding tot vuur als we het ons hebben toegeëigend? En wie neemt de verhalen over een straffende god nog ter harte?

Decennia lang hebben wij ons gedragen alsof er niets aan de hand was, alsof er geen rem stond op wat wij vooruitgang noemen, alsof niets op onze eindige planeet een oneindige groei in de weg stond, alsof de natuur een eindeloos reservoir van grondstoffen te bieden heeft. Wetenschappelijk onderbouwde en becijferde waarschuwingen over de luchtvervuiling en de aantasting van de ozonlaag, over zure regen, broeikasgassen en klimaatverandering hebben we stelselmatig genegeerd. Maar, zoals Devisch met Peter Sloterdijk constateert: ‘De atmosfeer heeft een geheugen: zij is de rook uit de schoorstenen van de vroege industriële revolutie nog altijd niet totaal vergeten en zal ook alles onthouden wat de kolencentrales van de ontwikkelde landen, de verwarmingsinstallaties van de megasteden, de vliegtuigen, de schepen, de auto’s van de welgestelden en de ontelbare open vuren van de armen op alle continenten in haar uitstoten, zelfs al wordt de helft daarvan gewoonlijk door oceanen en biosferen gebonden.’ Op die manier verbindt Devisch zijn vuurnarratief met de grote cultuurkritische theorieën uit de twintigste eeuw die pertinente vragen hebben geopperd bij de in het Westen ontstane ‘instrumentele rationaliteit’ en de dringende oproep hebben geformuleerd om de technische exploitatie van de aarde in te perken.

Maar wat te doen, nu de fossiele brandstoffen opgebruikt raken, de samenleving in haar geheel over zichzelf struikelt omdat ze door het zichzelf opgelegde tempo van versnelling en ontremming vermoeid is, en hoe langer hoe meer mensen aan een burn-out lijden? ‘Burn-out’: is er een geschikter woord om onze afhankelijkheid van vuur te vatten, is er een treffender symbool om onze uitputting te illustreren?

Devisch distantieert zich in elk geval van wat hij ‘het ecologisch calvinisme’ noemt. De kritische bedenking dat we ons consumeergedrag beter afbouwen, de oproep dat we moeten ‘consuminderen’ valt bij brede lagen van de bevolking niet in goede aarde. Die boodschap appelleert niet, aldus Devisch, omdat ze de mensen met een schuldbewustzijn opzadelt. Bovendien valt deze logica van de matiging niet te rijmen met de mechanismen die de dadendrang van hogere culturen aandrijven. Vooruitgang, emancipatie, zelfexpressie, rivaliteit, maximalisatie zijn de fenomenen die een beschaving stuwen, en die staan haaks op versobering. Daarom pleit Devisch voor een vernieuwd heliocentrisme: niet alleen helpt de zon ons om de beweging van de planeten te verklaren en te berekenen, ze maakt het ons ook mogelijk om de exit uit het fossiele tijdperk te organiseren. De wetenschap dat de zon in een kwartier tijd meer energie biedt dan de mensheid in een volledig jaar gebruikt, moet ons stimuleren om een andere oplossing te zoeken voor onze energiebehoeften. We moeten een technologische omgeving ontwerpen die het aardse leven van miljarden mensen laat draaien rond de kunde om de uitbundige geschenken van de zon te ontvangen.

De oplossing voor het nijpend energieprobleem die Devisch voorstelt, verrast en verbluft. Zijn afkeer van het ‘ecologisch calvinisme’ gaat zo ver dat hij geen halt wil toeroepen aan de verspilling waarop onze cultuur teert. Nee, we moeten een samenleving creëren die ons van de nodige energie voorziet zodat we niet hoeven in te boeten aan beschaving en welvaart. En beschaving, zo luidt het, bestaat uit de wil om boven jezelf uit te stijgen, beschaving is gericht op ‘meer en beter’. Uiteindelijk wil Devisch de notie ‘vooruitgang’ niet opgeven, en lijkt hij ook te weten wat vooruitgang inhoudt. Bladzijden lang put hij uit de cultuurkritiek die enkele twintigste-eeuwse filosofen – en niet de minsten: Martin Heidegger, Max Weber, Theodor W. Adorno – hebben verwoord, maar zijn eindoordeel luidt dat een beschaving enkel het westerse model van de afgelopen eeuwen kan volgen en dus gebouwd is op verspilling. Hij beroept zich op ‘antropologische en psychologische basisaannames’: mensen zijn ‘verlangende wezens die uitkijken naar meer’. De vraag wat ‘meer’ inhoudt, wordt niet gesteld. Dat ‘meer’ niet alleen de voorradige brandstoffen heeft opgebruikt, maar ook het leven van dieren en planten bedreigt en de mensen heeft opgebrand, wordt hier vergeten.

Het boek van Ignaas Devisch bevat veel informatie over de rol die vuur in onze materiële activiteiten en ons mentale leven heeft gespeeld. Het leest vlot, want het is geschreven in een verzorgde stijl met rustig opgebouwde redeneringen. Het is laagdrempelig: als je niet weet wie Prometheus is of Vesta, geen paniek. Met zijn controversiële conclusie draagt het ongetwijfeld bij tot de discussie. In de openingsbladzijden van zijn boek schrijft Devisch dat zijn gedachtegang als volgt kan worden samengevat: niet ‘na ons de zondvloed’, maar ‘na ons de zonvloed’. Ongetwijfeld een geslaagde woordspeling… Maar zelf vrees ik voor een catastrofale afloop als we elke vorm van matiging blijven afwijzen.

De Bezige Bij, Amsterdam, 2021
ISBN 9 789403 114514
262p.

Geplaatst op 02/03/2021

Tags: Ignaas Devisch, Klimaat, Klimaatverandering, Peter Sloterdijk, Vuur, Zon

Categorie: Filosofie, Signalement

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.