Proza, Recensies

Onder de hoed van een zelfmoordterrorist

De beloning

Fikry El Azzouzi

Of het na drie jaar nog niet te vroeg is om de tragische gebeurtenissen van 22 maart 2016 met humor van antwoord te dienen? Die vraag kreeg de Vlaamse auteur Fikry El Azzouzi onlangs voorgeschoteld tijdens een interview met de radiozender Bruzz. Doorgaans worden de aanslagen op de Brusselse metro en de luchthaven van Zaventem niet op humoristische wijze benaderd – daarvoor is het collectieve trauma te vers. Dat blijkt alleszins uit de wijze waarop kunstenaars vandaag aan de slag gaan met de herinnering aan de aanslagen. Drie jaar nadat Mohamed El Bachiri’s pakkende pleidooi voor ‘een jihad van liefde’ werd opgetekend door David Van Reybrouck, toeren Rashif Kaoui en Amara Leta met zijn getuigenis langs Vlaamse theaterzalen. Pendelaars die afstappen aan de metrohalte van Maalbeek worden dagelijks geconfronteerd met het gedicht ‘We Shall Stand for Love’ van Dorothy Oger, dat in verschillende talen op de tegelmuren prijkt. Dergelijke boodschappen van liefde of medemenselijkheid zal de lezer niet aantreffen in de nieuwe roman van Fikry El Azzouzi. In De beloning (2019) kiest de auteur immers resoluut voor een andere insteek: die van de satire. De roman is losjes geïnspireerd op de ‘man met het hoedje’ die te zien was op de bewakingsbeelden die daags na de aanslagen werden verspreid. Kort nadat zijn mededaders zich hadden opgeblazen in de luchthaven, bleek de terrorist Mohamed Abrini met een vissershoedje op het hoofd door de straten van Brussel te lopen. Drie weken later werd hij gearresteerd. Tot die tijd werd België bevangen door eenzelfde vraag: wie was de man met het hoedje?

Die vraag vormt het vertrekpunt voor El Azzouzi’s vierde roman. Daarin wordt het personage van de zelfmoordterrorist vertolkt door de puberende protagonist Zakaria, die na het overlijden van zijn vader in een identiteitscrisis terechtkomt. Ooit slaagde die laatste erin om tijdens een optreden de hoed van Michael Jackson te vangen, en ook de moves van de King of Pop beheerste hij tot in de puntjes. Zijn zoon koestert dezelfde sterallures. Zakaria draagt een hoed van konijnenhaar, grijpt graag naar zijn kruis, doet de moonwalk en slaakt te pas en te onpas hoge gilletjes. Zoals zijn grote voorbeeld, geeft hij zijn identiteit zorgvuldig vorm: hij stelt zich voor als Abu Batman, Wacko Jacko en The-Texas-Chainsaw-Massacre-part-two en doet er alles aan opdat de buitenwereld hem niet als een ‘Marokkaantje’, maar als een ‘echte’ Belg zou beschouwen. Maar dat blijkt gemakkelijker gezegd dan gedaan. Aan welke voorwaarden moet je immers voldoen om het keurmerk van ‘echte’ Belg op te kunnen eisen?

Op de boekvoorstelling van De beloning liet El Azzouzi even in zijn kaarten kijken. Zo merkte hij op dat zowel de protagonist van zijn nieuwe roman als Mohamed Abrini lijken op het burgermannetje – mét bolhoed – dat zich achter een glanzende appel verbergt op de surrealistische schilderijen van René Magritte. Dat dat mannetje geen gezicht heeft, mag dan de mogelijkheid bieden om zijn identiteit op velerlei manieren in te vullen, veel houvast biedt het niet. Het surrealisme is ondertussen immers tot een van de gladde gemeenplaatsen verworden waar België al te vaak mee wordt geassocieerd: het zou een ludiek landje zijn waar alles vierkant draait, een tikje bevreemdend, enigszins hol en even vlak en vrijblijvend als de meer kitscherige schilderijen van de Brusselse meester. België wordt bijgevolg vaak gepresenteerd als een brand, maar biedt op het eerste zicht weinig content. De beloning vormt een humoristische maar ook erg kritische verkenning van waar het merk ‘België’ nog voor kan staan in een multiculturele context.

 

Lachspiegels en middelvingers

 

Fikry El Azzouzi staat al langer bekend als een auteur die humor hanteert als een maatschappijkritisch scalpel. Dat doet hij onder meer in romans die naar eigen zeggen de ‘tijdsgeest weergeven door de verhalen te vertellen van jonge gasten van vreemde origine.’  Zo volgt hij in zijn deels autobiografische romantrilogie de lotgevallen van Ayoub. Die leert de lezer in Het Schapenfeest (2010) kennen als een jongetje dat een bizarre vriendschap aangaat met het schaap dat hij moet slachten voor het Offerfeest. In Drarrie in de nacht (2015) keert Ayoub terug als een hangjongere die zijn nachtelijke zwerftochten neerschrijft in een Waaslands wassalon en zo een inkijk biedt in de leefwereld van een Vlaamse drarrie. In Alleen Zij (2016) ontspint zich dan weer een romance tussen de volwassen Ayoub en Eva – en dat tegen de dystopische achtergrond van een doorgedraaide samenleving die klopjachten op moslims promoot. Die scherpe, maar bij momenten ook hilarische maatschappijkritiek voert eveneens de boventoon in El Azzouzi’s theaterteksten. En niet zonder succes. Zo werd Malcolm X (2016), een wervelend totaalspektakel waarin een internationale cast van meer dan twintig spelers, zangers en dansers een middelvinger opstak naar de blanke norm, uitgeroepen tot een ‘breekpunt in de Vlaamse theatergeschiedenis’.

Ook in zijn columns en opiniestukken is El Azzouzi bijzonder spits. Zo moest onder meer de Vlaamse filosoof Etienne Vermeersch het ontgelden: die zette hij neer als een ‘mediageile filosoof’ en ‘verlichtingsfundamentalist’ die, enkel en alleen omdat hij de Koran had gelezen, dacht te weten ‘hoe men hoofddoekjes moest strijken’. Met eenzelfde enthousiasme trapt El Azzouzi tegen de heilige huisjes van de Nederlandstalige literatuur. De idee dat Hugo Claus een richtwaarde voor de Vlaamse letteren zou zijn, bijvoorbeeld, mag voor hem op de schop. In tegenstelling tot het werk van Louis Paul Boon of Gerard Walschap ontlokken Claus’ gedichten – die voor vele van zijn ‘volgelingen’ de norm zijn, aldus El Azzouzi – hemzelf niet meer dan ‘enkele geeuwen, een luide scheet en een tussentijdse gedachte over wat [hij] straks wil eten’. Hoewel hij bekend staat als een belangrijke stem in het publieke debat, genomineerd werd voor de Libris Literatuurprijs, de 65e Arkprijs voor het Vrije Woord ontving en sinds enkele jaren tot de redactie van DW B behoort, cultiveert El Azzouzi een imago als outsider: ‘Nog altijd denk ik dat ik er niet écht bij hoor, en ik vind dat ook wel iets hebben: ik wíl er niet echt bij horen.’ Die positie schept de mogelijkheid om het literaire – en bij uitbreiding het hele maatschappelijke – bestel van buitenaf onder vuur te nemen. En laat dat nu precies zijn wat hij doet in De beloning.

            Het voornaamste mikpunt van spot in de roman is het personage van de zelfmoordterrorist. Zakaria wordt neergezet als een onzekere meeloper die snakt naar zelfbevestiging. Die zoektocht neemt algauw groteske proporties aan: zo vindt hij na de dood van zijn vader troost in de mollige armen van de Reusachtige Verpleegster. Die laatste biedt Zakaria gewillig haar diensten aan, maar blijft hem tot diens ergernis consequent aanspreken met ‘Marokkaantje’, wat hem ertoe brengt om op het hoogtepunt van de liefdesdaad uit volle borst te brullen dat hij wel degelijk een ‘Béééééélg!’ is. Wanneer Zakaria – die zich als gezinshoofd opwerpt nu zijn vader dood is en zijn moeder in een depressie is beland – zijn zusje Leyla een mep verkoopt, komt de kinderbescherming de drie kinderen ophalen. Vanaf dan komt het verhaal in een stroomversnelling terecht. Zakaria, Bilal en Leyla worden immers niet in een pleeggezin geplaatst, maar afzonderlijk te koop aangeboden op een veiling, waarna ze elk onderdak vinden bij een nieuwe ‘eigenaar’. In die bevreemdende gezinscontext maakt Zakaria kennis met de vuilbekkende Tupac Shakur – niet de rapper himself, maar een personage dat zich ook zo laat noemen en zowat alles en iedereen met ‘bitch’ aanspreekt. Te oordelen naar zijn ‘haviksneus’, ‘lichte snor’ en ‘grijpgrage vingers’ is die, aldus Zakaria, ‘een echte Marokkaan’. Tupac Shakur werpt zich op als Zakaria’s leidsman en troont hem mee naar Marokko. Na een vergeefse poging tot integratie aldaar zet het duo via een smokkelroute terug koers naar België, pleegt er een roofoverval en komt in extreemrechtse kringen terecht, om uiteindelijk verleid te worden door de verbale hocus pocus van de jihadistische haatprediker Abu X. Die belooft hen niets minder dan het Paradijs – op voorwaarde dat ze bereid zijn zich voor de goede zaak op te blazen.

El Azzouzi neemt niet enkel de martelaar-in-spe op de korrel. Iedereen wordt een lachspiegel voorgehouden in zijn satirische roman. Zakaria’s vader wordt neergezet als een macho die zijn zoon dan wel de moves van Michael Jackson aanleert, maar zijn opvoedkundige taken verder beperkt tot het kwistig uitdelen van pedagogische tikken. Ook religieus opportunisme wordt door de mangel gehaald: de kinderen van de Reusachtige Verpleegster staan te trappelen om zich tot de islam te bekeren ‘omdat ze dan een ijsje krijgen’ en Zakaria leert uit angst voor de hel zowel de Koran als de Bijbel uit het hoofd ‘omdat je uiteindelijk nooit weet wie er als overwinnaar uit de bus komt’. Bepaalde vormen van identiteitspolitiek worden eveneens belachelijk gemaakt. Zo verifieert Tupac Shakur of Zakaria wel een ‘echte’ Marokkaan is door hem in het Arabisch tot tien te laten tellen, en wanneer beiden in een vluchtelingenkamp op de Spaans-Marokkaanse grens terechtkomen, spoort hij hem aan om zich met de Sub-Saharaanse vluchtelingen in het kamp te identificeren:

 

‘We zijn hier tussen broeders, ze zijn zwart. Wij zijn ook zwart.’

‘We zijn helemaal niet zwart.’

‘Bitch, vanuit een bepaalde hoek zie ik er heel zwart uit.’

‘Vanuit welke hoek?’

‘Je mag haten zoveel als je wilt, ik ben in ieder geval niet wit, bitch.’

 

Ook om tot het clubje van ‘echte’ Belgen toe te mogen treden – Zakaria’s vurigste wens – worden absurde eisen gesteld. Een groep white supremacists belooft Zakaria dat ze hem als een van hen zullen zien als hij zijn kennis van het Nederlands bewijst. Dat kan enkel door een reeks tongtwisters foutloos op te zeggen. Daar kwijt Zakaria zich onverwacht met verve van. Resultaat: hij wordt voor het eerst in zijn leven deel van een groep. Zakaria mag dan al de ‘kleur van een drol’ hebben, aldus de voorzitter van de altright-beweging, ‘hij haat hiphop en luistert alleen naar Vlaamse schlagers en kleinkunst’, heeft ‘een diepe afkeer van de islam’ en ‘stamt voor vijftig procent af van de Vikingen’.

Niet alleen de rechterkant van het politieke spectrum wordt in De beloning voor schut gezet: El Azzouzi steekt ook meesterlijk de draak met de progressieve linkerzijde. Zo wordt Zakaria op de eerder vermelde veiling gekocht door ene meneer Patron. Nochtans had die vooraf aangegeven ‘eigenlijk op zoek te zijn naar een puppy.’ Voor de veilingmeester vormt dat geen probleem: ‘U kunt hem ook als huisdier gebruiken. Hij is erg gehoorzaam en als u goed kijkt, ziet u dat hij iets van een geslagen hond heeft.’ Wat volgt is een treffende satire op het paternalistische discours dat nog al te vaak te horen is in progressieve kringen. Meneer Patron heeft immers het beste voor met zijn nieuwe maatje, die hij de koosnaam ‘Jihaad’ toebedeelt (‘Het klinkt goed, bekt lekker, het schrikt mensen af, het past bij je uiterlijk, je religie, je cultuur, en het rijmt op “kameraad”’). Als Jihaad braaf de bal apporteert, krijgt hij hondenkoekjes als beloning. Meneer Patron is immers een idealist: ‘Ik ben je baasje, ik heb je geaccepteerd, dus is het mijn verantwoordelijkheid, mijn plicht om je de allerbeste zorg te geven’. Datzelfde idealisme beweegt meneer Patron ertoe om Jihaad een te groot T-shirt cadeau te doen, dat hij als een djellaba kan dragen – ‘Dat dragen jullie toch graag, een djellaba?’ – en om hem ’s nachts alleen in de tuin op te sluiten – ‘Jouw soort zie ik vaak op straat dus ik dacht dat je graag buiten rondhing.’ Het streefdoel van meneer Patron is om Jihaad uiteindelijk om te vormen naar het beeld dat hij van hem heeft: ‘Ik wil je kneden, vormen, en van jou iets beschaafds maken waar de hele samenleving trots op kan zijn. Jij zou een voorbeeld kunnen zijn voor je soort.’ Maar het spreekt voor zich dat Jihaad aan bepaalde voorwaarden moet voldoen, wil hij er écht bij horen: ‘Ik wil dat jij je goed voelt, zodat ik me ook goed kan voelen. Ik wil wel enkele belangrijke afspraken met je maken. We wonen nu eenmaal samen en samenleven zonder regels eindigt altijd in een kramp.’

Meneer Patron is niet de enige die Zakaria helpt om zichzelf beter te voelen. Europese vrijwilligers die de handen uit de mouwen steken in vluchtelingenkampen blijken er precies dezelfde drijfveer op na te houden. In het vluchtelingenkamp waar Zakaria en Tupac Shukar belanden, maken ze kennis met Sven en Suzanne, een Belgisch koppel dat voedselpakketten uitdeelt om achteraf een album vol selfies te kunnen samenstellen: ‘Don’t smile, boys. Be angry or be sad. If you cry it’s even better’. Ook Zakaria wordt geknuffeld – dat is toegestaan, want Suzanne en Sven hebben zich vooraf laten inenten – maar wanneer Zakaria opgewonden raakt omdat Suzanne hem te innig vastpakt, keert het koppel hem resoluut de rug toe. Sven had zijn vriendin nochtans gewaarschuwd: ‘Voorzichtig. Straks raakt hij te erg gehecht aan je en dan willen ze met je mee naar huis.’

 

Djinns als wegwijzers

 

El Azzouzi’s diagnose lijkt helder: het is Zakaria’s identiteitscrisis – mede in de hand gewerkt door een weinig inclusieve samenleving – die hem razendsnel doet radicaliseren. Toch leidt deze vaststelling niet tot een boodschapperig boek. Waar Alleen Zij, El Azzouzi’s voorlaatste roman, zich nog liet lezen als een pamflet tegen moslimhaat, overstijgt De beloning dat niveau ruimschoots. Hoewel de kracht van de roman zich bij een eerste lezing vooral aan de oppervlakte lijkt te bevinden – El Azzouzi toont zijn meesterschap onder meer in knetterende dialogen die probleemloos vertaald kunnen worden naar een poetry slam of theatervoorstelling –, lijkt er zich nog een andere dimensie onder die bovenste laag schuil te houden. Die diepte wordt gesuggereerd door de magisch-realistische elementen die de auteur door zijn satire weeft. Het magisch realisme tracht de werkelijkheid immers te verruimen door de observeerbare realiteit van een dimensie voorbij het zichtbare te voorzien, van een ‘andere’ werkelijkheid die zich niet ondergeschikt laat maken aan het alledaagse leven.

El Azzouzi betrekt die alternatieve realiteit in zijn romanwereld door een bont allegaartje van ‘kwelgeesten’ op te voeren die hij Zakaria voortdurend laat lastigvallen. Ze lijken dezelfde eigenschappen te bezitten als de djinns in de islamitische traditie, die zich eveneens tussen de zichtbare en de onzichtbare wereld bewegen. In De beloning blijken ze grensfiguren tussen Zakaria’s gedachtewereld en de concrete realiteit. Geregeld komen ze vanonder Zakaria’s hoed aan de oppervlakte piepen, waar ze zich manifesteren als mannen met bolhoeden of sprekende dieren. Waar de jonge Ayoub in Het Schapenfeest lange gesprekken voerde met een offerschaap, wordt Zakaria geïnterpelleerd door babbelzieke duiven en slangen, door een nihilistische rat die betoogt dat het absurd is om je leven te offeren voor een ziek ideaal, en door Koning Sprinkhaan, die hem aanspoort om een flitsend filmpje als testament achter te laten voordat hij zich opblaast, want alleen daarmee zal hij erin slagen ‘in de hoofden van mensen te kruipen’. Dat streefdoel laat zich lezen als een omkering van waar het uiteindelijk op uitdraait: het is niet Zakaria die in de hoofden van de mensen doordringt door zich te slachtofferen voor de ‘ware’ islam, maar de buitenwereld die Zakaria uit evenwicht brengt door de ene na de andere aanslag op zijn onzekere persoonlijkheid te plegen.

De djinns blijken bijgevolg twee functies uit te oefenen in de roman. Enerzijds bieden ze Zakaria een blik op zijn eigen woelige binnenwereld en een uitnodiging om erin af te dalen. Alleen als hij te weten komt wie hij werkelijk is – of zou kunnen zijn – kan hij de leegte onder zijn hoed vullen met een identiteit die voorbijgaat aan zijn aliassen en gekunstelde imago van wannabe-patser. Maar de djinns veruitwendigen niet alleen Zakaria’s existentiële worsteling. In hun hoedanigheid als bemiddelaars tussen fantasie en werkelijkheid, fungeren ze eveneens als wegwijzers naar een denkruimte waarin droombeelden en idealen geprojecteerd kunnen worden. Ook de vele vermeldingen van poortjes en deuren lijken te duiden op een uitweg uit de figuurlijke gevangenis waarin Zakaria zich in denkt te bevinden. De satirische en magisch-realistische componenten van de roman lijken elkaar op die manier wederzijds te versterken. Zoals elke satire is De beloning niet wars van een moreel streven: de roman stelt maatschappelijke wantoestanden aan de kaak met als doel de gegeven situatie te verbeteren. Door zijn spel met het magisch-realisme lijkt El Azzouzi dan weer te suggereren dat die betere samenleving gestalte kan krijgen door de mogelijkheden te verkennen van precies dat waar het Zakaria niet aan lijkt te ontbreken: verbeelding.

 

Leyla’s lasagne

 

Bovenal wil Zakaria een échte Belg zijn. Dat doel vormt het brandpunt waarop al zijn verbeeldingskracht gefocust is. Van alle boeken van 2019 is De beloning is waarschijnlijk het boek waarin het woord ‘Belg’ het meest voorkomt – een eerste telling leverde meer dan vijftig resultaten op. Zo laat Zakaria een tatoeage zetten met ‘made in Belgium’. Wanneer Zakaria en Tupac Shakur voor het eerst voet op Marokkaanse bodem zetten, blijkt duidelijk hoe diep Zakaria’s obsessie met zijn vaderland zit. Waar Tupac Shakur ter gelegenheid van dat moment het Marokkaanse volkslied aanheft, kan Zakaria het niet laten om luidkeels de Brabançonne te brullen. Hoewel dat tot een hilarische scène leidt waarbij de grenspolitie moet ingrijpen, laat dat muzikale intermezzo zich niet uitsluitend lezen als een parodie op het Belgische patriottisme. Dat Zakaria, en met hem vele andere jongeren, hun plaats niet vinden in de Belgische samenleving, lijkt immers minstens een van de factoren die de bomaanslagen van 22 maart mogelijk heeft gemaakt.

Hierdoor lijkt de roman te suggereren dat de verbeelding die Zakaria en de samenleving kan redden, collectief zal zijn of niet zal zijn. Met zijn magisch-realistische satire laat El Azzouzi de roep om België als idee opnieuw vorm te geven alleszins luid schallen. Hierdoor lijkt de roman verwant aan De blikken trom van Günter Grass, waarin de eveneens door identiteitscrisissen geplaagde en door verpleegsters geobsedeerde Oskar Matzerath met evenveel herrie een nieuwe marsrichting voor het naoorlogse Duitsland tracht aan te wijzen. Maar hoe zou zo’n inclusieve collectieve Belgische verbeelding er dan uit kunnen zien? Wanneer literaire pogingen ondernomen worden om die belgitude te definiëren, wordt België veelal omschreven als ‘een zachtaardig Absurdistan dat geen identiteit heeft’, en de Belgische identiteit als iets dat ‘niet echt bestaat, dat niets is en alles tegelijk, dat de pretenties mist van ideologie en nationalisme en dus niet benauwt.’ Dergelijke formuleringen helpen zoekende jongeren niet meteen verder.

De roman lijkt een alternatief perspectief op de collectieve verbeelding van de Belgische identiteit te openen. Dat gebeurt met name wanneer Leyla opnieuw opgevoerd wordt, op het moment dat Zakaria en zijn eveneens geradicaliseerde broertje Bilal verstrikt raken in het jihadistische netwerk rond Abu X. Omdat Abu X Leyla verbiedt om haar broers te bezoeken, laat ze dagelijks boodschappen achter in de brievenbus van hun safe house, waarin ze Abu X niet alleen koosnaampjes als ‘Abu Eikel’, ‘Abu Mongool’, ‘Abu Lucifer’ en ‘Abu Psycho’ toebedeelt, maar Zakaria en Billy ook uitnodigt om bij haar te komen eten. Het gerecht dat ze voor hen wil klaarmaken, staat bekend als een topos in het denken over de Belgische identiteit: ‘Ik maak lasagne voor jullie, met heel veel lagen’.

Toegegeven, de lasagne-metafoor is niet het meest originele aanknopingspunt om de Belgische identiteit te verbeelden. De historicus Marc Reynebeau muntte het begrip  ‘lasagne-identiteit’ om te verwijzen naar de meervoudige en gelaagde gemeenschapsgevoelens van (autochtone en allochtone) Belgen. Leyla lijkt die lasagne voorop te stellen als een positieve invulling van wat het betekent om Belg te zijn: eerder dan zich te verbergen achter bedenkelijke aliassen en een bolhoed – wat in feite neerkomt op een postmodern koketteren met een smoelloos België –, zou Zakaria er goed aan doen zijn identiteit een meer positieve invulling te geven door de gelaagdheid ervan te vieren. Die idee sluit mooi aan bij het magisch-realistische spel met opeengestapelde verbeeldingswerelden dat in de roman wordt doorgevoerd. Hoe Zakaria soelaas kan vinden in een meerlagige Belgische identiteit, vertelt Leyla er niet bij, maar vast staat dat er enige urgentie in het spel is. In haar laatste briefje schrijft Leyla immers onheilspellend: ‘De lasagne wordt koud.’

Hoewel de lasagne vooralsnog te eten valt, blijft de lezer toch een beetje op zijn honger na het lezen van De beloning. Eerder dan reeds bekende metaforen opnieuw op te warmen, lijkt die de taak te krijgen om die Belgische identiteit van dag tot dag opnieuw zelf in te vullen. En wie weet: als de lezers zich inspannen om samen met anderen een nieuwe belgitude te verbeelden, krijgen ze misschien geen hondenkoekjes of ticket naar het Paradijs als beloning, maar een samenleving waar het voor iedereen goed toeven is.

 

De Geus
256p.

Geplaatst op 21/09/2019

Tags: Alleen Zij, Altright, Arkprijs voor het Vrije Woord, België, Günter Grass, Hiphop, Hugo Claus, Islam, Libris Literatuurprijs, magisch realisme, Marc Reynebeau, Moslim, Satire, Terrorisme

Categorie: Proza, Recensies

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.