Recensies, Samenleving

Ontstemd

De schaduw van de zwarte hond

Depressie als symptoom van deze tijd

Bert van den Bergh

Onder de nadrukkelijk donkere titel De schaduw van de zwarte hond presenteert Bert van den Bergh de herwerkte versie van een succesvol verdedigd proefschrift. Van dat academische genre draagt het boek duidelijk nog de sporen – een bijna twintig pagina’s tellende bibliografie en een uitvoerige bespreking van de literatuur over depressie – maar Paul Verhaeghe heeft in zijn voorwoord terecht lof voor de manier waarop de auteur verschillende bronnen, visies en registers tot een eigen, welluidend geheel weet om te smeden.

Wat we hier gemakshalve ‘het feit’ noemen waarop de auteur zijn reflectie ent, is ondertussen algemeen bekend: de Wereldgezondheidsorganisatie schat het aantal depressieve mensen op 300 miljoen (https://www.who.int/news-room/fact-sheets/detail/depression). Dit getal kan naargelang de bron variëren, maar het gaat dus om enorm veel mensen, genoeg om ‘depressie-alarm’ te slaan. Het verontrustende van deze pandemie wordt door andere statistische data versterkt (depressie is de hoofdoorzaak van improductiviteit) en door bijkomend onderzoek bevestigd (een op de twintig mensen rapporteert recent een depressieve episode te hebben doorgemaakt) maar het zwaartepunt van dit boek ligt voorbij deze feiten.

De centrale vraag is namelijk wat depressie met laatmoderne subjectiviteit te maken heeft en hoe we dit tweetal – depressie en subject – precies moeten opvatten. Vandaag wordt depressie als een mentale stoornis beschouwd en veelal gerelateerd aan een onevenwicht in de neurochemie van het brein. Men kan dit affirmeren als het resultaat van voortschrijdend, wetenschappelijk onderbouwd inzicht, maar dit is, zoals het boek argumenteert, een wat te eenvoudige voorstelling van zaken. Zo is er het epistemologische probleem of depressie wel een eenheid vormt die voldoende af te grenzen valt van andere (stemmings)stoornissen. Hoofdstuk vier – waarin de geschiedenis van de psychiatrische omgang met eerst melancholie en later depressie wordt geschetst – suggereert alvast dat de psychiatrie uit ziektebeelden onterecht het bestaan van ziekte-entiteiten afleidt. Alsof depressie een objectief gegeven is en niet minstens ook het product van keuzes aangaande wat men als relevant voor het ziektebeeld beschouwt; een schaduw dus – zie de titel van het boek – waaraan te snel en onkritisch realiteitswaarde wordt verleend. Dit betekent geenszins dat depressieve mensen niet depressief zijn – lusteloos, somber, enzovoorts – maar de inzet van het boek bestaat erin andere aspecten van het ziektebeeld te belichten en bovenal het in de wetenschappelijke literatuur minder op de voorgrond geplaatste gevoel van isolement.

 

Alleen beter is goed genoeg

Wanneer het over depressie gaat, kan het verdwijnen van betekenisvolle, intermenselijke verbanden moeilijk onbesproken blijven. Het lijkt een van die vicieus-circulaire aspecten van de aandoening te zijn, waarbij het onduidelijk is of het oorzaak dan wel effect van depressie is. Hier kiest Van den Bergh ervoor om isolement op te vatten als ‘basis van wat wij “depressieve stoornis” plegen te noemen, […] eerder bron dan gevolg van verregaande somberheid of geremdheid’. Wat natuurlijk de vraag oproept waar dit isolement vandaan komt. Het antwoord kan eenvoudigweg worden samengevat als ‘onze laatmoderne samenleving produceert losgekoppelde en zieke mensen’, maar het wordt interessanter wanneer de auteur een aantal hypothesen onderzoekt hoe dit gebeurt. De eerste bron waarbij te rade wordt gegaan is het werk van Alain Ehrenberg, auteur van onder andere een boek met de briljante titel La fatigue d’être soi. Daarin vind je de argumenten om het laatmoderne subject te typeren als een niet langer door verbod, conflict en schuld maar door gebod, tekort en schaamte gekenmerkt individu. Het hedendaagse, ook door Trudy Dehue en Paul Verhaeghe – auteurs van respectievelijk De depressie-epidemie (2008) en Identiteit (2012) – bekritiseerde zelfverwerkelijkingsethos creëert uitgeputte individuen, mensen die niet meer (mee) kunnen in een samenleving volgens dewelke nochtans alles kan. Het zijn geen door de maatschappij opgetrokken grenzen die het individu tot ‘realiteitszin’ aanmanen, het dus mogelijk frustreren en uiteindelijk in een pathologische somberheid doen vervallen, neen, het individu raakt opgebrand door de verplichting aanlokkelijke mogelijkheden niet te veronachtzamen en talloze kansen niet onbenut te laten. Een betere versie van jezelf is niet alleen binnen handbereik maar vooral ook wenselijk. In later werk zal Ehrenberg die diagnose problematiseren door erop te wijzen hoe ze is verweven met een pessimistisch, veelal impliciet nostalgisch neergangsvertoog. Kort gesteld, met de vraag of het vroeger al dan niet beter was, moeten we ons niet bezighouden. Zaak is, aldus Ehrenberg, om bij de tijd te zijn en niet zozeer te zien, laat staan te betreuren hoe sociale verbanden verdwijnen maar om oog te hebben voor nieuwe vormen van samenleven.

Depressie is in dat opzicht geen gevolg van individualisering, precarisering, enzovoorts, maar een teken van de overgang van moderniteit naar laatmoderniteit die onze samenleving ondergaat. Die overgang mag dan wel niet rimpelloos verlopen, ze opent perspectieven op de toekomst die niet per se als negatief of afschrikwekkend begrepen hoeven te worden. Ongelijkheid, bijvoorbeeld, betrof voorheen gediversifieerde groepen mensen, terwijl het vandaag eerder om verschillen tussen individuen gaat, met het daarmee gepaard gaande gevoel individueel tekort te schieten of te mislukken. Men kan dit laatste terecht als een hedendaags probleem aankaarten, maar Ehrenberg ziet hierin vooral een uitnodiging om een politiek te ontwikkelen die zich tot taak stelt om individuele autonomie en capaciteiten te versterken. Bij het binnentreden van deze laatmoderne tijden zijn we onmiskenbaar even van streek, maar we zouden ons ongetwijfeld al heel wat beter voelen mocht het dominante discours niet tot vervelens toe de keerzijde van de toegenomen autonomie belichten – depressie bijvoorbeeld – maar aangeven binnen welke maatschappelijke en politieke condities die groeiende autonomie op geschikte wijze te ontplooien valt.

Van den Bergh gaat niet dieper in op Ehrenbergs alternatief voor het inderdaad soms intellectueel gemakzuchtige en moraliserende geschimp op ‘de neoliberale samenleving’ – de lezer is wellicht benieuwd naar wat die empowerment à la française precies inhoudt – maar zijn conclusie klinkt aannemelijk dat een pleidooi voor een politiek van individuele autonomie en activering miskent dat er met dat immer te activeren, tot grotere en sterkere autonomie aan te sporen individu misschien wel iets meer aan de hand is dan enkele hopelijk snel voorbijgaande overgangsperikelen.

 

In razende stilstand

Het motief van ‘isolement’ hernemend, voert de auteur een andere denker ten tonele, Hartmut Rosa. Deze behoort tot de traditie van de kritische theorie, met auteurs als Adorno en Marcuse, voor wie vervreemding de hedendaagse mens kenmerkt, wat wil zeggen dat hij of zij minder autonoom is dan doorgaans wordt aangenomen. De ‘vroege’ Marx, die de arbeider karakteriseerde als vervreemd van de eigen arbeid en de producten die deze oplevert, is hier een klassieke referentie. Rosa voegt daaraan toe dat sinds de moderniteit de menselijke relatie tot tijd en ruimte grondig gewijzigd is. Mobiliteit en virtualiteit verhogen de innerlijke afstand tot de materiële omgeving: men is altijd wel ergens, maar die plaats kan (of moet) vlotjes ingeruild worden voor een andere. De enige constante in die niet aflatende beweging en distantiëring is het ‘ik’, maar de vraag is wat er van dat ‘ik’ overblijft wanneer het zijn ruimtelijke situering en affectieve banden met de omgeving verliest. Ook de tijd is niet langer ‘tijdelijk’ in die zin dat een toenemende versnelling op technologisch en sociaal vlak, en van het leven tout court, ervoor zorgt dat een lineaire chronologie die de tijd in verleden, heden en toekomst organiseert, eerder uitzondering dan regel is. Het is modern om de toekomst te beklemtonen en de mens als een open, nog te realiseren project op te vatten. In de laatmoderniteit, evenwel, lijkt enkel het ‘moment’ nog van belang, deel van een onophoudelijke reeks van gebeurtenissen waarop men moet inspelen en die dus tot verregaande flexibiliteit nopen. In die ‘razende stilstand’ vervreemdt de mens van tijd, ruimte, anderen en uiteindelijk ook zichzelf. Als remedie voor die vervreemding ziet Rosa weinig heil in pogingen om verloren autonomie te heroveren, maar breekt hij een lans voor resonantie. Dit laatste is ‘een inhoudelijk open betrekkingsbehoefte’ aan afgestemd zijn op anderen, objecten en meer transcendente sferen zoals religie, natuur, kunst en geschiedenis. De hedendaagse en in het bijzonder de depressieve mens is, aldus Rosa, ontstemd en getekend door een verlangen naar resonantie. Dit verlangen wordt weliswaar aangesproken door marktwaren als wellness, vakanties en andere onthaastingsarrangementen, maar die leveren alleen geïnstrumentaliseerde schijnresonanties op. De kapitalistische wareneconomie is niet in staat om het verlangen naar resonantie in te vullen, laat staan om het menselijke vermogen tot ‘resonerende’ of goed ‘gestemde’ betrekkingen te actualiseren.

Zoals later blijkt uit het boek – namelijk hoofdstuk vijf, waarin depressie als een afstemmingsstoornis wordt geanalyseerd – ontleent Van den Bergh veel inzichten aan Rosa (en diens leermeester Thomas Fuchs) om de hedendaagse zwartgalligheid te duiden, maar hij stelt er ook vragen bij. Zo constateert hij dat Rosa’s begrip resonantie weliswaar toelaat om te beschrijven hoe de hedendaagse mens ontstemd is, maar niet duidelijk maakt waarom de laatmoderne mens niet alleen als een speelbal de ontstemming ondergaat maar die als speler blijkbaar ook actief kiest. Op het probleem van depressie toegesneden: versnelling, het verlies van wereld en toekomst en een veralgemeende ontstemming mogen depressogene kenmerken van onze tijd zijn, wie of wat is de mens die deze affirmeert en er zich op een of andere manier ook thuis in voelt?

 

De berekende egoïst

Vanuit die vraag besteedt Van den Bergh een apart hoofdstuk aan laatmoderne subjectiviteit en aan het werk van Dany-Robert Dufour in het bijzonder, wat een minder gelukkige keuze is. Aan schreeuwerig aandoende kwalificaties van de laatmoderne mens als een sadeaans en zelfzuchtig schijnindividu, als een tot zijn passies en libido herleid subject, ontbreekt het niet, maar aan zorgvuldige argumenten des te meer. Zo wordt het jansenisme van Blaise Pascal bij het begin van een groeiende egoïstische, radicale bevrijding van de passies gesitueerd. Inderdaad, Pascal is degene die het op verschillende plaatsen over eigenliefde heeft – hij is zelfs de eerste in de geschiedenis die moi substantiveert tot le moi – maar daarmee wijkt hij geenszins af van een christelijke traditie die de dwaling van de eigenliefde tegenover de liefde voor God plaatst. Daarom is het verbazingwekkend te lezen dat Pascal de eigenliefde weliswaar bekritiseert, maar ook de eerste aanzet zou geven om de ondergeschiktheid van eigenliefde ten aanzien van de liefde voor God om te keren of, met het door Dufour geprefereerde werkwoord, te perverteren.

Uit Dufours wordingsgeschiedenis van het calculerende, door eigenbelang gestuurde individu haalt Van den Bergh ook andere zeventiende- en achttiende-eeuwse auteurs aan – onder wie Pierre Nicole, John Locke, Bernard Mandeville, Adam Smith en natuurlijk Markies de Sade – die aan de traditioneel als zondig en moreel laakbaar gebrandmerkte eigenliefde eerst schoorvoetend bestaansrecht geven, om ze vervolgens enthousiast te legitimeren met onder andere het bekende argument van de ‘onzichtbare hand’, namelijk dat een ongeremd nastreven van eigenbelang onbedoeld bijdraagt aan een groter, collectief geluk. De aangehaalde auteurs en citaten zijn overtuigend om de toenemende democratisering te beschrijven van het individuele recht op en vandaag zelfs de plicht tot genot, maar het lijkt me dat de auteur hier de kans laat liggen deze partiële, eerder moraliserende schets van de hedendaagse hedonist te nuanceren. Dit had bijvoorbeeld gekund door in het werk van Pascal vast te stellen dat er weliswaar heel wat gedachten aan het individuele plezier zijn gewijd – overigens door hem onveranderlijk als ijdel en dwaas beschouwd – maar dat er veel uitgebreider en dieper wordt ingegaan op de genade van God, waarmee niet te onderhandelen valt. Dit suggereert tenminste – in de hierboven reeds aangehaalde termen – dat de veronderstelde aanmoediging ‘speler’ te zijn gepaard ging met het besef ook en vooral ‘speelbal’ te zijn van een genadige, onberekenbare macht, of dat nu die van God is of, meer hedendaags, het Kapitaal.

 

‘Inzien welke ritmiek jouw leven draagt’

Het antwoord op de vraag of we speler dan wel speelbal zijn, kan wellicht niet anders dan ‘beide’ zijn, maar de auteur exploreert dit dilemma niet verder. Dit heeft ongetwijfeld alles te maken met zijn centraal idee – depressie als isolement – en de fenomenologische achtergrond van zijn proefschrift. Die fenomenologische wijze van denken, waarin lichaam, affect en ritme centrale noties zijn, komt het duidelijkst op de voorgrond te staan in het voorlaatste hoofdstuk. Dat hoofdstuk is voor de lezer mogelijk ook het taaiste, omdat het een met veel fenomenologisch jargon doorspekt deel van het boek is. Van den Bergh verruilt vanaf dit punt bovendien de cultuurfilosofische en -kritische insteek voor een pleidooi voor een therapeutische kliniek die depressie als een belichaamde stemmingsstoornis opvat, tegen de gangbare psychiatrische benadering in van depressie als een weg te werken pathologisch ‘ding’.

Het allerlaatste hoofdstuk van De schaduw van de zwarte hond was voor de auteur wellicht het moeilijkste, omdat het na zijn bijwijlen afgrondelijk pessimistische analyses de vraag stelt welke alternatieven of uitwegen er resten en welk hoopvol ochtendgloren nog onder de aandacht kan worden gebracht. Er worden enkele disparate fenomenen van politieke, sociale, architecturale – het Centraal Station van Rotterdam! – en zelfs persoonlijke aard vermeld die mogelijk wijzen op een verandering of op een toenemend besef dat een betere ‘afstemming’ zowel wenselijk als mogelijk is. De voorbeelden stellen wat teleur en roepen zelfs vragen op, in de zin dat het fenomenologisch vocabularium van subjectieve stemming, ritme, enzovoorts soms onbehaaglijk lijkt op wat life coaches en andere agenten van het sociopolitieke status quo ons voorhouden. Deze kanttekening valt evenwel in het niet bij het intellectuele plezier dat aan dit grondig gedocumenteerde en rijkgeschakeerde boek te beleven valt.

Boom, Amsterdam, 2019
ISBN 9789024402960
328p.

Geplaatst op 11/03/2020

Tags: Bert van den Bergh, Dany-Robert Dufour, De schaduw van de zwarte hond, Depressie, Hartmut Rosa

Categorie: Recensies, Samenleving

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.