Recensies, Samenleving

Over ideologische vooringenomenheid

Over politieke correctheid

Gerben Bakker en Gert Jan Geling

In een gepolariseerd debat is geen enkele term neutraal, want woorden bepalen in de ogen van wie ze hoort of leest de politieke en sociale positie van waaruit men ze heeft geformuleerd. Een term als Politieke Correctheid (PC) kan dan ook, als spreekwoordelijke rode lap, onmogelijk een neutraal begrip zijn. In dit boek proberen Gerben Bakker en Gert Jan Geling precies dat te doen: PC analytisch en met zin voor nuance te duiden. Alleen al daarom moet dit boek gelezen worden. Het is, zoals men graag zegt, iets wat ‘het debat moet voeden’, en dat is prima.

Beide auteurs zijn docenten Integrale Veiligheidskunde aan de Haagse Hogeschool, en Geling is ook kernlid van de denktank Liberales. Dat laatste is uiteraard een kamp in het gepolariseerde debat: prominente leden van die denktank zijn gulzige gebruikers van het register dat met PC verbonden is. Ze vertolken een hekel aan een (zelf gedefinieerd) ‘politiek correct links’ en de invloed ervan op hoe men naar migratie en Islam kijkt, ze hebben het graag over ‘taboes’ en over de sluipende macht van ‘cultuurmarxisten’ in het beleid en aan universiteiten waar, beweren ze, een links postmodernistisch narratief als wetenschap wordt verpatst. Bij Liberales steekt men graag het bord van de verlichting in de lucht en ziet men de islam als een bedreiging voor de verlichte vrijheden die wij in West-Europa genieten. Het oeuvre van Maarten Boudry, frequent geciteerd in dit boek, kan als voorbeeld gebruikt worden. Ook het oeuvre van Paul Cliteur – wiens nawoord dit boek ontsiert – wordt bij Liberales de grootste deugden toegeschreven.

Dit boek komt dus uit een kamp waar PC het statuut van hard feit geniet. De recensent van dit boek komt uit een heel ander kamp, en is niet zelden het doelwit van scherpe aanvallen vanuit het kamp van Liberales. Ik zou het mezelf dan ook gemakkelijk kunnen maken: ik zeg dat het boek nergens op slaat, waarna de auteurs het QED-argument hanteren, waardoor we na afloop even ver staan als tevoren. Maar dat ga ik niet doen. Wat ik te zeggen heb is: lees het boek, en stel er de nodige kritische vragen bij. Wat volgt zijn de mijne.

Vertrekpunt

Laat me eerst mijn eigen stem een precieze vorm geven. Ik hou me al drie decennia bezig met taal en discoursanalyse en heb vanuit dat perspectief uitvoerig gepubliceerd over zaken zoals migratie, racisme, identiteiten, online en offline politiek taalgebruik van rechts, links en het centrum. Wat publieke verkettering betreft, kan ik #MeToo inroepen. In 1992 publiceerde ik met een collega Het Belgische migrantendebat. In dat boek toonden we aan de hand van discoursanalyse uitvoerig aan dat de ideologische uitgangspunten van het officiële Belgische beleid dezelfde waren als die van extreemrechts: migratie werd evengoed als abnormaal en ongewenst voorgesteld, waardoor de voorgestelde remedies van het beleid enkel een gradatieverschil vertoonden met die van extreemrechts. Er volgde een storm van heftig protest. Publieke scheldsalvo’s, dreigbrieven, verstoring van lezingen, dreigementen over mijn loopbaan, politieke druk: ik heb het allemaal meegemaakt, en al dat liefs kwam vanuit zowat elke hoek van het politieke spectrum (academici incluis). Met de wetenschappelijke kwaliteit van het werk zal het niet veel te maken hebben gehad, want de Engelse herwerking van het boek (Debating Diversity, 1998) werd een bescheiden klassieker in ons onderzoeksdomein. Onze standpunten waren, om de termen van Bakker en Geling te hanteren ‘onwelgevallig’, ‘politiek incorrect’.

Dit alles om aan te geven dat PC bekend terrein is voor mij. En hier zijn mijn uitgangspunten – de discoursanalytische criteria waarmee ik het boek van Bakker en Geling heb gelezen. PC is een taalfenomeen, en dat taalfenomeen moet concreet te bepalen zijn. Als taalfenomeen is het noodzakelijk een interactioneel gegeven, dat enkel opduikt in concrete interactionele handelingen tussen mensen en daaraan zijn concrete functies ontleent. Die functies zijn steeds argumentatief: wanneer we in het algemeen communiceren, en zeker wanneer we een discussie voeren, gebruiken we argumenten die de tegenpartij moeten beïnvloeden en (eventueel) overtuigen – we proberen een punt te maken met en tegenover anderen. En de concrete middelen waarmee we dat doen zijn historisch beladen door hun gebruiksgeschiedenis. Nogmaals: dat alles is concreet. Als we PC als talig onderzoeksobject willen hanteren, moet het een precies te bepalen talige vorm hebben.

Ik ga ervan uit dat de uitgangspunten die ik schetste niet controversieel zijn. Wanneer ik ze toepas op het boek van Bakker en Geling, merk ik dat ze een studie hebben afgeleverd die geen object heeft, geen actoren, en geen processen waarin het object opduikt. In wat volgt wil ik dit uitvoerig toelichten. Ik overloop eerst de drie punten die ik hier heb vermeld, en geef daarna nog een aantal meer algemene bedenkingen mee.

Geen object

Bakker en Geling hanteren naar eigen zeggen een eerder filosofische benadering, maar ze hebben het natuurlijk voortdurend over PC als taalfenomeen. Dat taalfenomeen wordt nergens concreet gemaakt. Ja, er zijn wat verwijzingen naar bijvoorbeeld het ‘politiek correcte ABC’ dat NRC Handelsblad ooit publiceerde, maar wanneer in hoofdstuk 1 het concept PC moet worden gedefinieerd, krijgen we dit: ‘Het concept beschrijft een verschijnsel van talige zelfrestrictie omwille van politieke normen.’ Iets concreter ‘zegt “correctheid” niets over de inhoud, over wat correct is. Het geeft alleen aan dat het taalgedrag als welgevallig wordt beschouwd’.

PC is nog steeds niet omschreven als concreet fenomeen – ‘talige zelfrestrictie omwille van politieke normen’ is een definitie die zoveel vage elementen inhoudt dat ze voor alles en voor niets kan staan. Maar PC is wel moreel (dus normatief, interpretatief en evaluerend) beschreven en zal in die zin het hele boek door worden gehanteerd. Bakker en Geling stellen zich dus (interactioneel) in de rol van iemand die een vorm van taalgebruik opvangt en als ‘slecht’ beoordeelt, een partij in het debat, met andere woorden. Het ‘onwelgevallige’ karakter van die vorm van taalgebruik (een evaluatie die in realiteit in concrete interactie plaatsvindt) is van concreet en gecontextualiseerd plots absoluut geworden, een feitelijke eigenschap van niet nader bepaalde vormen van taalgebruik.

En dus krijgen we een heel lexicaal veld van moreel beladen termen geassocieerd met PC. Ik geef een losse greep voorbeelden uit het boek: PC wordt gekoppeld aan  ‘verschraling van de discussievoering’, ‘taboes opleggen’, ‘subtiele zwijgplicht’, ‘PC parasiteert op de bestaansvoorwaarden van de vrije politieke ruimte’, ‘heimelijke gedragssturing’, ‘onoprecht spreken’, ‘wegkijken’, ‘het morele schandaal van PC’, ‘hypocrisie’, ‘gebrek aan kritisch vermogen’, ‘een verstoring van het collectieve proces van waarheidsvinding’, ‘passief iemand het zwijgen opleggen’, ‘politieke misleiding’, ‘vast houden aan een gebrekkig doordachte positie’,  ‘een oppervlakkig conformisme’ en – een pareltje –  ‘de ideale schoonzoon onder de taaldelicten’. Dit taaldelict staat het vrije denken in de weg, het getuigt van kwade wil of gemakzucht, het is gevaarlijk omdat het allerhande kwalen niet benoembaar maakt, en zo meer. De term ‘politieke correctheid’ vat dit geheel aan negatieve morele oordelen simpelweg samen en leidt zo een heel eigen (en eigenaardig) leven: in de concrete realiteit van dit boek staat PC uitsluitend voor wat sommigen ervan vinden.

Niet het taalfenomeen maar de morele afkeuring ervan is dus het object van deze studie, die dan ook niets te vertellen heeft over PC als concreet fenomeen in publieke debatten. We krijgen een theorie die gestalte geeft aan de evaluatie van onbekende en onbeschreven taalfenomenen door degenen die deze taalfenomenen onwelgevallig vinden. Die theorie gaat over de motieven voor PC. Dus: alweer niet over het taalfenomeen, wel over de motieven van mensen die dat onbekende taalfenomeen gebruiken. Bakker en Geling bieden ons een onderscheid tussen ‘dogmatische PC’ en ‘conformistische PC’, waarbij het eerste uiteraard slecht is en het tweede zo mogelijk nog slechter. PC is dus iets wat anderen doen, iets slechts. Maar wat die anderen dan precies doen en wat dan het concrete ‘taaldelict’ of ‘schandaal’ uitmaakt  blijkt – verbazend toch – niet het object te zijn van dit boek.

Geen actoren

Over politieke correctheid is een studie over discours zonder object. Maar er zijn evenmin actoren in dit boek, in de zin van mensen die concrete taalhandelingen uitvoeren. Er zijn wel categorieën van mensen en hun motieven, en vanzelfsprekend worden die categorieën opgehangen aan het moreel-evaluatieve kader dat ik boven heb geschetst.

Jawel, er worden hier en daar concrete mensen genoemd in het boek, vooral wanneer het gaat om personen die niet politiek correct zijn: Josse de Voogd, Sid Lukkassen, Jan van de Beek, Pim Fortuyn, Frits Bolkestein, enzovoort. Maar vaker krijgen we algemene verwijzingen naar machthebbers, de overheid, instituten zoals universiteiten en de media, of (alweer) beladen termen zoals ‘student-activisten’, ‘progressief Nederland’, ‘de postmoderne, links-progressieve feitenvrije wetenschap’, ‘progressieve en kosmopolitische geluiden op universiteiten’ en uiteraard ‘de elite’. In een term als ‘de progressieve bovenlaag van de bevolking’ komt alles mooi samen: hier staat de elite, vervreemd van de domme massa, en die elite is links. De politiek correcten in dit boek zijn vaak naamloos en bekleed met institutioneel gezag, de niet-correcten zijn individuen. Terminologisch – dat zagen we al – worden de eersten in een uitgesproken negatief moreel kader geplaatst; de niet-correcten mogen zich verheugen in veel positievere omschrijvingen. Zij zijn ‘taboedoorbrekers’ die het ‘vrije denken’ koesteren, het ‘debat willen openbreken’ en onbetreden paden opzoeken, en die daarbij grote risico’s nemen. Er zijn ook vele anderen, die niet politiek correct zijn, maar die uit angst voor represailles zichzelf censureren en hun politieke voorkeuren voor zich houden. Moed en zelfopoffering staan hier tegenover angst, geestelijke luiheid en lafheid, en tegenover doelbewust machtsmisbruik.

Noteer echter dat dit alles alweer niet gaat over concrete handelingen. Het gaat om identiteiten. Politieke correctheid is in dit boek niet iets wat men doet, maar iets wat men is. We zien dit netjes uitgeschreven in het vierde hoofdstuk, ‘Het morele schandaal van PC’, waarin de notie ‘parrhesia’ centraal staat, een begrip dat we hebben leren kennen in het late werk van Michel Foucault. Parrhesia staat voor ‘vrijmoedig spreken’, de waarheid spreken tegenover de macht, het risico van de waarheid te prefereren boven de angst voor de straf. Bij Foucault staat parrhesia voor datgene wat hij eerder een ‘discursieve orde’ noemde: concrete discursieve handelingen die zich verhouden tegenover een concrete sociale orde en een gesitueerd identiteitsoordeel toelaten. Concreet: wie die parrhesia-handelingen uitvoert wordt, op dat moment en in die situatie, een ‘parrhesiast’. We zien dit uitstekend geïllustreerd in het fragment uit Foucaults De wil tot waarheid dat Bakker en Geling citeren. Het citaat staat vol met actieve werkwoorden: ‘de parrhesiast geeft zijn mening, hij zegt wat hij denkt, hij ondertekent als het ware zelf de waarheid die hij uitspreekt’, enzovoort. Foucault heeft het over concrete discursieve handelingen, niet over een identiteitstype.

In de versie van Bakker en Geling verdwijnt het concrete helemaal en zien we een verglijding van doen naar zijn. Plots duikt ‘de politiek correcte’ op als identiteitstype, en dat type wordt – uiteraard – wat verder in het boek omgetoverd tot de ‘deugmens’, de Gutmensch: ‘Die term [PC] gebruiken we vooral voor mensen die de samenleving uit naam van betuttelende, niets-dan-goede waarden de wet voorschrijven. Deugmensen.’ De actor in deze studie is een vastgezette categorie mensen, volledig geconstrueerd vanuit de morele evaluaties die ik boven beschreef en zonder bepaling van wat ze precies doen. De actor is een vast en vooraf bepaald politiek kamp, net zoals het object een vast en vooraf bepaalde politieke evaluatie was – het zijn absolute categorieën binnen een metafysica van politieke correctheid.

Ho maar, zal je zeggen: zonet had je het over morele evaluaties en nu over politieke. Is ook dat geen verglijding? Neen, want hier komt het volgende probleem met het boek.

Geen processen

De sprong van het morele naar het politieke wordt door Bakker en Geling zelf gemaakt. We zagen al dat PC een ‘moreel schandaal’ was. Maar ook het politieke karakter ervan wordt mooi omschreven: ‘Bij politieke correctheid staan collectieve belangen op het spel die verder reiken dan de persoonlijke levenssfeer. Ze hangen samen met de vraag in hoeverre we ons kunnen thuis voelen in onze eigen samenleving.’

‘Onze eigen samenleving’ waarin we ‘ons thuis kunnen voelen’: met deze uitspraak belanden we bij de sociologische verbeelding van Bakker en Geling, de fundamentele reeks aannamen die ze hanteren wanneer ze het hebben over de samenleving, over individuen en hun rollen daarbinnen, en over sociale handelingen. En wat we hier zien is datgene wat vaak beschreven wordt als instant sociology: een tweedehands mainstream sociologisch plaatje, een vorm van wetenschappelijke PC, zo u wil, met wat verre echo’s van de homogeniserende consensusvisie van Talcott Parsons vermengd met methodologisch nationalisme en individualisme. ‘De samenleving’ wordt beschreven als één geheel (en ze valt samen met een land: Nederland) met een nette en stabiele structuur, die in grote trekken bestaat uit de tweedeling tussen ‘de elite’ (in het enkelvoud) en ‘de gewone man’ (eveneens enkelvoud – Cliteur maakt er in zijn nawoord wel ‘Henk en Ingrid’ van). Ook de instellingen zijn eenduidig en transparant: er is de overheid die altijd dezelfde rol vervult, er zijn de universiteiten en er zijn de media. En hoewel er bij die laatste wel wat veranderingen zijn opgetreden met de doorbraak van het internet en de sociale media, doen die instellingen gewoon wat ze horen te doen. Ook normen zijn helder: er is de norm, het normale, de cultuur, en er is de macht. Alles is transparant en zo op het eerste gezicht accuraat te bepalen. Binnen die transparante systematiek van de samenleving staat dan het individu dat vooral zelf autonoom en vrij moet denken en spreken, conformisme en hypocrisie moet zien te ontwijken, maar toch tot stabiele en metafysische identiteitscategorieën behoort: gender, klasse, etniciteit, religie, en deugmens of parrhesiast. Waardoor het individuele meteen verheven kan worden tot het collectieve en omgekeerd, en het concrete en historisch gesitueerde meteen het absolute en tijdloze wordt.

Heel deze verbeelding wordt mooi samengevat in dit citaat, dat ik even annoteer:

Het schandaal van dogmatische politieke correctheid is de armoedigheid van het denken, die geen andere stemmen in zich duldt dan die van het eigen gelijk [methodologisch individualisme]. Maar het is helaas de nieuwe norm, en de nieuwe armoede [Parsons: de enkelvoudigheid van de norm]. In een land van grootste, opgeblazen identiteiten wordt uiteindelijk niemand meer door een ander gezien [methodologisch nationalisme].

Het is dit sociaaltheoretische allegaartje dat in Over politieke correctheid tot massale en massieve denkfouten leidt. Er is een land, dat heeft een norm en een cultuur en instellingen, en daarbinnen loopt het individu uit de progressieve bovenlaag omwille van persoonlijk bepaalde motieven het foute kamp in. Binnen dit kader wordt PC geplaatst. Vanuit die instant sociologie is alles wat met discours en interactie te maken heeft onverklaarbaar, want véél te destabiliserend – men denkt het dus gemakshalve weg. Helaas: mensen zijn helemaal niet rechtlijnig, consequent, voorspelbaar en transparant wanneer ze communiceren; hun communicatiegedrag past zich aan, niet aan de algemene normen van ‘de’ maatschappij maar aan de normen die in een concrete situatie worden ontwikkeld; hun evaluaties van het sociale gedrag van anderen zijn evengoed situationeel en daardoor heel erg beweeglijk; en bovenal, in elk van die situaties sleuren ze een hele hoop bagage mee, deels algemeen maar telkens weer concreet en specifiek te ontplooien in concrete interacties. Ze maken betekenissen in plaats van ze gewoon door te geven, en ze scheppen de samenleving in plaats van ze te reflecteren. Precies het tegendeel, dus, van de sociologische verbeelding van Bakker en Geling.

Die instant sociologie resulteert niet alleen in een metafysica van PC die gesitueerde morele oordelen verabsoluteert en tot analytische categorieën omtovert, ze leidt bovendien tot een reusachtige methodologische fout: de particularisering van PC. De concrete processen die men onder PC zou kunnen vatten zijn algemeen en historisch. In het boek van Bakker en Geling worden ze vernauwd tot een uiterst selectief toepassingsveld: het Nederlandse heden, en daarbinnen de invloed van de Amerikaanse identity politics, islam, migratie, gender, diversiteit. Wanneer Bakker en Geling de maatschappelijke effecten van PC bespreken, is dit hun stelling: ‘In Nederland is een sterke invloed van politieke correctheid met name te zien in het debat over islam.’

Ik zou denken dat men precies dezelfde discursieve strategieën terugvindt in allerhande veel grotere domeinen. Denk maar aan het discours over de arbeidsmarkt, waar we een heel erg dominant PC register aantreffen met termen zoals ‘flexibiliteit’, ‘activering’, ‘modernisering’, ‘marktconform’, ‘je eigen verantwoordelijkheid nemen’, ‘de juiste keuze maken’, ‘loopbaanontwikkeling’ en zo meer, en met een hoop personal branding tot gevolg – een ‘welgevallige’ term voor zelfcensuur in de constructie van het cv. Ik zou ook denken dat we met termen zoals ‘participatiesamenleving’ of ‘doe-democratie’ ook wel een stevige hap PC te verstouwen krijgen. En ik heb ook mijn bedenkingen wanneer ik een minister hoor praten over ‘onze bedrijven’ terwijl die helemaal niet de mijne zijn. Het al dan niet opzettelijk en strategisch verhullende taalgebruik dat ons denken doet stoppen en dat we gewoon als conformisten aannemen, vind je heus wel in heel wat meer domeinen dan in het islamdebat. Maar in het boek van Bakker en Geling is dat ruimere spectrum er niet: PC gaat in Nederland ‘met name’ over het islamdebat. En het is die bijzonder nauwe bandbreedte van hun aanpak die hen toelaat om de volgende algemene stelling over motieven voor PC te geven: ‘Tegen de achtergrond van alle discussie over politieke correctheid speelt de morele worsteling van de westerse cultuur met zichzelf.’

Dat begrip ‘westerse cultuur’ in deze zin wordt geheel ontdaan van zijn historische complexiteit en wordt vereenvoudigd tot wat het betekent voor een kamp in het islamdebat – het kamp dat ook de morele evaluaties voorzag die de grondslag vormen voor het boek, het kamp van Cliteur en andere parrhesiasten. En die ‘worsteling’ is oké zolang ze reflexief is, ‘maar de zaak verandert wanneer deze zelfrelativerende tendens omslaat in zelfkastijding’. Met die zelfkastijding zijn wij, westerse mensen, volop bezig: ‘er is met enige goede wil zelfs een anti-occidentalistische traditie van denken te identificeren, waarin maar één doel op het spel staat: het aantonen van de verderfelijke invloed die de van moraal losgezongen westerling uitoefent op de wereld.’ Het is die zelfkastijding die ‘een politieke tegenreactie in de hand werkt’, eerst met Hans Janmaat en Pim Fortuyn, dan met Geert Wilders en Thierry Baudet. Zij reageren dus op een uitwas, een overdrijving in onze ‘worsteling van de westerse cultuur met zichzelf’.

Die uitwas neemt de vorm aan van – uit Amerikaanse universiteiten overgewaaide – identity politics en haar economies of virtue omtrent gender, ras en seksualiteit – een beweging die door sommigen wordt gezien als iets wat ‘de feministische zaak eerder schaadt dan baat’. Die identiteitspolitiek wordt blijkbaar enkel beoefend door de linkse elite die zich eveneens van PC bedient, het is zelfs een vorm van ‘dogmatische politieke correctheid’ en ze ‘vooronderstelt een zelfverkozen blindheid voor de structurele toetsing van de eigen moraal’. Dat Fortuyn, Baudet, Wilders en andere Alt-Right-figuren net zozeer (en heel erg uitbundig) identiteitspolitiek bedrijven wordt gemakshalve uit de weg gegaan. En dat de identiteitspolitiek zoals die vandaag militant gevoerd wordt door degenen die door Bakker en Geling op de korrel worden genomen, evengoed een reactie is op een vroegere PC waarin iedere persoon als een ‘hij’ werd omschreven, ook dat blijft uit het zicht. Van dialectiek hebben de auteurs geen kaas gegeten.

Wat die Amerikaanse universiteiten betreft, krijg je in dit boek de indruk dat ze een archipel vormen van losgeslagen linkse indoctrinatie, waar niet-linkse stemmen gemuilkorfd worden en doodsangsten uitstaan omdat ‘student-activisten’ hen wel eens van racisme zouden kunnen beschuldigen. Die tendens naar ‘politiek correcte wetenschap’, aangedreven door een dominante linkse elite, ontwaren Bakker en Geling ook al in Nederland. Vanzelfsprekend is dit een groot gevaar – Cliteur benadrukt het nog eens in zijn nawoord. Minimaliseren hoeven we dat niet te doen, in perspectief plaatsen wel. Wie Amerikaanse universiteiten als geheel wil voorstellen als een wereld van linkse macht, is er wellicht nog nooit te gast geweest. En die herinnert zich ook wellicht niets meer van de grote schoonmaak die er tijdens de Koude Oorlog werd gevoerd, met als hoogtepunt het McCartyisme van de jaren 1950, gericht tegen alles wat ook maar enigszins als ‘links’ en dus pro-Soviet kon worden bestempeld. De zogenaamde red scare was een zelden geziene politieke aanslag op de academische vrijheid die duizenden wetenschappers, intellectuelen en kunstenaars hun loopbaan heeft gekost. Het is allicht niet nodig om hier uit te weiden over de aanpak van de Duitse academische wereld nadat de NSDAP aan het bewind kwam, of hoe Stalin omsprong met zijn wetenschappers. Maar het is opvallend hoe ook dit soort academische zuiveringen via institutionele identiteitspolitiek geen deel zijn van de historiek van de grote dreiging die Bakker en Geling in Nederland bespeuren. Ik denk in alle nuchterheid dat de linkse gedachtecontrole en (zelf)censuur aan Nederlandse universiteiten, en de dreiging die daarvan uitgaat voor niet-linkse wetenschappers, vanuit dit perspectief heus wel meevallen.

Dit is dus een studie zonder object, zonder actoren, en ook zonder processen. De concrete taalvormen die PC gestalte moeten geven zijn afwezig, de concrete actoren die ze in interacties uitspelen ook. En de historische processen waardoor deze concrete taalvormen de lading hebben gekregen die ze nu hebben – die van ‘taaldelict’ in de ogen van een aantal mensen – zijn ook onzichtbaar. Wat overblijft is een volledig geparticulariseerde morele constructie die zichzelf voortdurend rationaliseert, versterkt en bevestigt, en die we dan als een valide weergave van een brok realiteit moeten aanvaarden. Tenminste, wanneer we de oogkleppen opzetten die de auteurs ons aanreiken.

Wat algemener

Als we die oogkleppen weigeren, zien we veel meer. We zien dan, bijvoorbeeld, dat de dingen die Bakker en Geling hier beschrijven als PC in de discoursanalytische literatuur al een hele tijd bekendstaan als ‘hegemonie’: de zachte macht die uitgaat van frames en formats die we niet meer als bevooroordeeld, betwistbaar of ideologisch ervaren maar gewoon als ‘feit’ bezien, als een ‘normaal’ gegeven. Ik gaf eerder al een paar voorbeelden van dergelijke hegemonieën: de manier waarop we praten over de arbeidsmarkt of over de economie, maar ook over ‘onze cultuur’ (enkelvoud), ‘onze identiteit’ (enkelvoud) en over ‘de samenleving’ (enkelvoud) en ‘onze waarden en normen’ (een enkelvoudige verzameling). Heel veel van wat Bakker en Geling toeschrijven aan PC kan netjes op al die domeinen worden toegepast – tenminste, wanneer men binnen die domeinen even naar wat concrete gegevens gaat kijken.

Het beste boek dat ooit werd geschreven over dit thema is dat van een Duits-Joodse academicus die slachtoffer werd van de nazi’s, maar de Holocaust overleefde. Zijn naam was Victor Klemperer, hij was filoloog, en het boek heet LTILingua Tertii Imperii. De taal van het Derde Rijk. In dat boek beschrijft Klemperer haast dag na dag hoe via heel kleine ingrepen in het benoemen van dingen, er geleidelijk een nieuw ‘normaal’ wereldbeeld ontstaat – een hegemonie – waarin mensen zoals hij weggetoverd waren en waarin alles wat verwerpelijk was aan de nazi’s ‘welgevallig’ was geworden. Klemperer staat voortdurend versteld van de schaal waarop deze taalverandering zich doorzet: van de ene dag op de andere spreken goede bekenden van hem een heel andere taal en lijken ze elk woord dat ze uitspreken ook nog eerlijk te menen. Het is heel Duitsland dat beetje bij beetje de LTI gaat spreken en in die nieuwe frames gaat denken en handelen.

Maar Klemperers eigen houding ontkent dat en geeft een cruciaal element aan van elk proces van hegemonie. Dat element is strijd. Hijzelf verzet zich tegen de LTI, en het is omdat hij de macht en de procedure ervan begrijpt dat hij zichzelf dwingt om uitgebreide notities aan te leggen. Hij beseft immers dat wanneer hij dat niet zou doen, hij snel de nieuwheid van bepaalde woorden en uitdrukkingen zou vergeten en meegezogen zou worden in het normaliserende karakter van de nieuwe hegemonie. Hij schiep voor zichzelf dus een permanent debat waarin de nieuwe elementen werden afgewogen tegenover de oude, zodat ze zichtbaar en begrijpbaar bleven als nieuw, als opgelegd, als elementen van een strategie ontplooid in een bittere strijd.

Al zou mijn kritiek het tegendeel kunnen laten uitschijnen, toch is er in het boek van Bakker en Geling veel waarin ik me kan vinden. Ook ik vind de manier waarop bepaalde vormen van hedendaagse identity politics gevoerd worden zinloos en nutteloos, en ook ik heb een afkeer van categorische lofzangen op diversiteit. Ook voor mij moeten problemen benoemd worden, en liefst ook helder en toegankelijk. Ik krijg ook een punthoofd van een strategische eufemismencultuur waarin je baan verliezen als een ‘uitdaging’ eerder dan als een ‘probleem’ moet worden gezien, waarin ‘fouten’ als ‘werkpunten’ bestempeld moeten worden, en waarin mij wordt gevraagd om de meest banale zaken als ‘achievements’ op te lijsten. Ik heb het in het algemeen niet zo erg voor datgene wat hegemonisch is, en mijn discoursanalytische bezigheden zullen daar wel iets mee te maken hebben. Ik ben ook verheugd dat Bakker en Geling in hun boek tenminste de canard van het zogeheten ‘cultuurmarxisme’ onderuithalen (en hoop dat Boudry en Cliteur hen dat zullen vergeven). Ik herhaal dan ook wat ik bij aanvang zei: lees dit boek, het is geen tijdverlies.

Het illustreert immers een strijd om hegemonie, de tegenstelling tussen kampen waarin dezelfde vormen van spreken een geheel andere waarde wordt toegekend. En het geeft een zeer goed beeld van de verwoede pogingen die men in één van die kampen doet om de eigen betwiste termen het statuut van analytisch bewezen feit te bezorgen, om de eigen vooringenomenheid de vorm van een theorie te geven, om een uitgesproken partisaan argumentatief begrip het statuut van neutrale beschrijver te geven. Dit is een metapolitieke oefening die volledig past binnen de culture wars die Bakker en Geling zelf beschrijven. Het maakt er zelfs de kern van uit. Maar een studie die een object mist, actoren en processen, en dus over iets geheel anders gaat dan wat ze pretendeert, is voor deze recensent een analytische farce. Er is en blijft niets neutraal aan de term ‘politieke correctheid’.

 

Boom, Amsterdam, 2018
ISBN 9789024422548
274p.

Geplaatst op 01/04/2019

Tags: Gerben Bakker, Gert Jan Geling, Over politieke correctheid, Taal

Categorie: Recensies, Samenleving

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan paar uren of dagen duren.