Poëzie, Recensies

De weg van verlatenheid naar gemeenschap?

persoonlijk geraakt

Sis Matthé

Gisteren werd de bundel persoonlijk geraakt van Sis Matthé genomineerd voor de Poëziedebuutprijs 2020. Ook Jens Meijen, Iduna Paalman en Peter Prins maken kans op de prijs. Op 29 augustus zal in De Standaard der Letteren de winnaar bekend worden gemaakt. Hieronder lees je alvast een recensie van het werk door literatuurwetenschapper Ewoud Goethals.

 


 

persoonlijk geraakt is de debuutbundel van Sis Matthé (1980), die zich naast poëzie ook bezighoudt met film en muziek. Zo is hij samen met Veva Leye, collega-auteur bij uitgeverij het balanseer, redacteur van het online filmplatform Sabzian en speelt hij in het synthpop duo Stacks. Zijn poëziedebuut bevat niet meteen het literair experiment dat je bij een uitgave van het balanseer zou verwachten, maar het is toch zeker de moeite waard. Op de site van de uitgeverij wordt de bundel getypeerd als ‘de zoektocht naar een klassieke dichtbundel die net op tijd wegdraait, een taalspel met toekomst’. persoonlijk geraakt is een wankele constructie, een oud huis dat de bewoner voortdurend bewoonbaar probeert te maken voor de toekomst. Af en toe valt er een brokstuk vanaf, zoals te zien op de cover: de suffix ‘t’ is daar van het voltooid deelwoord ‘geraakt’ gevallen.

De bundel is opgedeeld in vier cycli. In de eerste cyclus is uitsluitend een ‘ik’ aan het woord, in de tweede wordt een ‘jij’ toegesproken, en in de derde spreekt een ‘wij’. In de laatste cyclus spreekt opnieuw een ‘ik’, maar is er nu ook plaats voor een ‘jij’ en een ‘wij’. De vier cycli zijn naast het spel met de voornaamwoorden met elkaar verbonden door de terugkerende beeldspraak. De drie voornaamste betekenisvelden waaruit geput wordt, zijn architecturaal (bouwkundige terminologie, monumenten, huizen), auditief (stem, spreken, zwijgen, zingen) en lichamelijk (lichaamsdelen, houdingen, bewegingen).

Opvallend is dat persoonlijk geraakt (bijna) geen intertekstuele of concrete, buitentekstuele referenties bevat. Alle zelfstandige naamwoorden zijn soortnamen. Nergens wordt een persoon, een concrete plaats, groep, gebeurtenis of instelling, een eigentijds fenomeen, discours of concept genoemd. Niemand wordt geciteerd of geparafraseerd. De tekst wekt op die manier de indruk een gesloten systeem te zijn. Uitzondering op de regel is een citaat van Guy Debord, waarover straks meer.

Bovendien bevat de bundel enorm veel archaïsmen en formele taal zoals ‘godverlaten’, ‘maling’, ‘wij blijven in gebreke’, ‘de nacht op zijn holst’, ‘tweespraak’, ‘mensenheugenis’.  Daarmee schept de dichter een wat anachronistisch aandoende autonome taalwerkelijkheid, die al snel zou vervelen, ware het niet dat die anachronismen een thematische functie lijken te hebben, en Matthé wel degelijk betrokken is bij deze werkelijkheid. Matthé nodigt ons uit om op een abstract niveau na te denken over onze verhouding tot onszelf, een ander, een gemeenschap. Hij doet dat in vrije verzen zonder hoofdletters, met punten, komma’s en gedachtestreepjes als de nagels, moeren en bouten die de instabiele syntaxis van het bouwwerk samen houden.

 

‘ik zou het woord absoluut / weigeren’

 

De syntaxis is in persoonlijk geraakt vaak ambigu, doordat Matthé  het enjambement goed weet te gebruiken. In de eerste strofe van het openingsgedicht ‘De man van velen’  lezen we bijvoorbeeld het volgende:

niet met mij, trek mij

niet mee in bad. ik zou het woord absoluut

weigeren

De ik-figuur weigert hier resoluut elk engagement of positiebepaling, hij is namelijk ‘de man van velen’. Door het enjambement kunnen we de tweede zin lezen als ‘ik zou het woord “absoluut” weigeren’ of als ‘ik zou absoluut het woord weigeren’. Weigert het lyrisch subject absolute uitspraken te doen vanuit een houding van scepsis en twijfel? Of weigert hij uit narcisme zonder meer het woord? Het lyrisch subject stelt zich in de eerste cyclus autonoom en negatief op. Hij is op zichzelf aangewezen, hij beschouwt zichzelf als een dwarsligger, maar is ook passief, geïsoleerd en irrelevant. Of is het net andersom en moet de negatieve houding van de ik-figuur zijn verregaande machteloosheid maskeren? Het is namelijk goed mogelijk dat hij niet zozeer het woord weigert, als wel ‘stemloos’ is. In ‘hoogstens een gebit’, het tweede gedicht van de cyclus, klaagt hij ‘ik krijg een naam en de taal / knijpt mijn keel toe’ en ‘een stem nog / vergezocht ben ik hoogstens / een gebit’.

De weigering wordt belichaamd in de houding van de ik-figuur in ‘dit kan mijn leven’ zijn. Hij houdt zijn rechterhand gebonden op zijn rug ‘gebald als vuist in de lucht, / ontbetrouwbaar als begroeting’ en beeldt zich in dat hij met de linker alles nog kan doen, ‘maar het onevenwicht het / doet me’. Niet alleen de ik-figuur heeft moeite zijn evenwicht te bewaren, ook de lezer struikelt over het punt van deze elliptische zin, tot we het weggelaten woord ‘wankelen’ aanvullen.

De ik-figuur is een ‘geraamte met allure’, een façade waarachter een onbewoonbaar huis schuilt. Hij bewoont dat huis niet ten volle, maar ‘zie[t] een huis en het wonen / staart terug’. De bouwwerken in deze cyclus zijn tegelijk monumentaal en inadequaat. Zo lezen we in ‘een woord voor een uitvinding’:

 

wie het belang heeft uitgevonden,

verdient toch een standbeeld

voorzien van een borst zonder tepel

een buik zonder navel

 

Het architecturale veld wordt hier vermengd met het lichamelijke. Het beeld van de egocentrische mens als een monumentaal, maar gebrekkig bouwwerk, komt ook terug in het daaropvolgende gedicht. Daarin vergelijkt de ik-figuur zichzelf met een piramide met afgebroken einde, waarvan de ‘sluitsteen’ gestolen is. In datzelfde gedicht spreek hij ook over zichzelf als ‘een massief huis / vol smalle gangen.’ De ik-figuur houdt zich vooral bezig met ‘achterhaalde materie’, met het verleden en herinnering.

Een kantelpunt lijkt er te komen in ‘dat ik terug adem’. Dat gedicht begint nog met ‘hoezeer ook mijn best, ik blijf monument, wat verdacht is’, maar de starheid en kilheid van het monument lijkt tegen het einde van het gedicht gecounterd te worden door het plotse ‘ik ben bewogen’. Zat zijn keel eerst nog toe, nu lijkt de ik-figuur terug te kunnen ademen: ‘het vermoeden is dat ik nog adem. / dat ik toch adem. / dat ik terug adem.’

 

‘je houdt je in het midden’

 

In de tweede cyclus van persoonlijk geraakt wordt een ‘jij’ aangesproken. Het is niet helemaal duidelijk of iemand anders de ik-figuur uit de vorige cyclus toespreekt, of die ik-figuur een ander of zichzelf toespreekt. Hoe dan ook lijkt er nu sprake van een relatie tussen twee personen, waar er in de vorige cyclus uitsluitend ruimte was voor de gesloten, subjectieve wereld van het ik. De jij-figuur lijkt overigens de besluiteloosheid van de ik-figuur te delen: ‘je houdt je in het midden’ is de titel van het eerste gedicht en daarin lezen we: ‘[je] ligt uiteen op de gespleten tong van een slang / en wijst’.

De jij-figuur verkeert in twijfel en doet halfslachtige pogingen om iets te ondernemen, maar wordt van buitenaf gedwongen om positie in te nemen, want ‘het is met kampen’, hij wordt ‘keer op keer aan de mouwen getrokken’. De combinatie van vertwijfeling en appel van buitenaf zorgt bij de jij-figuur voor verscheuring: ‘iemand moet het doen, roep je / en nog / klinkt het als een schuldbekentenis.’  Hoewel de jij-figuur aangespoord wordt om in beweging te komen, lijkt dat in deze cyclus niet te lukken: ‘je komt in het gedrang, krijgt het niet in beweging. / razernij is onbewogen beweger’. Toch doet hij op het einde van het laatste gedicht een ultieme poging om het isolement te doorbreken: ‘je stoot alles wat je in je hebt erdoor’.

 

‘word koor in tweespraak’

 

In de derde cyclus van persoonlijk geraakt is er plots sprake van een ‘wij’. Wie is die ‘wij’ echter? Spreekt de ik-figuur uit de eerste cyclus nu  in naam van een grotere gemeenschap? Zo ja, is dat niet aanmatigend? Kun je probleemloos over een ‘wij’ spreken zonder verschillen in gender, ras, klasse enzovoort te negeren, of is het net nodig om opnieuw over een niet-universeel ‘wij’ te kunnen spreken, met bewustzijn van onderlinge verschillen? Of spreekt de ik-figuur niet alleen, en wordt er hier effectief ‘in koor’ gezongen? Hoe dan ook bevindt de ‘wij’, de ontluikende gemeenschap zich in een precaire positie:


we worden gedoopt met het water

dat ons aan de lippen staat,

 

morsen druppels oppervlaktespanning

met gekruiste vingers in een onwrikbare kramp.

 

het is geen zicht,

het hoort erbij, maar

hoop is onbestemd van afkomst

 

hier wordt een toekomst draaiende gehouden

als een tol die steeds opnieuw geëist wordt.

 

Hoewel het water hen aan de lippen staat en hun vingers in een onwrikbare kramp zijn geschoten, is er sprake van hoop voor de gemeenschap, al is de afkomst ervan onbestemd. In tegenstelling tot de gerichtheid op het verleden van de ik-figuur, wordt hier gestreden om een toekomst. Die strijd moet steeds opnieuw plaatsvinden en eist voortdurend slachtoffers, er worden druppels gemorst: ‘we morsen tot het woord zijn letters is, opgewonden, uitgeteld’. Door de apokoinou (‘als een tol’ kan zowel betrekking hebben op draaien als op eisen) en het werkwoord ‘opwinden’ later in het gedicht maakt Sis Matthé hier een mooie woordspeling. De toekomst eist een tol, maar is ook een tol die steeds draaiende gehouden en opgewonden moet worden.

Net als de ‘ik’ en de ‘jij’ uit de eerste twee cycli is de gemeenschap besluiteloos en weinig betrokken. Het draaien uit het eerste gedicht van de cyclus wordt herhaald in het daaropvolgende gedicht ‘zonnewijzers zijn we’, waarin er sprake is van een ‘schalmgat’, het open gedeelte in een trappenhuis, waar de gemeenschap weifelend rond draait: ‘we zwermen rond de draai als gat’. Er wordt zomaar iets gedaan, zo blijkt uit ‘geen denken aan’: ‘we maken. / niemand weet wat’. Niemand lijkt zich echt te engageren voor een duurzame toekomst, een huis waarin men kan leven. Net als de ik-figuur weigert de ‘wij’ iets te ondernemen: ‘van verdere deelname zien wij af’. Ze blijven zich elk als individu namelijk vasthouden aan de autonome houding van de ik-figuur uit de eerste cyclus, die wordt samengevat in de titel van het gedicht ‘je ne suis pas quelqu’un qui se corrige’, een citaat van Guy Debord uit een voorwoord bij de derde editie van La société du spectacle. De koppigheid en de onwil om zich aan te passen aan een gewijzigde situatie worden niet langer beschouwd als bewonderenswaardig: ‘het volstaat niet meer maar / één iemand gelooft ons nog’.

Een sleutelgedicht in persoonlijk geraakt is volgens mij ‘een tragedie zonder koor’. Daarin wordt de  individualisering van de maatschappij in het neoliberalisme vergeleken met een tragedie zonder koor. Er heerst stilte en er wordt net als in de eerste cyclus (vergelijk met de regel ‘wat later de stem, maar ook die zegt iets ouds’ in het gedicht ‘geen recht op geheugen’)  vruchteloos gespeurd naar een oud geluid dat de impasse kan doorbreken: ‘hopelijk een stem / uit wat een archeologische put zou kunnen zijn, / een gat in de geschiedenis’. Op het einde van het gedicht lijkt er echter iets te gebeuren. Iedereen zingt steeds opnieuw door elkaar hetzelfde oude liedje, maar geleidelijk aan lijken de stemmen samen te smelten tot een koor in dialoog:

 

we praten hard de engte in, vallen

in herhaling tot het op de achtergrond begint

te zingen,

 

breiden sprekend uit.

 

word koor in tweespraak

de enige imperatief

 

Van de eerste cyclus naar de derde zien we dus een ontwikkeling van een weigering om te spreken naar het toespreken van de ander, en ten slotte naar het samen zingen in dialoog. Waar de eerste cyclus begon met een weigering, eindigt de derde met een bevestiging.

 

‘de kloof is nooit, / wordt steeds opnieuw gedicht’

 

Sis Matthé voegt aan de eerste drie delen nog een ietwat rommelige vierde cyclus toe, en dat is maar goed ook. Een symmetrische drieledige structuur met een rechtlijnige progressie van individualisme naar gemeenschap zou een te klassieke, gesloten vorm zijn, een naïeve utopie die geen rechtdoet aan de chaotische realiteit. De strijd om een duurzame toekomst is namelijk nooit definitief gewonnen en mensen zijn nooit permanent verbonden. In de vierde cyclus is de ik-figuur terug op zichzelf geworpen, en zoals die ik-figuur stelt in ‘ik leg vooral uit aan mezelf’ met een voor de hand liggende woordspeling : ‘de kloof is nooit, / wordt steeds opnieuw gedicht’. Misschien helpt poëzie wel een beetje om telkens opnieuw de kloof te dichten.

De ik-figuur lijkt in elk geval veranderd in vergelijking met de eerste cyclus, hij is ‘na lang aandringen dan toch / persoonlijk geraakt’, zo lezen we in het eerste gedicht. Ook zijn lichamelijke houding is verbeterd: ‘er schuilt bewonderenswaardig veel / rust in mijn schouders / ik had allang iets / met mijn houding moeten doen /de gang sieren, opbollen als deeg’. Waar hij in de eerste cyclus het woord weigert, spreekt hij nu ‘voor iedereen’ en stelt hij met een bouwkundige term: ‘we zijn stuikend gezet, / we sluiten nauw aan’. De ik-figuur is niet meer opgesloten in zijn eigen wereld, er is nu ook sprake van een ‘jij’ en een ‘wij’. Toch is er wel wat sprake van ambivalentie in deze laatste cyclus. In ‘de neerslag van een stem’ lezen we het volgende verwijt: ‘iedereen is al betrokken / jij bent echt historisch laat nog onverdeeld, jij / staat niet eens aan je eigen kant’. Is dit verwijt gericht aan de ik-figuur, die wat laat positie kiest, of spreekt hij nu zelf een ander verwijtend toe? In datzelfde gedicht is er ook sprake van ‘een vorm van herstel / kastanjes weer in bolsters, vruchten toe’. Het herstel zou kunnen slaan op de toegenomen verbinding, maar dan is het beeld van een kastanje in zijn bolsters toch niet gepast? Wat wordt hersteld? De isolatie? Waar het lyrisch subject vroeger zelf zweeg, stelt hij nu voor om iemand anders het zwijgen op te leggen: ‘liever corrupt dan bekwaam, / dus ik stel voor om een mond te snoeren’, en lijkt hij zich op te sluiten in het eigen gelijk: ‘prekend had ik het gelijk van een klootzak’. Toch lijkt ook een ‘zij’, een geliefde, voor verzoening te zorgen: ‘de zij doet het hem / elke keer, de slaap valt als een hoes […] tijgerbalsem als een huis om in te wonen’.

In tegenstelling tot de eerste cyclus van persoonlijk geraakt zijn er hier geen monumentale bouwwerken te bespeuren, wel ‘hutten met scheve horizon’. Wie te veel last van het verleden wil meezeulen, is niet wendbaar, zo blijkt de logica van de volgende regels, waarin Sis Matthé in een woordspeling gebruik maakt van de homofonie tussen onthouden (herinneren) en (zich) onthouden (van iets):

 

Het nieuwe devies:

onthou je van herinnering,

reis licht in het hoofd

 

Sis Matthé wijst een overmatige obsessie met het verleden resoluut van de hand in het laatste gedicht van persoonlijk geraakt. In de toekomst kunnen we niet in het verleden wonen, aldus Matthé. De onderstaande regels doen denken aan ‘Vers 6’ uit De feesten van angst en pijn van Paul Van Ostaijen. In dat gedicht doet Van Ostaijen, net als Matthé hieronder, een avant-gardistisch tabula rasa gebaar: ‘Ik wil bloot zijn / en beginnen’.

 

het vrijst ben ik als ik tegelijkertijd

en zonder gêne zeg en doe,

 

niet zomaar drijvend op mijn rug

in een vakantiezwembad starend

naast de vloeiend hete zon,

 

maar wel uitdrukkend naakt

ver weg van etymologie.

 

een andere taal valt te verkiezen

boven zelfbeklag, historisch onderzoek

of kieuwen.

 

Is het echter wel wenselijk om ons te onthouden van herinneringen en uitdrukkend naakt te willen zijn? Nu ben ik zelf niet bepaald fan van het monumentale verleden, en het kan bevrijdend zijn om de last van de geschiedenis niet te moeten dragen, maar is het niet gevaarlijk om bepaalde verledens te vergeten? En dreigen we zonder herinnering niet vast te raken in een eindeloos heden? Zoals de filosoof en kunstcriticus Boris Groys stelt in een interview met Thijs Lijster, is het archief een structurele voorwaarde voor ware vernieuwing. Immers, als je een werk niet kunt vergelijken met wat al bestaat en is opgenomen in het archief, in de collectieve herinnering, hoe weet je dan ooit of iets nieuw is? Dan kennen we de verschillende bouwfasen van ons huis niet. Dan ontberen we de kennis om ons huis duurzaam aan te passen voor de toekomst. Dan reizen we licht in het hoofd steeds dezelfde rondjes.

 

Recensie: persoonlijk geraakt van Sis Matthé door Ewoud Goethals

Het balanseer, Gent, 2019

Geplaatst op 08/06/2020

Tags: ewoud goethals, het balanseer, persoonlijk geraakt, sis matthé, veva leye

Categorie: Poëzie, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.