Poëzie, recensie

Een meerstemmige deconstructie van de consumptiemaatschappij

Ofwa

Geert Buelens

Ofwa, de vierde dichtbundel van hoogleraar Nederlandse letterkunde en dichter Geert Buelens is een gelaagde en scherpe aanklacht tegen de (online) consumptiemaatschappij. De samenleving is een hel, de mens heeft zichzelf en de natuur uitgehold. Buelens kaart aan hoe een virus de maatschappij domineert, waardoor de mensen niet meer geneigd zijn naar elkaar te luisteren en hun eigen waarheden naast elkaar blijven verkondigen.

Met het omslag van de bundel zet Buelens meteen de toon. Brigitte Slangen, verantwoordelijk voor het omslagontwerp, laat algemene – zeg gerust: lege – woorden als ‘ja, ‘nee’, ‘mensen, ‘allemaal’, ‘gewoon’, ‘maar’ meerdere malen, in al dan niet verschillende grootte, in het groen afsteken tegen een zwart vlak. De woorden staan op het eerste ogenblik zo willekeurig, dat er geen chocola van te maken valt. Mede door die groene letters die afsteken tegen het zwart, roept het omslag direct associaties op met programmeertaal en daar lijkt het ook om te gaan. Immers, bij programmeertaal is er een geheel eigen syntaxis en semantiek, een geheel eigen werkelijkheid. In al haar binaire codes lijkt die taal zo simpel en ongecompliceerd. Het is het één of het ander, er is geen middenweg. Miscommunicatie komt bij programmeertaal niet voor. Althans, in de oorspronkelijke situatie. Inmiddels zijn er zoveel verschillende programmeertalen, met elk een eigen code, dat verwarring op de loer ligt. In al die ogenschijnlijke eenvoud schuilt dus zeker een gevaar. Eén verkeerd signaal, één verkeerde code en er kan een virus ontstaan.

Wat hier zo sterk aan is, is dat tussen de woorden ook een aantal keer het woord ‘virus’ staat. Dat lijkt heel onschuldig, maar is het allerminst. Zoals een virus, in de vorm programmeertaal, een computer binnendringt en besmet, zo dringt een virus onze taal en daarmee onze werkelijkheid, binnen. In onze menselijke taal lopen we immers constant het risico een ander verkeerd te begrijpen of verkeerd begrepen te worden, waarna we besmet kunnen raken met onbegrip, verontwaardiging of zelfs haat. Zodoende benadrukt Buelens dat die programmeertaal en werkelijkheid steeds meer de fysieke werkelijkheid en menselijke communicatie beïnvloeden, met alle gevolgen van dien.

Dat blijkt ook uit de titel Ofwa. Die samengetrokken, korte term wordt veelal gebruikt door jongeren op social media om verbazing uit te drukken en als stopwoordje. Beschaafd klinkt het allerminst. Eerder opgefokt. ‘Ofwa?’: ‘of niet dan?’. Dat woord staat symbool voor de toon waarop men met elkaar communiceert. Sterker nog, de titel laat zien op welk niveau het publieke debat zich momenteel begeeft. Of het nu gaat om de president van Amerika, racisme, Zwarte Piet, het coronavirus; online gaan de voor- en tegenstanders met elkaar op de vuist. Door de beperkingen van het online medium, soms door het maximaal aantal leestekens of het feit dat reacties anoniem zijn, hoef je geen nuanceringen te verwachten. Integendeel, de taal is hard en gaat vaak gepaard met woede en gescheld.  In zowel de online als fysieke wereld staat niet langer de gefundeerde, genuanceerde toon centraal, maar de impulsieve, zeg gerust populistische. Dat is wellicht het voornaamste symptoom van de volksziekte die Buelens in zijn bundel op het toneel brengt.

Besmet door de taal van social media

Mooi aan dit omslag is dan ook dat Geert Buelens’ naam en de titel Ofwa buiten dit zwarte vlak staan, alsof Buelens zich letterlijk wil distantiëren van die online (taal)werkelijkheid. Sterker nog, de schrijver keert zich tegen de huidige consumptiemaatschappij, die gedomineerd wordt door technologie, data en social media. Interessant hieraan is dat Buelens de taal van social media hergebruikt en reconstrueert om de onderlinge omgangsvormen van de huidige (consumptie)maatschappij te deconstrueren. Zo is er ‘een smetvreesvrij virus / klaar / om gelanceerd te worden’.

Zoals een virus een computer besmet, zo worden wij besmet door de taal en omgangsvormen van social media:

nu kan er eindelijk

volop en

vrijuit

worden gesproken

 

We tonen onze kracht

Genie moraal en spieren

Ontluis met man en macht

Verneder ze als dieren

 

We reden door de achtertuin

Een tuin van vlees en bloed

We smeten daar het pand tot puin

en deden ons tegoed

De gedachte dat er op social media en daarbuiten vrijuit gesproken kan worden, gaat gepaard met brutaliteit, vernedering en fysieke vernietiging. Buelens verbindt het lyrische treffend  aan al dat (non)-verbale geweld, alsof hij door het gebruik van een jambisch ritme, hoofdletters en gekruist rijm het geweld wil verheerlijken en tegelijkertijd door juist de taal te ‘versieren’ met deze kunstgrepen aankaart dat het gruwelijk handelen door de schoonheid van de taal (vergeefs) wordt verbloemd. Sterk is dan ook de strofe die hierop volgt:

uitgeleefde nee

doorleefde

vormen

een uitdrukking van

niets

wie neemt dat nog serieus

Deze strofe rekent af met de twee jambische voorafgaande strofen. Zij toont aan dat er in de huidige samenleving geen plaats is voor de schoonheid van de taal, voor taal als kunstvorm. Poëzie – of breder: kunst – stelt in de huidige samenleving niets meer voor. Zo vraagt het subject zich af: ‘wie / luistert er nog echt // naar mij // ja / scrollen en / swipen / dat kan iedereen // maar de boel even stilleggen’. Taal, en daarmee de werkelijkheid, kunnen in één vlug handgebaar worden weggevaagd en gewist. Dat is de teneur van de huidige samenleving. Zij is besmet met het virus van het online kapitalisme. Het gaat erom de wereld zo snel mogelijk (met zo min mogelijk ruimte voor reflectie) te consumeren. Er is geen ruimte voor ‘volstrekte concentratie’. Het subject stelt grimmig vast: ‘grandeur/ is wat we missen’.

Gevangen in het online kapitalisme

Buelens gebruikt dus zeker ferme taal. Hij protesteert via de poëzie. Die constateert dat de mens, juist door de technologische ontwikkeling, paradoxaal genoeg, gedegenereerd is. Zo stelt zij vast dat ‘jongeren / vergroeid met hun apparaat / altijd een antwoord klaar / maar zelf eens nadenken / zelf eens / hoe zal ik het zeggen / doorleven’.   Op zich is dit kritische beeld niet heel nieuw. Sterker nog, even lijkt Buelens van zijn verteller een oude knorrepot te maken die met argusogen toeziet hoe de samenleving verandert. Maar gelukkig speelt Buelens met de taal.  Niet voor niets sluit Buelens hier af met het werkwoord ‘doorleven’. Het werkwoord heeft hij  immers ook al een keer verbonden met de status van poëzie (de poëzie als ‘doorleefde’ vorm). In het geval van de poëzie, lijkt ‘doorleefd’ in eerste instantie een negatieve connotatie op te roepen, namelijk ‘uitgeblust’/ ‘uitgestorven’. De poëzie als verleden tijd. Die associatie verandert, wanneer het beeld zich aandient van de jongeren die bezeten zijn van hun apparaat en niet meer doorleven. In dit geval betekent ‘doorleven’ eerder ‘meemaken’/ ‘beleven’. De jongeren maken niets meer mee. Ze voelen niets. Ze stagneren. Ze leven niet meer – niet bewust althans – maar worden gestuurd, omdat ze gevangen zitten in dat online kapitalisme.

Daarmee stelt Buelens de vraag wie nou precies de controle over de ander heeft. Zeker, de mens consumeert de technologie en sociale media. De klakkeloze houding waarmee de mens gebruik maakt van die media slaat ook terug op diens taalgebruik. Hij heeft immers altijd ‘een antwoord klaar’, maar denkt zelf niet meer na, noch luistert hij geduldig of genuanceerd naar de ander.

Tegelijkertijd hebben de sociale media en de technologie de mens in hun macht. Zij nemen immers bezit van hun gebruiker, zorgen ervoor dat jongeren fysiek met hen vergroeien. Ook op mentaal vlak beïnvloeden ze de jongeren, en wel door middel van hun taaluitingen. Sterker nog, ze beïnvloeden de houding waarmee de mens zich tot de samenleving, tot de ander en dus ook tot ‘de Kunst’ verhoudt. Daarmee slijten ze de menselijkheid van de mens. Buelens laat duidelijk merken dat er een belangrijke rol voor ‘de kunst’ is weggelegd. De technologie belet de mens om de veelzijdigheid van het leven mee te maken. Juist de kunst, die zo doorleefd is – en nu niet in het geval van ‘uitgestorven’, maar van ‘vol gevoel’ – weerspiegelt de werkelijkheid op een veelzijdige manier.

De hel, dat is de mens

Naast het gegeven dat de kunst en menselijke omgangsvorm doorleefd zijn, kaart Buelens in Ofwa aan dat het hedendaags consumentisme de aarde uitholt. In het tweede deel van de bundel, genaamd ‘Dode hel’, laat Buelens met sterke beelden zien wat de mens de aarde heeft aangedaan. Er is ‘een staking van de natuur’, waarbij ‘vooruitgangsoptimisten liggen / te sudderen in het vet van varkens // Nee / ook dat is gestold / Niks meer om te eten, niks / meer omhanden’. De mens heeft zo onverzadigbaar en beestachtig andere beesten geconsumeerd tot er niets meer van over is.

Na de kunst en de mens is nu ook de hele wereld doorleefd. Op. Het leed dat Buelens oproept, verbindt hij aan een universeel leed, door in te spelen op religieuze conventies. Dat doet hij niet alleen door de wereld als een ‘dode hel’ neer te zetten, maar ook in onderstaand sonnet:

Schuiven we dus enkele staties naar boven

De wei is er groen

Het kuiken gepiept

De aanvang van het ontbijt voorzien

 

Later hield het nooit meer op

24/7 all you can eat

Alsof het niet op kon

het kon wel op

 

Moralisme, overbewustzijn

die cocktail uit de late jaren tachtig

vlak voor de wind zou draaien

 

Voor ons lag het smalste pad

Net toen de wereldbevolking explodeerde

werd er een koord gespannen

Buelens verwijst hier naar de veertien staties. Die staties staan niet alleen symbool voor het lijden van Christus maar ook voor het lijden van de wereld. Zoals de mens Christus opofferde, zo offert hij nu de wereld op. Met de opoffering van Christus leek de mens vrij van alle zonden. Hij kon weer smetteloos opnieuw beginnen. Van dat offer heeft de mens echter niets geleerd. ‘Later’ – en daar bevinden we ons nu – heeft het consumptiegedrag zijn toppunt (lees: dieptepunt) bereikt. De mens consumeert en consumeert, 24 uur per dag, alsof er geen einde aan is, maar dat einde is nu.

Al enkele decennia wordt er wereldwijd gewaarschuwd voor de kwetsbaarheid van het milieu. Tijdens de kerstrede (ook dat past bij de religieuze connotatie) van 1988 sprak de toenmalige Nederlandse koningin Beatrix het Nederlandse volk toe op de televisie. Ze vatte daarin het jaar in grote lijnen samen. Opmerkelijk aan deze toespraak was dat het staatshoofd voor het eerst haar zorgen uitte over ‘de vervuiling en vergiftiging van lucht, bodem en water’ Het is mooi hoe Buelens de tijdgeest van de jaren tachtig én de luchtige, wegwuivende reactie daarop naar voren brengt in het beeld van een cocktail. Toch schuilt er ook gevaar in een cocktail: dronkenschap en, in het verlengde daarvan, de kater liggen op de loer. Welnu, die kater dient zich aan in de vorm van een doorleefde wereld.

Als de wereld waarin wij leven, doorleefd en dood is en gedegenereerd is tot een hel, dan zijn de bewoners daarvan net zo goed gedegenereerd. Niet voor niets stelt Buelens het leed van de wereld voor als iets lichamelijks:

De barst toonde zich kwetsbaar

Een limiet van elasticiteit

bereikt

 

Diep

in het woud

intussen

braken takken van eeuwenoud

Ongenadig was hun malen

ongehoord het astmatisch gepiep.

Zoals de mens de aarde met zijn consumptiegedrag beschadigt, zo beschadigt hij zichzelf ook: ‘Tongen zo los / als ons consumptieniveau / brachten een hikken voort / dat ons raakte / tot in de wervelkolom’.

Door steeds concrete, uit het leven gegrepen beelden te gebruiken, maakt Buelens kritisch duidelijk hoe de mens, zowel fysiek als online, met zijn consumptiegedrag zichzelf, de ander en de hele wereld heeft aangetast. Let daarbij ook steeds op het ritme waarmee Buelens schrijft. Het tempo en de onderliggende woede maken de beschreven wereld nog beklemmender.

Een pleidooi voor gelaagdheid

Zo beschouwd lijkt Ofwa behoorlijk pamflettistisch. En ja, dat is de bundel ook wel. Toch verdient die kwalificatie enige nuance. Buelens gaat veel subtieler en veelzijdiger te werk. Zeker, hij houdt de samenleving een kritische spiegel voor en uit zich kritisch over de platvloerse taal van tegenwoordig, maar Buelens doet dit juist door gebruik te maken van diezelfde platvloerse taal. Door precies hetgeen in te zetten waartegen hij zich tegelijkertijd ook keert, ontstaat er een interessante gelaagdheid. Meerdere malen gaat Ofwa met zichzelf in discussie, als een literaire weerspiegeling van internetfora. Neem bijvoorbeeld ‘dat kun je wel zeggen ja / dat kun jij wel zeggen // maar het is zo gemakkelijk dat gewoon zo te zeggen / zonder zelf ook eens iets te doen’, waarbij het gedicht op zichzelf reageert.

Doorheen de bundel reageren de gedichten op elkaar. Waarmee het ene gedicht eindigt, kan het andere, hetzij in een andere woordvolgorde, beginnen. Wanneer er naar ‘monk in 54 in parijs’ wordt verwezen, ontstaat meteen de gedachte dat Buelens met deze meerstemmigheid niet alleen kritiek wil leveren, maar ook de poëtische conventies wil oprekken. Buelens verwijst hier naar de Amerikaanse jazzpianist Thelonious Monk, die ‘groot’ is geworden vanwege zijn onorthodoxe muziekopvatting. Monk improviseerde veelal en paste onverwachtse herhalingen, pauzes, afbrekingen toe. Zijn muziek had geen duidelijk verloop, maar meanderde. Hij reageerde in zijn muziek op zijn eigen muziek en heeft daarmee een belangrijke basis gelegd voor de jazzmuziek.

In Ofwa gaat Buelens op een soortgelijke wijze te werk door regelmatig op zijn eigen taal te reageren. Neem bijvoorbeeld: ‘zo is het allemaal gemakkelijk // het is zo gemakkelijk allemaal // allemaal: het is zo gemakkelijk’, waarmee hij dezelfde woorden drie keer in een andere volgorde zet en daarmee ook drie keer een ander beeld oproept. Wanneer Buelens zelfs later schrijft: ‘er komt niet een subliem moment / waarin alles richting zin en betekenis krijgt // zat je daarop te wachten / vergeet het’, blijkt de auteur de samenleving ook een spiegel voor te houden als het om consumptie van kunst gaat. Zoals eerder gezegd, de kunst is doorleefd en uitgehold. Zoals alles wordt kunst klakkeloos geconsumeerd.

Met Ofwa laat Buelens echter een tegengeluid horen. Juist door verschillende verwijzingen en zijn gelaagde taal, creëert hij een meerstemmigheid die voor de nodige contemplatie zorgt. Buelens laat zien hoe machtig taal is, hoe de samenleving en taal onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en elkaar wederzijds beïnvloeden. Ja, zijn bundel is in sommige gevallen een pamflet tegen bovengenoemde maatschappelijke ontwikkelingen, maar Buelens gebruikt juist beelden en taal uit de hedendaagse consumptiemaatschappij om die kritiek vorm te geven. Die paradox maakt van Ofwa een veelzijdige bundel die intrigeert.

Een recensie door Pieter Olde Rikkert over Ofwa van Geert Buelens.

Querido, Amsterdam, 2020
ISBN 9789021423968
75p.

Geplaatst op 04/06/2021

Tags: Geert Buelens, Klimaatverandering, Sociale media

Categorie: Poëzie, recensie

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.