Proza, Recensies

Psychologische strapatsen

Otmars zonen

Otmars zonen, de tweede roman van Peter Buwalda (1971), komt fans die sinds het verschijnen van Bonita Avenue (2010) reikhalzend hebben uitgekeken naar een vervolg mogelijk rauw op hun dak vallen. Was Buwalda’s debuut nog een sensationeel, spannend boek met een realistisch verhaal, dat uiterst gewiekst was opgezet en in hoog tempo verteld werd, de opvolger wekt in de eerste honderd bladzijden een heel andere indruk: Otmars zonen doet namelijk op ieder niveau gemaniëreerd en zelfs barok aan.

Neem alleen al de premisse van het verhaal: hoofdpersoon Ludwig Smit werd geboren als Dolf uit een carnavalsaffaire tussen ex-operettezangeres Ulrike Eulenpesch en ene J. Tromp, die zich reeds voor de geboorte uit de voeten maakte. Tot zijn tiende groeit Dolf op zonder vader, maar dan verschijnt de Venlose dirigent Otmar Smit ten tonele: Ulrike wordt verliefd, waardoor moeder en zoon al snel hun bescheiden onderkomen in Blerick verruilen voor diens statige hoekhuis. Dolf krijgt niet alleen een nieuwe vader, maar ook een broer en zus: Tosca en Dolfje, de kinderen van Otmar en zijn overleden eerste echtgenote, die vanaf jonge leeftijd werden getraind als musici. Tosca is een verdienstelijke violiste, maar Dolfje, die zich al vroeg laat gelden als pianist en componist, is het echte wonderkind. Omdat hij ook al optreedt en enige naamsbekendheid heeft verworven, wordt besloten om Dolf Eulenpesch te herdopen tot Ludwig Smit. Een uiterst symbolische ontwikkeling: Ludwigs opname in een nieuwe familie gaat gepaard met het verlies van zijn uniciteit en het ontstaan van een nieuw verwachtingspatroon – hij wordt immers vernoemd naar een groot componist – waar hij zich toe zal moeten verhouden.

Hiermee hebben we het domein van de conventionele realistische roman verlaten: vergeleken met Bonita Avenue steunt Otmars zonen veel sterker op symboliek, de vertelling wordt niet als natuurgetrouw, maar als nadrukkelijk kunstmatig gepresenteerd. Dat zie je ook terug in de compositie van het boek: de kleurrijke jeugd van het hoofdpersonage wordt niet chronologisch beschreven, maar verbrokkeld opgediend in de vorm van de herinneringen van een volwassen Ludwig. Na een rommelige adolescentie, afgesloten met een periode op een Luzac College, heeft hij zijn leven uiteindelijk toch op de rails gekregen: inmiddels is de vierendertigjarige Ludwig Smit medewerker van Shell. Als ‘een handelsreiziger’ reist hij de wereld rond om ‘seismic surveys’ aan leidinggevenden te verkopen. Vandaar dat Ludwig zich aan het begin van Otmars zonen in Siberië bevindt: hij heeft een afspraak met de CEO van Sakhalin Energy. En omdat de topman op zich laat wachten, is Ludwig verzonken in herinneringen aan zijn vroegere leven.

Een voortstuwende plot lijkt in deze roman te ontbreken. Buwalda verbeeldt uitgebreid scènes uit het dagelijks leven van de familie Smit, inclusief weelderige beschrijvingen en kolderieke dialogen, en presenteert levendige schetsen van het desolate Siberië. Daarbij leeft hij zich stilistisch volledig uit: juist omdat de meanderende vertelvorm veel spanningsluwte voortbrengt, heeft Buwalda alle ruimte om detail en kleur aan te brengen. Dat levert talloze extravagante beschrijvingen op, die de eerste helft van dit boek dragen. Soms neigen die naar kunstproza, andere keren zijn ze weer uiterst krachtig:

 

De slak met oplegger slaat af, ze ronden een lange bocht in westelijke richting (al denkt hij dat altijd, als hij linksaf gaat). Aan weerszijden verdunt de bebossing; vrijwel meteen doemt het kleine vliegveld van Yuzhno-Sakhalinsk op. Over de hele linkerflank strekt zich een gelig heidelandschap uit waarover huizenhoge hozen schuiven, de smalle aanvoerwegen worden gepenetreerd door beweeglijke, ioniserende stuifsneeuw.

 

Buwalda’s vertelstem is in de afgelopen tien jaar losser en zelfverzekerder geworden. In Otmars zonen ontpopt hij zich tot een grootmeester van de beschrijving: op iedere pagina lijkt hij een nieuwe vondst te willen presenteren of een merkwaardig detail toe te voegen, zonder daarbij terug te schrikken voor lange uitweidingen, zijpaden of talige excessen.

Ook de vertelvorm wordt getypeerd door een zekere losheid. Pas na zo’n tweehonderd bladzijdes wordt een tweede perspectief geïntroduceerd en komt het verhaal werkelijk op gang. Na een weinig succesvol overleg ontdekt Ludwig dat zijn vlucht is geannuleerd wegens een sneeuwstorm. Hij strandt in een smoezelig hotel, waar hij een kamer moet delen met de onderzoeksjournalist Isabelle Orthel, die hij blijkt te kennen van vroeger: ze studeerden in dezelfde stad en waren zelfs enige tijd huisgenoten. Het toeval wil dat zij ook in Siberië is om de topman van Sakhalin Energy te spreken. Isabelle doet namelijk al jaren onderzoek naar misstanden in de oliewereld en vermoedt dat ze hier cruciale informatie zal kunnen inwinnen.

Het is een wat opzichtige kunstgreep, die Buwalda opvangt door simpelweg door te blijven schrijven en zoveel achtergrond en invulling te bieden dat alle stukjes opeens lijken te passen. Meer dan eens leidt dit tot overdaad, wat de vertelling ongeloofwaardig en grillig maakt. Zo wordt de nacht die Isabelle en Ludwig al slapend en pratend samen doorbrengen bijvoorbeeld een ellenlange exercitie, die steeds weer onderbroken wordt door perspectiefwisselingen, herinneringen en diepzinnige dialogen, en tot een bevreemdend hoogtepunt komt wanneer Buwalda meerdere pagina’s besteedt aan het beschrijven van een worsteling om een afgepakt oordopje. Deze absurde verwikkelingen passen natuurlijk allemaal in de groteske toonzetting van deze roman, maar toch voelt het alsof de schrijver zich hier heeft laten meeslepen ten koste van de vaart van zijn verhaal.

 

Vaderfiguren

De verschijning van Isabelle Orthel voltooit ook het psychologische raamwerk van de roman. Het gaat in Otmars zonen niet zozeer om de verhouding tussen Ludwig en Isabelle, die welbeschouwd niet bijzonder substantieel is, maar om de overeenkomsten en verschillen tussen hun levens. Net als Ludwig is Isabelle op een bepaalde manier vaderloos: ze werd geboren in Thailand en geadopteerd door een Nederlands koppel, waarover de lezer in de loop van Otmars zonen overigens niet al te veel te weten komt. Belangrijker is haar grootvader, de conservatieve ex-politicus, Elsevier-columnist en kinderboekenschrijver Andries Star Busman. Deze enigmatische maar louche man had een sterke invloed op Isabelle, die hem aanvankelijk als een mentor en later als een tegenstander beschouwde. In zijn boekenkast vond zij ook een editie van Juliette (1797-1801) van Markies de Sade (1740-1814): een tekst die de jonge Isabelle met een sterke interesse in het kwaad opzadelde.

Zowel Ludwig als Isabelle zocht naar een vaderfiguur, en die positie werd enige tijd door respectievelijk Otmar Smit en Andries Star Busman bekleed. Deze excentrieke en ambitieuze mannen sterven beiden, waardoor een vervanger moet worden gevonden. En zo wordt de topman van Sakhalin Energy de spil van dit psychologische verhaal. Deze Johan Tromp oefent namelijk een bijzondere aantrekkingskracht uit op de twee hoofdpersonages: Ludwig vermoedt en vreest dat Tromp zijn biologische vader is en probeert daarom met hem in contact te komen. Isabelle volgt de topman al jaren en probeert hem de scoop van haar leven te ontfutselen. Al snel kom je te weten dat Isabelle hem ook al interviewde toen hij in Nigeria werkte en dat de twee toen een intense seksuele verhouding hadden, die ze in Siberië mogelijk weer zullen oppakken.

Buwalda’s spel met vaderfiguren en seksualiteit kennen we al uit Bonita Avenue, waarin de academicus en judoka Siem Sigerius mede door de pornosite van zijn stiefdochter ten val kwam – terecht noemde Kees ’t Hart het boek een Freudiaanse ‘familieroman’. Maar waar Sigerius (die in Otmars zonen overigens ook nog even voorbijkomt) naast een krachtige persoonlijkheid en een voorbeeld voor de zoekende protagonist Aaron ook een vertwijfelde, zelfs verscheurde man was, lijkt Tromp de belichaming van de oerpatriarch te zijn. Hij is meedogenloos en ambitieus, gaat over lijken om zijn doel te behalen. Hij is aantrekkelijk, sterk en viriel. Hij is onbereikbaar, koel, raadselachtig. Hoewel Ludwig en Isabelle allebei continu met hem bezig zijn, houdt Buwalda de gedachtewereld en het verleden van Tromp buiten beeld. Hierdoor wint hij aan mysterie en wordt zijn periodieke verschijning des te dreigender.

In de verhaallijn van Isabelle wordt Johan Tromp allengs een wandelend symbool van het kwaad. Niet alleen krijg je te horen dat hij waarschijnlijk medeplichtig is aan enkele ontvoeringen, Tromp blijkt ook een vrij agressieve sexual predator. Met sadistisch genoegen onderwerpt en domineert hij Isabelle, die zo wordt ingewijd in de wereld van De Sades Juliette, een sleuteltekst die binnen deze roman een steeds belangrijkere rol gaat spelen. Buwalda’s interesse in seksuele transgressie, die zijdelings aan bod kwam in zijn debuutroman en zijn vroege essay over Sacher-Masoch, wordt in Otmars zonen compromisloos aan het licht gebracht, getuige de vele expliciete beschrijvingen van de afranselingen en vernederingen die Isabelle ten deel vallen.

Maar het blijft de vraag waarom dit geweld zo’n prominente plek in deze roman inneemt. Isabelles interesse in sadomasochisme lijkt vooral moreel en abstract te zijn, en aangezien ze te kennen geeft dat ze lang niet altijd even gecharmeerd is van Tromps praktijken, wordt de suggestie gewekt dat Isabelle om professionele redenen een offer brengt. Tromp zelf blijkt door zijn seksuele voorkeuren nog meer weg te hebben van een archetypische gewelddadige man. Ook steekt hij daardoor steeds sterker af tegen zijn mogelijke zoon Ludwig, die al zijn hele leven last blijkt te hebben van ejaculatio praecox, wat door Buwalda opnieuw met zichtbaar plezier en zonder veel mededogen beschreven wordt.

 

Een ambivalente verteller

Mogelijk kan de kwestie van het geweld pas verhelderd worden na het lezen van De jaknikker en Hysteria siberiana, de twee vervolgdelen die Buwalda heeft gepland, maar voor nu dringt zich toch de vraag op wat de schrijver met Otmars zonen werkelijk heeft willen zeggen, of wat de diepere betekenis van alle psychologische strapatsen is. Hoewel Buwalda als stilist prominent in het boek aanwezig is, neemt hij als verteller een afstandelijke, vaak ambivalente positie in. Zo bevat Otmars zonen meerdere grappen over Freudiaanse psychoanalyse en gemeenplaatsen over vaderfiguren. Buwalda lijkt hiermee echter geen kritiek te willen uiten: eerder levert hij ironisch commentaar op de psychologische verhoudingen die duidelijk de kern van zijn boek uitmaken. Daardoor blijft ook in het midden of de schrijver via zijn personages een mensbeeld heeft willen uiteenzetten, of dat hij bepaalde psychologische tropen heeft gebruikt om zijn verhaal van dramatiek en gewicht te voorzien.

In zijn beschouwing over Bonita Avenue stuit Arnold Heumakers op een vergelijkbare onduidelijkheid. Net als vele anderen stelt hij dat Buwalda’s debuut vaardig geschreven is, prachtige zinnen bevat en een heuse pageturner is, maar toch trekt hij de literaire waarde ervan in twijfel. Het boek lijkt namelijk geen centrale thematiek of ideeën te bevatten en het drama wil niet echt tragisch worden. Omdat Bonita Avenue buiten het spannende verhaal intellectueel gezien weinig substantie zou bieden, meent Heumakers niet met literatuur, maar met vermaak van doen te hebben. Zijn eindoordeel is dan ook tamelijk vernietigend: ‘Deze roman belichaamt de knieval van de literatuur voor de meedogenloze opmars van de thriller in de publieksgunst.’

Zo gortig hoeft een kritiek op Otmars zonen niet te worden. Zoals gezegd verschilt het boek duidelijk van Bonita Avenue: het is geen thriller maar een groteske, gewichtiger en duisterder dan Buwalda’s debuut. Toch blijft het ook in deze roman moeilijk om een visie of een mensbeeld te ontwaren. Het verlangen om een standpunt in te nemen, uitgesproken kritiek te leveren of te analyseren lijkt de auteur vreemd: Buwalda beschouwt het in dit eerste deel als zijn voornaamste, zo niet enige taak om een spannend, goedlopend verhaal te vertellen.

Precies die eigenschap van Otmars zonen is in de kritiek dan ook uitbundig geprezen. Het boek is direct onthaald als ‘een meesterwerk’, en dat voornamelijk op grond van Buwalda’s stilistische brille en het ‘meeslepende’ verhaal. Diepgaandere analyse lijkt de roman vooralsnog niet te hebben uitgelokt; in plaats daarvan wordt in interviews en recensies gereflecteerd op Peter Buwalda’s unieke literaire ambitie, zijn toewijding aan het schrijverschap of de uitzonderlijke omvang van zijn roman. Met Bonita Avenue was dit niet anders, zoals Arnold Heumakers in zijn essay laat zien, en dat doet nog meer vragen oprijzen: Zijn Nederlandse critici eerder op zoek naar een groot verhaal, een dik boek waar je enkele dagen in kunt verdwijnen, dan naar een verrijkend of ontregelend menselijk relaas? Geven de opvolgers van Heumakers meer om entertainment dan om intellectuele prikkeling?

Daarmee is overigens niet gezegd dat de recensenten verkeerd hebben geoordeeld: Otmars zonen is inderdaad een blijk van indrukwekkend vakmanschap, een uiterst originele roman die door niemand anders dan Peter Buwalda geschreven had kunnen worden. Maar is dat genoeg om in het zenit van de hedendaagse Nederlandse literatuur te worden geplaatst? Buwalda laat zijn personages voorzichtig de verbindende factor van genen en familie in twijfel trekken en kort peinzen over het absolute kwaad of de relatie tussen ambitie en minderwaardigheidsgevoelens. Toch lijkt hij met Otmars zonen geen diepere inzichten te willen delen, geen antwoord te willen geven op de vraag wat ons tot mens maakt. Je kunt je allicht afvragen of je van een meesterwerk niet wat meer mag verwachten, maar ook dat is een vraag die pas na de voltooiing van deze trilogie op afdoende wijze beantwoord zal kunnen worden.


Geplaatst op 26/03/2019

Tags: Otmars zonen, Peter Buwalda, Seksualiteit, Vaderfiguur

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

  1. Dap Hartmann

    Helemaal mee eens.
    Het verhaal vliegt alle kanten op, en ontspoort bij wijlen volledig.
    Stilistisch is het regelmatig prachtig met originele beeldspraak en associaties.
    Maar aan het eind van dit deel blijf je als lezer achter met tal van losse einden en het zeer onbevredigde vooruitzicht dat deel II misschien nog wel acht jaar (?!) op zich laat wacchten.
    Hetgeen de gerechtvaardigde vraag oproept: wil ik in 2027 (!?) deel II nog wel lezen?

    Beantwoorden

  2. Mireille - aclassicread

    Dank voor deze grondige recensie! Deze centrale thematiek heb ik ook nog niet kunnen ontdekken, maar wellicht ligt dat aan mijn beginners-level in het literaire genre. Toch zitten er zitten mooie elementen in het verhaal. Mogelijk begint het verhaal bij hoofdstuk 111 vanwege opus 111. Deze link is wellicht door te trekken naar het ritme van het verhaal omdat opus 111 te kenmerken is door het stormachtige ritme wat zowel in de vertelling als setting duidelijk naar voren komt. Ook zie ik een mogelijke link naar het idee van een triologie en in dit eerste deel de driehoeksverhouding tussen Ludgwig, Isabelle en Johan. Wellicht komt daar in volgende delen nog een diepgaandere betekenis van de relaties tussen Tosca, Dolf, en Ludwig bij op.

    Anderzijds voelen deze mechanismes ook wat kunstmatig en gedwongen aan: door bij hoofdstuk 111 te beginnen ontstaat de verwachting dat het hoofdstuk in 111 delen te vertellen is. Dat lijkt me in de toekomst mogelijk spanningen opleveren omdat gaandeweg er wellicht meer of minder te vertellen is.

    Wat mij nog niet duidelijk wordt in het verhaal is waarom het Otmars Zonen heet. Ik begrijp dat hij er twee heeft en dat het verhaal deels over hen gaat 😉 Maar, het 1e deel gaat voornamelijk over Ludwig, Isabelle en Johan. De verhaallijn rondom Dolf en opus 111 doet mij daarbij als minder groots en belangrijk aan. Bovendien suggereert de absint lepel op de cover dat Isabelle hier ook een rol in speelt, maar haar relatie tot Dolf is nog niet zo ver ontwikkeld. Ik ben benieuwd naar het vervolg.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.