Proza, recensie

Een handreiking over de kloof

Het moois dat we delen

Ish Ait Hamou

Op een voorjaarsochtend in 2016 werd België opgeschrikt door een reeks aanslagen op de Brusselse luchthaven Zaventem. Als noorderbuur volgde ik de gebeurtenissen destijds door de lens van de Nederlandse media. Na een dag van live verslaggeving, het vaststellen van het dodenaantal en uiteindelijk het claimen van de verantwoordelijkheid verdwenen de berichten over de nasleep langzaam maar zeker weer naar de buitenlandrubrieken. Wat overbleef was een perverse opluchting, het gevoel van degene die buiten schot gebleven is. Want hoewel het migratiedebat ook in Nederland voortdurend wordt gevoerd, is het ritme ervan vooralsnog niet bepaald door de naschokken van een explosie.

In België tekenden de aanslagen de levens van nabestaanden, omstanders en medeplichtigen. Wat trilt er nog na in de woonwijken van de betrokkenen, nu de journalisten vertrokken zijn en de camera’s weer een andere kant op kijken? Dit is wat Ish Ait Hamou (1987), voormalig danser, choreograaf en televisiepresentator, lijkt te willen onderzoeken in zijn roman Het moois dat we delen (2019). Het verhaal speelt zich af in een fictieve Belgische volkswijk waar de al gespannen verhoudingen tussen groepen buurtbewoners nog meer op scherp komen te staan na het vrijkomen van een betrokkene bij een aanslag op een busstation vijf jaar eerder. De daders waren twee zelfmoordterroristen, zestien mensen kwamen om het leven.

Je eigen land

Ait Hamou vertelt in deze roman hoe wegen elkaar tegen alle verwachtingen in kruisen. Het perspectief is evenredig verdeeld over Soumia, een jonge Marokkaans-Belgische, en Luc, een Vlaming op leeftijd. Het narratief van toenadering tussen de twee buurtgenoten wordt al expliciet gemaakt in de inhoudsopgave van de roman. Het verhaal is verdeeld in de hoofdstukken ‘Zij’, ‘Hij’, ‘Hij & Zij’ en wordt afgesloten met een korte epiloog getiteld ‘Wij’.

In het hoofdstuk ‘Zij’ maken we kennis met een nog naamloze ik-verteller, die na een tijd van afwezigheid weer terug is in haar ouderlijk huis. Alles in dit eerste deel van de roman klinkt, tikt en ruist. De ik-verteller hoort het allemaal: sleutels in het slot, voetstappen op de trap, borrelend water in het koffiezetapparaat. Ze leeft als een inbreker in haar eigen huis en probeert zich zo onopvallend mogelijk door het bestaan te bewegen. Haar voorzichtigheid wordt bijna fysiek voelbaar: ze houdt haar adem in. Bovendien is de stilte van haar vader en broertje door de geluiden van het dagelijks leven oorverdovend.

Want er is iets gebeurd. Er is een onherstelbare fout gemaakt die ervoor zorgt dat de ik-verteller zelfs de blikken van haar familieleden nauwelijks kan verdragen. De eerste vijftig pagina’s van de roman worden gekenmerkt door gapende gaten in de informatievoorziening. Helaas zorgt dit voor een wat frustrerende leeservaring. Er zijn geen verborgen details die intrigeren, die doen vermoeden. Er zijn enveloppen op tafels, met logo’s en afzenders die voor de verteller bekend zijn maar toch niet benoemd worden. Dat maakt de zoektocht naar informatie niet zozeer prikkelend als wel vermoeiend. Alsof je elke keer op klaarlichte dag tegen een blinde muur aanloopt, in plaats van dat je in het schemerdonker met je ogen moet knijpen om te zien wat er voor je ligt.

De gaten worden geleidelijk opgevuld. Eerst is er een aanklacht, ‘taxi-terroriste’, vervolgens een naam: Soumia. De hoofdstukken in het heden worden afgewisseld met flashbacks waarin Soumia vertelt over een afspraakje met haar geliefde, over hoe gelukkig ze was geweest op de bewuste avond. Hoe ze in deze gelukkige waas een inschattingsfout maakte en ermee instemde om een ‘koppeltje’, vrienden van vroeger, een lift te geven naar een busstation, niet wetende dat hun koffers gevuld waren met explosieven. Het nieuws van de explosie hoorde ze pas toen ze de volgende ochtend wakker werd. Ze weet de rechter niet te overtuigen van haar onschuld en krijgt een gevangenisstraf van vijf jaar.

Tegen de klippen op probeert Soumia haar leven na haar gevangenschap te hervatten. In de weerstand die haar omgeving haar daarbij biedt, laat Ait Hamou zijn scherpste waarnemingsvermogen zien. Wanneer ze bij de directrice van Karims school moet verschijnen omdat haar broertje onder het voorwendsel van achterblijvende cijfers een schorsing boven het hoofd hangt, hoort Soumia vooral wat er niet gezegd wordt: ‘Ik apprecieer het dat ze zijn gedrag aankaart, maar de stem van de directrice zingt een paar valse noten. Er is meer.’ De directrice blijkt de spreekbuis te zijn van de ouders die hebben vernomen dat hun kind in de klas zit bij het broertje van de taxi-terroriste. De afwijzing verpakt in behulpzaamheid is het meest beklemmend, laat Ait Hamou zien in een zeldzame, poëtische observatie: ‘De lucht is wolkeloos en toch, ik zou zweren dat er water tot aan mijn knieën staat.’

Er worden niet altijd doekjes gewonden om de ‘terug naar je eigen land’-retoriek. Wanneer Karim na een vechtpartij in het ziekenhuis belandt, legt een wildvreemde in de wachtkamer Soumia graag even uit waarom ‘mensen er weleens genoeg van krijgen’:

Ik heb niets met racisten maar soms hebben ze wel een punt. Als mensen het hier niet goed vinden, dan moeten ze gewoon terug naar waar ze vandaan komen. Soms vraag ik me af waarom jullie dat niet snappen. En trouwens, neem het niet verkeerd op, hé, ik heb ook vrienden onder jullie en die denken er ook zo over.

Het is een al te bekende gedachtegang, die in zijn absurde directheid de vernietigende kracht van xenofobie laat zien. Voor Soumia is zo’n opmerking een herinnering aan het feit dat haar plek in het land waar ze woont op ieder moment zomaar ter discussie gesteld kan worden, juist ook in de wachtkamer van een ziekenhuis. Ze is met stomheid geslagen, maar hervindt later haar woorden: ‘Ik ben hier en daar, ik ben goed en slecht. Ik ben niet half, ik ben dubbel.’ De laatste zin wijst op een centrale vraag in deze roman: wie bepaalt er wie Belg is en wie niet? Soumia is, met haar dubbele nationaliteit, Belgische. Toch weet ze dat ze niet zo gezien wordt, zoals blijkt uit de passages waarin ze fantaseert over hoe het zou zijn om te solliciteren onder de volgens haar ultiem Vlaamse naam Sarah De Witte.

Een baan vindt Soumia uiteindelijk bij kruidenier Hassan, voor wie ze boodschappen bij klanten bezorgt. En zo belandt ze dan eindelijk bij Luc voor de deur, terwijl ze zichzelf vertelt wat niemand haar wil laten geloven: ‘Ik ben een gewone vrouw, ik ben een gewone vrouw, ik ben een gewone vrouw.’

Wij en zij

In het hoofdstuk ‘Hij’ kruipen we in het hoofd van Luc. Sinds het verlies van zijn vrouw is Luc hulpbehoevend. Hij is afhankelijk van de bezorgservice van Hassan en wordt door de thuiszorg geholpen met douchen. Zijn wereld is klein. Het meeste contact heeft hij met zijn zwager Albert, die hij regelmatig treft op de voetbalclub waar Luc in een ver verleden de sterspeler was. Net als Soumia heeft hij een scherp oor voor de geluiden van zijn stille huis: in het druppen van de lekkende kraan hoort hij een onvervulde belofte aan zijn vrouw. Waar zijn vrouw aan overleed, laat zich inmiddels makkelijk raden: ze is één van de zestien doden van de aanslag op het busstation.

De verhalen van Soumia en Luc spiegelen zich aan elkaar als het gaat om gevoelens van eenzaamheid en je verloren voelen in je eigen leefomgeving. Er is echter ook een zekere disbalans tussen hun beide perspectieven en hierin schuilt het probleem van de manier waarop Ait Hamou het verhaal heeft opgezet: waar Soumia’s perspectief inzicht gaf in de complexe barrières die xenofobie en racisme opwerpen voor degenen die er slachtoffer van zijn, wordt diezelfde houding in Lucs perspectief gereduceerd tot een oppervlakkige weergave van het wij-zij-denken. Dit vloeit voort uit welbekende oorzaken, zoals het veranderen en ‘verkleuren’ van een voorheen witte wijk:

Ik heb hard moeten werken om hier met Maria te kunnen wonen. Het was allemaal niet zo vanzelfsprekend als vandaag. Vandaag eisen ze een woning op. De mensen zijn veranderd. Ons land is veranderd.

Luc en Albert belichamen zo het stereotype van de witte Vlaming die zich hoe langer hoe minder thuis voelt in ‘zijn land’. Daarbij komt het trauma veroorzaakt door het verliezen van een geliefde in een terroristische aanslag. Hoewel Ait Hamou met sympathie schrijft over de manier waarop beide mannen rouwen, schiet hij tekort in het bieden van een diepgaande analyse van hun xenofobie.

Wanneer Luc eenmaal heeft vastgesteld dat de vrouw voor zijn deur inderdaad Soumia J., de taxi-terroriste is, beweegt hij een tijdje heen en weer tussen sympathie en woede. In het hoofdstuk ‘Hij & Zij’ komt het cruciale gesprek eindelijk tot stand – onder het genot van door Soumia klaargemaakte muntthee – en blijken de flashbacks uit Soumia’s hoofdstuk deel van het relaas dat zij houdt tegenover Luc. Ze vertelt hierin over het moois dat zij deelde met het ‘koppeltje’, de aanslagplegers, met wie ze opgroeide en een geloof deelde. Ook Luc geeft invulling aan de titelfrase van de roman: met zijn vrouw deelde hij het vermogen om te vergeven. De twee interpretaties geven invulling aan een centrale spanning in dit boek: tussen vast willen houden aan wat je kent en je verzoenen met wat je vreemd is.

Het narratief van toenadering wordt bruut verstoord wanneer Soumia uiteindelijk in de val gelokt wordt door Albert, die haar opwacht in Lucs huis nadat hij op zijn naam een bestelling plaatste bij Hassan. In een ultieme afwijzing van de verzoening schiet Albert Soumia dood. Waarom hij het deed? ‘Ik moest iets doen om hen te stoppen.’ Het is gissen of Albert, die tot het einde tamelijk eendimensionaal blijft, zelf eigenlijk weet wie hij met ‘hen’ bedoelde.

In de epiloog bezoekt Luc de vader van Soumia, die de zwager van zijn dochters moordenaar zonder enige wrok verwelkomt en zelfs muntthee voorzet. Ook wisselt hij een paar woorden met Karim over voetbal. Het is een misplaatst gemoedelijke scène, die een schrale troost biedt voor Soumia’s mislukte poging tot re-integratie na haar gevangenschap.

Muntthee en voetbalpraat

Een tekortkoming van de roman is dat het verhaal vaak sentimenteel is, terwijl Soumia en Luc te maken hebben met grote emotionele trauma’s. Abdelkader Benali prijst de roman in zijn recensie in Trouw om de wijze waarop Ait Hamou zijn personages invoelbaar maakt. Maar is dat niet al te makkelijk als je elke keer letterlijk opschrijft wat een personage denkt of voelt? Soumia, bijvoorbeeld, benoemt keer op keer de onomkeerbaarheid van haar daad: ‘Uit alle macht probeer ik een weg te vinden naar gisteren. Een gisteren waarin het leven nog vanzelfsprekend was’. Of, in een flashback: ‘Alleen wist ik niet dat morgen nooit zou komen. In ieder geval niet de morgen die ik voor ogen had.’ Zonder krampachtig vast te willen houden aan show don’t tell, wil ik toch stellen dat iets meer subtiliteit de gevoelens van Soumia en Luc juist tastbaarder had gemaakt. De herhaaldelijke letterlijkheid maakt van complexe emoties iets banaals en reduceert Soumia en Luc tot respectievelijk schuldgevoel en rouw.

Ook doet het ontbreken van een aantal essentiële perspectieven tekort aan de complexe situatie rond terrorisme en de daardoor verhardende xenofobie. Het koppel dat de aanslagen pleegde, blijft bestaan uit twee silhouetten zonder invulling. Ze worden enkel getypeerd, vanuit het perspectief van Soumia, als ‘erg gelovig’ en als mensen die ‘niet deugen’. Ook de andere dader in het verhaal, Albert, blijft een stereotype. De moslimterrorist en de rechtsextremist blijven zo een onbetwist gegeven, en dat is zonde in een roman die poogt de menselijkheid van beide partijen te laten zien. De perspectieven van relatieve buitenstaanders zoals Soumia en Luc zijn waardevol, maar sturen niet aan op de écht moeilijke gesprekken. Was het maar zo makkelijk, maatschappelijke scheuren dichtsmeren met muntthee en voetbalpraat.

De diepte in kijken

Misschien ben ik te streng. Het sympathieke verlangen om bruggen te bouwen, spreekt uit iedere pagina van deze roman. En overal waar maatschappelijke verdeeldheid heerst, staan er aan beide kanten mensen die hun verhaal willen doen en gehoord willen worden. Ish Ait Hamou doet hiertoe een dappere poging. In een interview met De Standaard typeert hij zichzelf als de stem van zijn generatie: ‘Dit type verhaal maakt deel uit van mijn generatie, van onze samenleving. Ook dit moest worden verteld.’ En inderdaad, verhalen over polarisatie en migratieproblematiek maken deel uit van onze tijd. Wat hopelijk ook deel uit zal maken van onze generatie is een kritische blik die ziet dat het oplossen van verdeeldheid om meer vraagt dan het besef dat we allemaal mensen zijn. Een kritische blik die door de oppervlakte van emoties heen prikt. Wie een hand over de kloof wil reiken, moet ook diep in die kloof durven kijken. Ik denk dat we die al dan niet strenge eis mogen stellen aan literatuur die zo dicht op de actualiteit wil zitten.

Deze recensie over Het moois dat we delen van Ish Ait Hamou door Hanna Kok werd mede mogelijk gemaakt door het Algemeen-Nederlands Verbond.

Uitgeverij Angèle/Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 2019
ISBN 9789022336953
270p.

Geplaatst op 27/12/2020

Tags: Hanna Kok, Ish Ait Hamou

Categorie: Proza, recensie

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.