Recensies, roman

(T)huis (z)onderweg

Waarom we huizen bouwen

Renée Kapitein

Waarom we huizen bouwen van Renée Kapitein vertelt het verhaal van Anna, een twintiger die op automatische piloot meedraait in de moderne maatschappij. De toevallige ontmoeting met Bor verstoort haar routineuze bestaan. Hij ziet in haar zijn levenspartner en betrekt haar haast meteen bij de bouwplannen van zijn droomhuis. Samen starten ze aan de verwezenlijking van zijn droom, maar al gauw blijkt Bors onrealistische ‘huisje-boompje-beestje-ideaal’ in strijd met Anna’s levenswijze.

Aan het begin van de roman weet Anna niet wie ze is, noch wat ze in haar leven wil bereiken. Ze bevindt zich in een typische existentiële crisis waarin veel twintigers zich zullen herkennen. Zonder nadenken functioneert ze in een samenleving waarin alles moet, niets mag en tijd de schaarste grondstof vormt. Problemen gaat ze uit de weg, net als het nemen van beslissingen. Kortom: Anna stelt het ‘echte leven’ uit. Dat verandert wanneer Bor haar een schijnbaar kant-en-klaar, ‘overzichtelijk plan’ aanbiedt. Hij schenkt haar de structuur en de rust waarnaar ze zo verlangt. Samen bereiken ze ‘alles wat ze wil […], zonder te realiseren dat ze dat alles wil.’ Al rijst de vraag of het effectief gaat om Anna’s wil en niet om de verwachtingen van de maatschappij. Met andere woorden: kiest ze voor Bor ‘uit liefde, eenzaamheid [of] nut’?

Hoe concreter de bouwplannen, hoe sterker de realiteit zich aan Anna opdringt. Het vakantiegevoel dat ze aanvankelijk bij Bor ervaarde, verdwijnt. Ze kan niet langer doen ‘alsof’, opeens is alles ‘echt’. Een onderscheid dat Anna niet altijd kan maken: ‘Het is mij vaker verweten gebrek aan vuur te hebben. Realistisch te zijn als dat niet gewenst is. Koeltjes te reageren op het verkeerde moment.’ Anna vindt het vaak moeilijk om de gepaste houding aan te nemen, wat meer dan eens consequenties heeft. Haar complexe relatie met de realiteit alsook de existentiële crisis waarin ze zich bevindt, maken haar tot een – vaak té – herkenbaar personage.

De bouw van het huis loopt parallel met de verbrokkeling van de liefdesrelatie tussen Anna en Bor. Anna kan de werkelijkheid niet langer ontvluchten: geldkwesties die ze voorheen verwierp als ‘te ingewikkeld’, rusten voortaan op haar schouders. Belangrijke beslissingen kan ze niet langer naar Bor doorschuiven, want die weigert om de realiteit te erkennen. De haast puberale en besluiteloze Anna uit het begin van het verhaal wordt noodgedwongen volwassen. Dat groeiproces doorloopt ze – zoals het cliché voorschrijft – met vallen en opstaan.

Het bouwproces vormt een metafoor voor de ontwikkeling van Anna’s identiteit. Gaandeweg vraagt ze zich af waarom ze het eigenlijk doet, want ‘Tja. Waarom bouwen we huizen?’ Die vraag kunnen ook haar leeftijdsgenoten niet beantwoorden. De bouw van een huis vormt simpelweg de logische volgende stap in Anna’s leven, het bewijs dat ze haar leven in handen heeft. Niets is minder waar: ze doet slechts wat ‘men’ van haar verwacht. Pas wanneer ze besluit om de bouwwerken te beëindigen en los te komen van de strenge verwachtingen van de maatschappij, krijgt haar identiteit en zo ook haar leven vorm. Helaas vervalt Kapitein met die positieve ommekeer in een clichématige en voorspelbare moraal.

Anna verwerpt het ‘huisje-boompje-beestje-ideaal’ en kiest bewust voor een nomadisch bestaan, al beviel die levenswijze haar een paar jaar eerder niet:

Ik legde me erbij neer dat ik van huis naar huis zou zwerven. En ik maakte mezelf wijs dat ik dat helemaal zo erg niet vond. Maar ik was mijn thuis kwijt. Een huis waar je je thuis voelt, voelt als […] die lievelingsspijkerbroek die je ontzettend lang hebt, bijna doorzichtig is en nooit meer echt schoon wordt. Of als dat ene jurkje, dat jurkje waar je zo mooi in bent, waar je de wereld in aankunt. Of misschien als allemaal tegelijkertijd.

De werf voelde voor Anna nooit aan als een toekomstige thuis, wat haar leert dat niet elk huis een potentiële thuis vormt en dat niet elke thuis per se een klassiek huis hoeft te zijn.

Een huis dat niet je thuis is, is een blok, een vijandige hoop stenen die je altijd voortsleept. Er is al zo weinig overzichtelijk in het leven. De jaren zijn te lang, mensen te onvoorspelbaar en de wereld te groot. Er is zoveel wat je niet weet en dat alles reserveert ruimte in je hoofd. Ruimte gevuld met onzekerheden. Terwijl je eigen huis zekerheid geeft in je hoofd, een ingekleurd hoekje, waar je elke vierkante meter blind van kent.

Een veilige thuishaven stemt voor Anna niet langer overeen met een gefixeerde woonplaats. De caravan schenkt haar enkel zekerheid en rust wanneer die niet tussen vier muren wordt geplaatst. Het gaat haar dus niet om die specifieke caravan, maar om de flexibiliteit die een thuis op wielen met zich meebrengt. Onder het motto ‘Home is where I want to be’ richt Anna de caravan in als haar nieuwe thuis, een ruimte die haar de flexibele isolatie schenkt die haar vernieuwde nomadische levenswijze vereist.

Naast ruimte draagt ook kleur een symbolische lading. Anna’s voorkeur voor grijs weerspiegelt haar besluiteloosheid. Waar ze ook kijkt, ze ziet alleen grijs. Ze kan onmogelijk kiezen tussen wit en zwart, want waarom zou je kiezen als ‘grijs overal mooi bij staat’? Wanneer werfleider Pavel haar dwingt om definitief te beslissen welke verfkleur ze wil, kiest ze haast automatisch voor de grijstint ‘knikker’. Enkel en alleen omdat ze die herkent van het huis waar ze zorgeloos opgroeide. Anna associeert de tussenkleur grijs met een thuisgevoel, zoals ze de caravan gelijktijdig associeert met zekerheid en vrijheid. Die paradoxale combinatie vormt niet alleen voor Anna, maar voor de gemiddelde twintiger anno 2020 het ultieme streefdoel.

De proloog is stilistisch veelbelovend. Anna’s ironische relaas over ‘al de dingen’ die ‘moeten’, leest als een trein. Dat heeft niet alleen te maken met Kapiteins vloeiende en associatieve schrijfstijl, maar ook met de herkenbaarheid van de opgesomde ‘moetjes’. De concrete invulling van die verplichtingen alsook de autoritaire bron die ze oplegt, blijven onvermeld. De personages spreken slechts in vage termen als ‘de dingen, het leven, alles’. Toch leidt die onbepaaldheid niet tot oppervlakkigheid, net doordat ze passen binnen het huidige klimaat waarin iedereen het gevoel heeft onderworpen te zijn aan bepaalde verplichtingen en/of verwachtingen zonder die expliciet te benoemen. Op die manier ondersteunt Kapiteins stijl haar maatschappijkritiek, terwijl haar humoristische verteltoon voorkomt dat de roman zwaarwichtig aanvoelt.

Helaas houdt Kapitein die veelbelovende tendens van de eerste hoofdstukken niet vast. De stijl blijft vloeiend en de verteltoon luchtig, maar de kwaliteit van haar taalspel neemt af. De vele vergelijkingen en metaforen die aanvankelijk de moraal van het verhaal ondersteunen, wekken steeds vaker frustratie op. Ofwel komen haar expliciet toegelichte metaforen eerder flauw dan ingenieus over  (‘Alsof Bors enthousiasme gebruikt wordt als cement voor het huis en z’n cementmolen de vraag niet meer aankan.’), ofwel vervalt ze in overdreven poëtische en/of dramatische beschrijvingen (‘Ik besef nu pas dat ik Bor kwijt was. Verloren ergens tussen het cementgruis en stapels balken. Kwijtgeraakt in de 200 vierkante meter leegte.’).

Op gelijksoortige wijze gaat ook de overdaad aan stereotypes gaandeweg irriteren. Waarom we huizen bouwen bevat een scala aan clichébeelden die steeds worden voorgesteld als vaststaande feiten. Iedereen weet immers dat een zondagsontbijt speciaal hoort te zijn, dat jonge mensen de stad verkiezen en ouderen het platteland en dat elke man een kei is in het opwarmen van voorverpakte lasagne. Vooral genderstereotypes komen veelvuldig aan bod, zo benadrukt Anna zonder schroom dat Bor moet rijden omdat hij ‘ouder is en een man’. En: ‘Als je jonger bent en een vrouw en al zoveel nadelen hebt in de wereld, mag je die argumenten inzetten wanneer je wilt, je hoeft ze niet eens uit te spreken.’

Aanvankelijk draagt de bevestiging van zulke clichés in Waarom we huizen bouwen bij aan Kapiteins kritiek op het alomtegenwoordige hokjesdenken. Anna kan de drang om haar omgeving te categoriseren niet altijd onderdrukken. Bor, bijvoorbeeld, behoort niet tot de ‘hippe mensen’ en past dus niet in de ‘hippe zaak’ om de hoek. In de supermarkt beseft ze echter dat het (stereo)typische hokjesdenken niet altijd klopt. Haar koopgedrag als volwassene past eerder bij dat van een student, terwijl ze als student aankopen deed als een volwassene. Mensen kunnen niet zomaar worden verdeeld over de hokjes die de maatschappij oplegt, een boodschap die door de overdaad aan stereotypes en veralgemeningen verloren dreigt te gaan.

Zoals de achterflap belooft, gaat Waarom we huizen bouwen ‘over volwassen dingen doen, het leven en de liefde’. Kapiteins debuut leest als een hedendaagse bildungsroman, herkenbaar voor iedereen die zich anno 2020 aan de start van het ‘echte leven’ bevindt. Ondanks de humoristische verteltoon, de vlotte schrijfstijl en de subtiele symboliek, wint voorspelbaarheid het net iets te vaak van de beoogde herkenbaarheid. Kapitein laat het in een aantal passages stilistisch afweten, maar ze toont meer dan eens haar potentieel als auteur. Net als haar hoofdpersonage Anna heeft Kapitein het evenwicht nog niet helemaal gevonden, maar ze is onderweg.

Deze recensie door Margo Mies over Waarom we huizen bouwen door Renée Kapitein werd mede mogelijk gemaakt door het ANV.

Ambo | Anthos, Amsterdam, 2020
ISBN 9789026346873
263p.

Geplaatst op 05/01/2021

Tags: huizen, Renée Kapitein

Categorie: Recensies, roman

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.