Reiseinde

De reis naar Inframundo

Peter Holvoet-Hanssen

Met de verzamelbundel De reis naar Inframundo (2011) sluit Peter Holvoet-Hanssen expliciet een periode in zijn dichterschap af. In de ons inmiddels vertrouwde maritieme beeldspraak schreef hij al in 2009, na het verschijnen van zijn bundel Navagio: ‘[…] het wordt hoog tijd om af te monsteren. Ik duik onder om mij te herbronnen voor mijn vertrek op een tweede poëziereis – in een andere stemming.’

Dichter-drenkeling

Navagio werd aangekondigd als het slot van een poëziereis. Maar officieel afmonsteren doet Holvoet-Hanssen pas nu, twee jaar later, met een uitgebreide bloemlezing – 111 gedichten (!) – uit zijn vijf gepubliceerde bundels. De reis naar Inframundo is dus geen nieuwe bundel, maar evenmin is het een louter chronologische bloemlezing van de beste gedichten uit de twee voorbije decennia. Met De reis naar Inframundo probeert Holvoet-Hanssen ‘het web’ en ‘de draden’ van zijn oeuvre bloot te leggen – aldus de begeleidende tekst –, de ‘inframundo’: de wereld onder de oppervlakte, de wereld van de diepere samenhangen en correspondenties over de verschillende bundels heen (of eronderdoor). Deze dichter ziet zijn schrijven nadrukkelijk als een poëtisch ‘avontuur’, waarvan de ‘zeereis’ en de ‘zeerover’ twee van de belangrijkste metaforen zijn. ‘Zeekoningen zijn geen koningen van de zee. Sindbad was geen zeerover. Hij bracht verhalen mee’, aldus een motto van zijn eerste bundel Strombolicchio. De zee is in laatste instantie de taal en haar peilloze diepten die de dichter bevaart en aan wier onberekenbaarheid, oneindigheid en overvloed hij is overgeleverd. De zee is tegelijk baarmoeder én verwoestende kracht, voeding én bedreiging, belofte van zin en betekenis én afgrondelijke leegte. Geen toeval dus dat de kaft van Inframundo gesierd wordt door een foto (Jo Clauwaert) van een vissersboot op een woelige zee. Het is het beeld dat de vijf bundels met elkaar verbindt.

Dat de dichter er veel aan gelegen is dat zijn poëzie als een samenhangend geheel gelezen wordt, blijkt ook uit de inleiding door Noëlla Elpers, echtgenote en muze van de auteur, en zelf schrijfster van kinderboeken: ‘De vijfdelige exploratie “als vijf cd’s in één box” werd geconstrueerd als een spinnenweb, gehavend in de wind.’ En verder: ‘De drenkeling maakt zich klaar voor een tweede reis.’ De eerste poëziereis van Holvoet-Hanssen bestaat uit vijf bundels die hij indeelt als een drieluik en een tweeluik (met een prozawerk als scharnier). Het drieluik bestaat uit Strombolicchio. Uit de smidse van Vulcanus (1999), Dwangbuis van Houdini (1998) en Santander. Ontboezemingen in het vossenvel (2001). Hoewel Dwangbuis van Houdini eerder verscheen, bevat Strombolicchio oudere gedichten en is dus het beginpunt van Peter Holvoet-Hanssens reis. De roman De vliegende monnik verschijnt in 2004. Dan volgt het tweeluik: Spinalonga. 44 gedichten (2005) en Navagio. Wrakhoutgedichten (2008). Holvoet-Hanssen herordent de chronologie: vanuit verschillende invalshoeken of thema’s (‘camerastandpunten’) doorloopt hij telkens opnieuw de verschillende bundels. Hij blijft ook hier de programmatische eerste versregel van zijn debuutbundel – waarmee Inframundo opent – getrouw: ‘Ik breek mij af, bouw mij op.’ Het beeld van de dichter die uit de zee taal ophaalt in de vorm van wrakhout, brokstuk, fragment… is fundamenteel om de inzet en de vorm van Holvoet-Hanssens poëzie te begrijpen. Tegelijkertijd is er het even fundamentele verlangen naar samenhang, naar orde (dat bijvoorbeeld in zijn fascinatie voor cijfers uitdrukking krijgt). ‘Ik breek mij af, bouw mij op’ wijst als programma nog op een groot geloof in de autonome kracht van de dichter. Het beeld van de drenkeling uit Inframundo lijkt erop te wijzen dat dit geloof tijdens de reis rake klappen gekregen heeft.

Romantiek

Niet alleen de interne samenhang, ook de poëticale positie van Holvoet-Hanssen in de Vlaamse poëzie wordt in de inleiding van Inframundo geduid: ‘Peter Holvoet-Hanssen wil […] maar even blijven zitten in de boom van de traditionele dichters om daarna weer een ogenblik neer te strijken in die van de postmodernisten. ‘Blue Peter’ springt in beide bomen, voelt zich op beide takken thuis, maar nooit voor lang.’

Het is echter de vraag of de spanning tussen traditioneel en postmodern een interessante invalshoek is om deze poëzie te benaderen. Het gaat immers om twee zeer vage termen: vele hedendaagse dichters bevinden zich ergens op die schaal. De vraag is daarenboven of die termen verwijzen naar inhoudelijke of formele kenmerken, of naar beide. En welke zijn dan die kenmerken precies?

Wellicht is het vruchtbaarder om de poëzie van Holvoet-Hanssen te lezen als een uiteenzetting met (een aantal motieven uit) de Romantiek. In al zijn verschijningsvormen is de Romantiek wezenlijk een poging om, uit onvrede met de zichtbare en tastbare werkelijkheid, die werkelijkheid voortdurend te ‘herbenoemen’. ‘Herbenoemen’ is wellicht een te neutrale term. De Romantiek is een poging om de wereld iets terug te geven van zijn verloren ‘tover’. De Romantiek – als stroming en als levenshouding – verzet zich met al haar vezels tegen de Entzauberung van de wereld. Er is geen compromis mogelijk, want de Entzauberung is het voorlaatste stadium, de vooraankondiging van de dood. Iets van die verdwenen tover vindt de romanticus terug in het verleden, het volkse en populaire, de variété, de kindertijd, het sprookje, de exotische natuur, de droom, de waanzin, het griezelige en geheimzinnige. Romantiek is tegelijk vlucht en utopie, afbraak en opbouw.

Ik zou de spanning tussen traditioneel en postmodern daarom willen vervangen door de spanning tussen twee ‘figuren’ uit de Romantiek, twee schepen: de Nautilus van kapitein Nemo uit het werk van Jules Verne en Le bateau ivre, het dronken schip van Rimbaud. Rimbaud en Nemo duiken trouwens op in Holvoet-Hanssens poëzie. Terwijl de Nautilus zich als een gesloten universum tegen de grilligheid van de zee wil beschermen (en eigenlijk een soort van bourgeoiswoonst onder water probeert te imiteren), geeft het dronken schip van Rimbaud zich over aan de oncontroleerbare krachten van het toeval. Terwijl de Nautilus de betekenis nog wil beheersen, heeft het dronken schip weet van de stuurloze semiosis die de moderne poëzie zal bevaren. Geen toeval dus dat Holvoet-Hanssens voorlopig laatste bundel Navagio uitloopt op een schipbreuk.

De poëzie van Holvoet-Hanssen is een volgehouden poging om de wereld te ‘herbenoemen’, te ‘hertoveren’. De dichter wordt een zanger, een troubadour. Zijn gedicht een lied. De taal geeft zich over aan ritme en rijm, metonymieën en metaforen. Over de alledaagse werkelijkheid wordt een nieuw netwerk van betekenissen gespannen, en dat moet in ieder gedicht, in iedere dichtregel, steeds opnieuw worden aangespannen, want de werkelijkheid – de uiteindelijke naaktheid van de dood – is weerbarstig.

Spiegelpaleis

Om dit netwerk te spannen maakt hij gebruik van de herbenoemingstrategie bij uitstek: de metafoor. De woning, de geliefden en de vrienden worden ‘herbenoemd’. Zijn woonst wordt ‘het kapersnest’, zijn geliefde ‘de kaperskapiteine’, zijn vrienden worden tot ‘ridders’ geslagen. Het is niet alleen een herbenoeming van de wereld, maar ook een ‘herbevolking’ ervan. Holvoet-Hanssen mobiliseert hiervoor archaïsche, mythische en fantastische personages zoals de vos, de clown, de piraat, de tovenaar, de illusionist, de koorddanser, de nar, engelen en duivels. Opvallend veel middeleeuwse populaire personages, typisch voor het romantische verlangen. Er zit iets van een kinderlijk universum in deze poëzie. Kuifje, Zorro, Vrouw Holle, Pierlala, Houdini, Elsschot duiken erin op met veel andere, wellicht alleen voor de auteur bekende personages. In een gedicht als ‘Ra’ treden naast de Egyptische zonnegod Ra ook ‘2 verwaaide sjamanen’ op: Vuurpad en Aardwolf, maar ook ‘Johnny van de discobar’. Ieder nieuw universum heeft echter ook iets hermetisch en exclusiefs, alleen maar toegankelijk voor een kleine gemeenschap waarbinnen de dichter bescherming en warmte vindt. Maar tegelijk is hij ook de rebel, de vagebond, de buitenstaander, het meest nadrukkelijk geïncarneerd in de vos (Reinaert).

Het is geen toeval dat drie van de bundels zich op eilanden in de Middellandse Zee situeren: het vulkanische eiland Strombolicchio, het leprozeneiland Spinalonga en ten slotte Navagio, een strand op het Griekse eiland Zakynthos waarop een scheepswrak ligt. Holvoet-Hanssen creëert een eigen geografie waarin Antwerpen ‘overtekend’ wordt met andere namen: Dodenstad, Duivelskloof, Weg der Verworpenen, Steegje van de Roos, Land van Duivelschrik, Zaal van de Verloren Stappen, Plein der Traagheid (populaire benaming voor Berchems Stationsplein dat maar niet afraakte), enzovoorts.

Toch is de buitenwereld niet afwezig, maar als hij concreet doorbreekt is het meestal in zijn meest angstwekkende gedaantes, zoals in ‘Gebroken huis’ dat nauwelijks verhuld de verschrikking van incest en kindmisbruik behandelt. Of in ‘Fox on the Run 2000’, waaruit volgend fragment:

Rook in het hol! Op de vlucht van Pristina naar Neprosteno.
1999, grootmoeder prevelt in de kruiwagen.
1919, toen konden we de blauwe lucht nog zien.
De jongen jammeren van de honger.
Vrouw Hermeline kan niet meer voort.

De wereld van Reynaert wordt hier verbonden met de Kosovocrisis in 1999. Reynaerts vrouw Hermelinde en de vossenjongen komen terecht in de stroom van Albanese vluchtelingen die door Servische milities uit Kosovo verdreven worden. Iedereen die de berichtgeving over de Kosovo-crisis gevolgd heeft herinnert zich het beeld van de man die zijn oude moeder of grootmoeder op een kruiwagen wegvoert is iedereen. De titel van het gedicht verwijst naar een song van de Britse glamrockgroep The Sweet uit 1975, die begint met de regels: ‘I don’t wanna know your name/ Cause you don’t look the same/ The way you did before.’

Popmuziek, archaïsche fabels, de Kosovo-oorlog: het zijn de verschuivende gedaantes van het universum van Holvoet-Hanssen. De plaatsen en personages strekken zich over de bundels uit. Zo waren Houdini, Reinaert en de zeeman al aanwezig vanaf de eerste bundel. Het zijn afsplitsingen van de dichter, figuren waarin hij iets van zichzelf heeft laten stollen. Stukken wrakhout van zichzelf, om een ander beeld te gebruiken. Het is zijn door geesten bespookt hoofd dat explodeert. De zee is de onmetelijkheid van zijn onbewuste, die hem voortdurend op het strand van zichzelf terugwerpt. Maar zo ontstaat uiteindelijk een dodelijk spiegelpaleis: waar de dichter ook kijkt, hij ziet voortdurend beelden, variaties en mutaties van zichzelf. ‘Staar als een dode naar het leven’, staat er in het gedicht ‘Minutero’. Is dat de ultieme consequentie van de romantische dichter, die zich door zijn spel van transformaties zo extreem buiten de werkelijkheid heeft geplaatst? Breekt de betovering omdat hij naar te veel schittering heeft gestreefd, te veel metaforen heeft opgestapeld, te veel heeft getoverd? Dit ‘Toveren’ levert zowel ‘geslaagde’ als ‘mislukte’ verzen op. De overvloed aan beelden en metaforen sleurt de lezer soms mee in troebel, ondoorzichtig water, terwijl hij op andere momenten beloond wordt met woorden van een verfrissende helderheid. Een voorbeeld van die om zich heen slaande overvloed is volgend fragment uit Strombolicchio:

Ik hou de kachel brandend. Mijn zeegodin, ik wou haar vliegende vis
offreren met lotuszaadjes en meloenpitten. Toen ik op een booreiland
werkte, had ik alles, zelfs de vrouw van Atlantis. Zij liet winden voor
tien, ze waaiden rond onze farm. Ik keek naar trage avondwolken.
Op een nacht heeft zij ons kindje aan de stuip zien doodgaan. Toen is
zij vreemdgegaan. Ik ben tabak gaan kopen en kwam niet meer terug.
Algerije, ik landde met mijn parachute op een bajonet. Hield de milt
vast. Waste de wonde met zout. Veertig jaren bleef ik in de woestijn.

Intrigerende, maar overvolle regels. Strakker (en tegelijk speelser) zijn bijvoorbeeld deze verzen uit Santander:

De iele clown die in mij woonde, dacht
hij sloopt mijn lijf en komt zijn nest niet uit
hij keek door mijn gezicht met laatste kracht
daarbuiten liep je rond en binnen brak een ruit

En lichtquanten, gezanten van het spel
van anti- naar materie, kwamen vrij
kristalliseerden in mijn hoofd – mijn vel
verwend door jou, mijn vossenlekkernij

Van lava tot wrakhout

De opgave van de romantische dichter – in de betekenis die ik hem hier toedicht – gaat zijn krachten te boven, omdat ze geen ‘maat’ kent. ‘Uit de smidse van Vulcanus’, zo luidt de ondertitel van Holvoet-Hanssen eerste bundel Strombolicchio. Romantische poëzie wordt inderdaad een opdracht van kosmische proporties, al is de dichter zich vanaf zijn eerste bundel bewust van de noodzaak van ironie bij zoveel overmoed: ‘het universum als een spiraaltje in het rectum van de dwaas.’ Hoe kan hij immers maat houden? Hij zou zich willen bevinden in de Nautilus, maar meestal zit hij op het Dronken Schip! De betovering is juist het moment van het mateloze, de doorbraak van een niet te voorspellen of te controleren schittering. Ook in zijn performances zoekt Holvoet-Hanssen naar dat moment waarop er ‘iets’ gebeurt, het moment waarop stem, woord, lichaam en publiek samenkomen.

Maar de moderne dichter weet natuurlijk dat de Entzauberung een feit is. Iedere nieuwe poging tot betovering is een (zelf)illusie. Hij weet dat de tover niet langer duurt dan de lengte van zijn gedicht, als hij de betovering al zo lang volhoudt. Dat is wellicht de reden waarom de dood steeds meer greep krijgt op deze poëzie. Navagio (voor mij zijn beste werk) is een zeer sombere bundel. ‘Dodenstad’ heet de eerste afdeling. Daarin gedichten met niet mis te verstane titels als ‘Grafschrijver’, ‘Het einde van de straat’ of ‘Het einde van de stad’. De lava uit de eerste bundel is wrakhout geworden. Uit wrakhout probeert de dichter zijn gedicht te bouwen, maar wrakhout is dood hout, ontdaan van zijn kracht. Misschien is de dichter het spel met metaforen, transformaties en stukken wrakhout moegespeeld?

Het laatste gedicht, ‘Room 33 (on the rope)’, bevat deze versregel: ‘dus schrijf u weg tot ook wij zijn uitgewist onder twee meter sneeuw // reiseinde’. Het is niet langer een verlangen om te transformeren, maar om te verdwijnen. De dichter zit op een breekpunt. De eerste reis zit erop, de buit mag er zijn en in deze bundel wordt de poëtische boekhouding ervan opgemaakt, maar nieuwe verten lokken. De dichter trekt zich terug om te herbronnen voor een tweede reis ‘in een andere stemming’. Dat is geen geringe opdracht. Wel een moedige en een om naar uit te kijken.

Links

Prometheus, Amsterdam, 2011
ISBN 9789044617092
184p.

Geplaatst op 16/05/2011

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.