Romantisch avant-gardisme

Athenaeum. Fragmenten, essays, kritieken

Friedrich Schlegel (vert. Jan Sietsma)

Uitgeverij Octavo blijft ons verwennen met vertalingen van teksten die onomzeilbaar zijn voor iedereen die belang stelt in het moderne denken over kunst. Deze keer gaat het om een selectie teksten van Karl Wilhelm Friedrich von Schlegel (1772-1829), voorzien van een uitgebreid en verhelderend nawoord. De meeste schreef Schlegel voor het tijdschrift Athenaeum, dat hij met zijn broer August Wilhelm oprichtte in 1797. Dit tijdschrift, dat slechts drie jaar zou bestaan, vormde het middelpunt, alsook in hoge mate het corpus, van wat later zou worden bestempeld als de ‘Duitse vroegromantiek’. Tot deze beweging behoorden onder meer de schrijver-dichters Novalis, Ludwig Tieck, Friedrich Hölderlin, August Wilhelm Schlegel en de filosofen Friedrich Schleiermacher en Friedrich von Schelling. Het is moeilijk om over dit prille begin van de romantiek niet te ‘romantiseren’. Deze jonge snaken vormden een vriendenkring die geregeld samenkwam om met elkaar van gedachten te wisselen over literatuur, filosofie, religie, wetenschap, politiek… Voor wie zoekt naar een brede, zowel cultuurhistorisch als filosofisch interessante schets van deze beweging, is het boek van Rüdiger Safranski, Romantiek. Een Duitse affaire (2015), een aanrader.

Er is al veel geschreven over de reden waarom Schlegel en Novalis ervoor kozen om vooral in fragmenten te schrijven. Daarbij wordt telkens weer Schlegels fragment 116 uit het tweede nummer van Athenaeum uit de kast gehaald. Hieruit kan alvast worden opgemaakt dat de principiële voorkeur voor het fragment als genre niet zomaar van bescheidenheid getuigt, eerder van een buitensporige ambitie:

De romantische poëzie is een progressieve universele poëzie. Haar doel is niet alleen om alle afzonderlijke soorten poëzie weer met elkaar te verbinden en de poëzie met de filosofie en de retorica in contact te brengen. Zij wil en moet ook poëzie en proza, genie en kritiek, kunstpoëzie en natuurpoëzie nu eens met elkaar vermengen, dan weer versmelten, de poëzie leven en maatschappelijk maken, het leven en de maatschappij poëtisch, de witz poëtiseren en de vormen van de kunst met allerlei gedegen soorten culturele materie aanvullen en door de vibraties van de humor bezielen.

De ‘poëzie’ waarvan sprake verwijst niet naar een bestaande vorm van poëzie, maar naar een Universalpoesie die nog moet komen. Dat zal een poëzie zijn waarin alle tot dan toe bestaande vormen van poëzie én filosofie samen opgaan in één discours. Dit discours zal niets minder dan de waarheid uitdrukken over de Mensheid in haar diepe verbondenheid met het universum. Schlegels poëtische ambitie heeft weinig te maken met de gevoelens en dromerige verlangens waarmee we de romantiek doorgaans associëren. De romantische poëzie moet immers de totale mens tot uitdrukking brengen, dus niet enkel de mens als gevoelswezen, spontaan verbonden met natuur en volk, maar ook de mens als verstandswezen, die niets als vanzelfsprekend beschouwt en alles kritisch doorlicht. Vandaar de eis van een synthese, niet alleen tussen alle vormen van poëzie, maar ook tussen ‘poëzie en proza’, tussen ‘genie en kritiek’, tussen spontane, ‘geïnspireerde’ creativiteit en kritische analyse. Schlegel zette zich dus niet zomaar af tegen de verlichting , maar wilde die eerder op haar eigen terrein verslaan. De poëzie in enge zin, als een apart literair genre, werd door hem en zijn kompanen naïef bevonden. Maar de louter rationele filosofie vonden ze dan weer oppervlakkig.

Schlegel is zich ervan bewust dat deze universele poëzie strikt genomen onrealiseerbaar is. Daarom is zij ‘progressief’. Verderop in hetzelfde fragment wordt dit nader toegelicht: ‘De romantische dichtsoort is nog in wording; ja, het is haar wezenskenmerk dat zij altijd alleen maar worden kan en nooit tot voltooiing kan geraken.’ Dit soort poëzie komt als het ware uit voor zijn onvoltooidheid. Vandaar de voorkeur voor het fragment. Het fragment is een soort scherf van een niet gerealiseerd, in principe niet realiseerbaar geheel. Het is een reflexieve vorm van poëzie, een soort poëzie dat zich buigt over zijn noodzakelijke misluktheid en zo aan een utopische universaliteit raakt. Vandaar de paradox dat een werk pas goed gevormd is wanneer het ‘scherp is afgebakend, binnen de grenzen zelf echter grenzeloos en onuitputtelijk’ is.

De jeugdige mateloosheid van de vroegromantische ambities, samen met de zowel kordate als ironische toon waarop ze worden geformuleerd, lopen vooruit op de vele manifesten die meer dan een eeuw later het licht zullen zien. Ook de boven geciteerde eis de poëzie en het maatschappelijk leven met elkaar te verenigen kondigt de twintigste-eeuwse avant-garde aan. Eigenlijk beschouwt men de eigen vorm- en gedachte-experimenten als model voor de toekomstige geëmancipeerde mens. Schlegel schatte kunstenaars heel hoog: ‘Zij zijn brahmanen, een hogere kaste, van adel; niet door afstamming maar door zelfgekozen inwijding.’ De kunstenaars dienen zich op te werpen als de spirituele leiders in een tijd waarin de officiële religie aan gezag inboet.

Machtsfantasieën waren Schlegel trouwens niet vreemd. Hij schrijft aan zijn broer dat ze samen ‘op het terrein van de kritiek een grote autoriteit kunnen worden, genoeg om na vijf tot tien jaar de kritische dictators van Duitsland te zijn’… Aan Novalis schrijft hij dat hij eraan denkt om een nieuwe religie te stichten, om ‘net als Mohammed als een wereldveroveraar met het vlammende zwaard van het woord het rijk van de geest te doorkruisen’… Bij zo’n zelfgenoegzaam avant-gardistisch bewustzijn behoort de zekerheid dat met de eigen beweging het wezen en de bestemming van het tijdperk op het spel staat.

Schlegel was ervan overtuigd in een tijd van revolutie te leven. Het is typisch voor de groep rond Athenaeum dat de leden het idee van revolutie heel ruim zagen. Het was voor hen een romantisch idee, namelijk ‘oneindig’, ‘onuitputtelijk’. Schlegel schrijft: ‘De Franse Revolutie, Fichtes wetenschapsleer en Goethes Meister zijn de grootste tendensen van dit tijdperk.’ Dit is een voor Schlegel typisch statement: even ruw aanduiden wat in zijn tijd de grote lichtbakens horen te zijn. Zoals op Immanuel Kant, Johann Wolfgang von Goethe en Friedrich von Schiller had de Franse Revolutie ook op de Athenaeum-groep een enorme indruk gemaakt. De terreur schrok hen af, maar ook in haar restauratieve, Napoleontische vorm bleef die revolutie hen nog inspireren. Voor de toen zesentwintigjarige Schlegel kon de Franse Revolutie worden beschouwd ‘als het grootste en opmerkelijkste fenomeen uit de staatsgeschiedenis, een bijkans universele aardbeving’. Maar het was niet minder ‘de meest angstaanjagende groteske’, ‘een monsterlijke tragikomedie’.

Dit idee leefde reeds bij Kant en Schiller: de Franse Revolutie was noodzakelijk, maar Duitsland moet deze ‘groteske’ karikatuur van de verlichting in geen geval nabootsen. Dat zal ook een grondgedachte van het Duitse filosofische idealisme worden: Duitsland heeft een geestelijke revolutie nodig. Het tegenwicht voor het despotisme waarin de Franse Revolutie is ontaard, zo stelt Schlegel een jaar later, moeten we zoeken:

in onszelf, dat staat vast, en wie begrijpt dat het middelpunt van de mensheid zich daar bevindt, zal ontdekken dat daar tevens het middelpunt is van de moderne cultuur en van de harmonie tussen alle wetenschappen en kunsten.

Zo begrijpen we waarom Johann Gottlieb Fichte voor Schlegel de tweede grote ‘tendens’ van het tijdperk belichaamt. Fichtes filosofie is gecentreerd rond een Ik dat zichzelf poneert tegenover alles wat het niet is en zo zichzelf maakt tot wat het is. Dit Ik is pure activiteit, zelfbepaling. Alleen zal Schlegel, in dialoog met Novalis en Schelling, de oorsprong van dit zelfbewuste Ik meer in de natuur zoeken. En dit herkennen we als romantisch: de natuur is geen dood object dat de wetenschapper bestudeert of waaruit de dichter metaforen haalt waarmee hij iets van zijn innerlijk kan uitdrukken. In de natuur zelf huist een principe van vrije creativiteit dat uiteindelijk goddelijk is: ‘Oorspronkelijk is al het leven niet natuurlijk, maar goddelijk en menselijk.’

De vroegromantiek is dus radicaal religieus-metafysisch, wat soms wordt vergeten door diegenen die de laatste decennia de Athenaeum-groep als een soort postmoderne beweging avant la lettre beschouwen omdat ze het fragment, maar ook de ironie, de Witz (als ‘bliksemschicht van de fantasie’), de groteske en het gesprek (vanwege zijn meerstemmigheid) als literaire strategieën inzette. Een van Schlegels aforismen luidt: ‘De mens is de natuur, die scheppend op zichzelf terugblikt.’ Dat betekent dat de met rede begaafde mens geen toevallig product is. De natuur is er vanaf haar ontstaan of er in haar kern op gericht om zichzelf te kennen. Daarom produceert ze noodzakelijk de mens. Het menselijke kenvermogen is een creatie waarin de natuur zichzelf voltooit, zij het altijd voorlopig. Om dit te begrijpen is het verstand niet genoeg. Het moet het verstand aan zijn verstand gebracht worden dat het niet zomaar buiten de wereld staat, maar zelf van die wereld een soort uitgroeisel is. Vandaar dat er bij Schlegel, zoals trouwens ook bij zijn vriend Novalis, veel plantaardige metaforen opduiken.

De romantici geloven dat de mens, naarmate hij tot de natuur doordringt, dichter bij het geheim van zijn individualiteit komt. Zoals sommige hedendaagse auteurs aan de hand van de kwantummechanica naar een nieuw godsbewijs zoeken, schrijft Schlegel over ‘het goddelijke in de kern van de materie’. En ook: ‘Wij zullen de mens kennen wanneer wij het centrum van de aarde kennen’. Volgens ons ondertussen nog verder verwetenschappelijkt wereldbeeld echter, zullen we daar enkel een blind ontbrandingsmechanisme ontdekken, voor de mens compleet onverschillig.

Naast de Franse Revolutie en Fichtes radicale ik-filosofie, belichaamt Goethes Wilhelm Meisters Lehrjahre (1795-1796) de derde ‘grote tendens’ van het tijdsgewricht. Goethes genie weerspiegelt ‘de poëzie uit vrijwel alle landen en tijdperken; een onuitputtelijke collectie werken, studies, schetsen, fragmenten en experimenten binnen alle genres en meest uiteenlopende vormen.’ Het is alsof Goethe op zijn eentje reeds had gepresteerd wat men bij Athenaeum als groep probeerde te doen. Tevens bestond Goethes grootsheid erin dat bij hem filosofie en poëzie elkaar ‘stimuleren en ontwikkelen’, iets waarmee hij zelfs de oude Grieken, nochtans door alle leden van Athenaeum sterk geïdealiseerd, overtreft. Voor Schlegel is Goethe de waardige opvolger van grote genieën als Dante Alighieri, Miguel de Cervantes en William Shakespeare, wat niet wegneemt dat volgens hem Goethe in zijn Wilhelm Meister niet genoeg de burgerlijke wereld openbreekt om er het Oneindige te laten binnenslaan.

De lectuur van de Fragmenten valt niet altijd mee. Ze zijn moeilijker leesbaar dan de Ideeën een jaar later. Sommige aforismen zijn zeer raak, zoals het in het licht van het islamdebat actueel klinkende: ‘Moderantisme is de geest van gecastreerde intolerantie’. Maar mensen zonder grondige klassieke scholing zullen weinig hebben aan een uitspraak als: ‘Het beste bij Martialis is wat op Catullus lijkt.’ Menig fragment klinkt zonder meer duister: ‘Het verhaal over de Gergeseense zwijnen lijkt wel een symbolische profetie van de periode van het Kraftgenie, dat zich tot ons geluk inmiddels in de zee der vergetelheid heeft gestort.’ Zelfs als je toevallig zou weten dat het om zwijnen gaat waarin de demon is gevlucht die Christus uit een bezetene heeft gedreven, kun je van zo’n fragment niet veel maken. In het algemeen is trouwens de genadeloze afwezigheid van voetnoten een tekortkoming van deze uitgave, te meer omdat deze Octavo-publicaties toch ook wel een educatieve functie willen hebben. Als Schlegel het heeft over ‘de wetenschapsleer’ is het voor de lezer essentieel om te weten dat het hier niet gaat om epistemologie, maar om een specifiek boek, namelijk de Wissenschaftslehre (1794) van Fichte. Zo weet ook niet iedereen dat ‘de schrijver van de Reden über die Religion’ Schleiermacher is, en al helemaal niet wie de geheimzinnige ‘H.’ is, namelijk Friedrich von Hardenberg, de echte naam van Novalis. Ook mocht worden aangeduid dat de verschillende fictieve gesprekspartners in ‘Gesprek over de poëzie’ refereren aan de verschillende Athenaeum-auteurs. Zo zijn Novalis en Schelling goed te herkennen.

Veel van de Ideeën behandelen de complexe relatie tussen kunst, religie en filosofie, die later bij Georg Wilhelm Friedrich Hegel de drie gestalten zullen vormen van de absolute geest. Je krijgt soms de indruk dat het fragment als genre hier geen echte noodzaak was. Als Schlegel iets meer moeite had gedaan, dan had hij veel van deze gedachten kunnen samenbrengen tot een coherent essay. In veel van zijn gedachten, invallen, bespiegelingen, ontwerpen, herken je zaken die Hegel later veel grondiger en uitgebreider en met meer voorbeelden heeft uitgewerkt. In elk geval is de tegenstelling tussen de sympathieke, inspirerende Witzigkeit van het fragment en het ‘pretentieuze’ totaliteitsdenken van Hegel al te gemakkelijk gesteld. Schlegel ziet het fragment als een in zichzelf gesloten monade die vooruitloopt op een nog niet gerealiseerd Systeem. Maar het fragment heeft ook iets vrijblijvends. De fragmentarische schriftuur wordt gemakkelijk een alibi om een gedachte niet tot haar uiterste consequentie, die vaak haar tegendeel is, door te denken.

Je kunt gerust stellen dat voor Schlegel de religie het meest wezenlijke is. Religie is ‘de alles bezielende wereldgeest van de cultuur’. En een honderdtal ideeën verder: ‘Zij is overal het eerste en het hoogste’. Schlegel denkt uiteraard niet aan een specifieke religie. Ook dat is typisch romantisch. Zoals voor zijn vriend, de godsdienstfilosoof Schleiermacher, is religie niets anders dan een gevoel voor het Oneindige, dat zowel in de goddelijke natuur ligt als diep in de mens. Maar opgelet: religie heeft wel absoluut de kunst (de ‘poëzie’) en de filosofie nodig: ‘Wie religie bezit, zal in poëzie spreken. Maar om haar te zoeken en te ontdekken, heeft men het instrument van de filosofie nodig.’ – Dat wil zeggen: het gevoel voor het Oneindige moet door de poëtische verbeelding kleurrijk worden ontvouwd, en door de filosofie gezuiverd van bijgeloof en fanatisme. ‘Zonder poëzie wordt de religie duister, vals en kwaadaardig; zonder filosofie losbandig in haar ontucht en wellustig tot het punt van zelfcastratie’.

Samen met Schelling en Novalis droomde Schlegel van een soort nieuwe bijbel, een ‘oneindig boek’ dat de moderne mens een ‘nieuwe mythologie’ zou schenken. Terwijl de oude mythologieën nog geworteld waren in het lokale en vitaal-zintuiglijke, moest de nieuwe mythologie ‘vanuit de diepste diepten van de geest worden voortgebracht’ en de bedding vormen voor alle kunst én wetenschap. De progressive Universalpoesie moest dus de religie van de postreligieuze mens worden.

Het nawoord leert ons dat Schlegel in de jaren na zijn Athenaeum-ervaring evolueerde naar een conservatief nationalisme. In 1808 bekeert hij zich tot het katholicisme en treedt in dienst van niemand minder dan de oerconservatieve Klemens von Metternich, die in 1814-1815 samen met vorsten en tsaar de kaart van Europa hertekent (Congres van Wenen). ‘Deze esthetische dromerij’, schrijft hij dan over zijn Athenaeum-periode, ‘deze onmannelijke pantheïstische zwendel, dit spel met vormen moet ophouden, het is de grote tijd onwaardig en niet meer gepast.’ En hij is maar blij dat al dat jeugdige idealisme destijds enkel heeft geleid tot een ‘ideeënchaos’ zonder noemenswaardig maatschappelijk effect. Niet veel later zou ook Hegel hard zijn voor deze romantische Schwärmerei, inbegrepen de ‘ironie’, er wel aan toevoegend dat het ‘niet helpt opnieuw katholiek te worden’…

Je kunt ook stellen dat Schlegels ommekeer haast onvermijdelijk was. Wie als remedie tegen de voor de moderniteit typische versplintering van de kennis en de diversiteit aan morele en religieuze ideeën, een Nieuwe Mythologie wil bedenken, beseft algauw dat zoiets overmoedig is. Bang voor politieke chaos en geestelijke ontworteling gooit zo iemand zich algauw in de armen van een mythologie die al eeuwen succes oogst: het goeie oude katholicisme.

Deze uitgave schenkt ons ook een vertaling van Schlegels prikkelende essay ‘Über die Unverständlichkeit’, waarin hij het opneemt voor een bepaald soort onbegrijpelijkheid. Daarin stelt hij:

Het kostbaarste wat de mens bezit, zijn innerlijke vrede, hangt uiteindelijk […] aan een dergelijk punt dat in het duister moet blijven maar dat anderzijds het geheel draagt en houvast verleent.

Het is alsof Schlegel hier voorvoelt dat hij niet lang nadien zijn ‘innerlijke vrede’ zal vinden bij het beroemdste duistere ‘punt’ dat we in onze cultuur kennen: het met talloze beeldrijke verhalen omweven beeld van een zowel almachtige als gekruisigde God.

Links

Octavo, Amsterdam, 2014
ISBN 9789490334185
242p.

Geplaatst op 24/02/2015

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.