Proza, Recensies

Signalement: Radicaal onbevattelijk

Ik wordt

Harry Vaandrager

Een signalement is volgens Van Dale een gedetailleerde beschrijving van iemands uiterlijk. Deze definitie levert bij Ik wordt (2018), de laatste romanvan de Rotterdamse schrijver Harry Vaandrager, meteen een serieus probleem op. De ik-verteller van Ik wordt is een smid die beschuldigd wordt van de moord op de mysterieuze Kiki en zijn verdedigingspleidooi oefent voor de spiegel. Om de haverklap stelt hij zijn verhaal bij. Kiki (een dubbel en omgekeerd ‘ik’) blijkt een onvatbaar wezen dat steeds van vorm verandert. Niets is zeker in deze speelse roman, zelfs het bestaan van Kiki niet. De enige garantie bij Ik wordt is het enorme leesplezier. De lezer wordt uitgenodigd om alledaagse zekerheden te laten varen en op speculatieve wijze ongekende poëtische ruimten te verkennen.

Wanneer we naar de cover kijken, zien we dat er iets ontbreekt: de auteursnaam. Een foto of een korte biografie is evenmin ergens te bespeuren. De ontbrekende auteursnaam is een statement. Tegenwoordig draait alles rond persoonlijkheid en moeten auteurs zich meer dan ooit profileren via allerlei media. Net als hun auteur, willen de personages van Vaandrager daarentegen niet gefixeerd worden: ‘Wens enkel niemand te zijn. Naamloos. Ongezien’. De schrijver en zijn personages zijn voortvluchtig. Vaandragers maakt een moedige keuze. Paradoxaal genoeg getuigt het net van persoonlijkheid om op die manier van zelfprofilering af te zien. Een vergelijkbare stellingname is te vinden in het essay ‘Ruimte maken’ van Tonnus Oosterhoff uit diens bundel Een kreet is de ramp niet (2018). Daarin pleit Oosterhoff voor de afwezigheid van de auteur. Hoe meer de schrijver een beeld van zichzelf en zijn werk presenteert via interviews en dergelijke, hoe kleiner de interpretatieve ruimte die hij de lezer laat. Ik wordt blijkt zo op tegendraadse wijze toch een zeer actuele roman.

Ook de  draak van een dt-fout in de titel spreekt boekdelen. Een van de voornaamste thema’s van Ik wordt is het ongrijpbare, meervoudige en steeds veranderende ik. Die thematiek zit mooi vervat in de syntaxis van de lapidaire titel. De verandering van het ‘ik’ in een ander —een ‘hij’ of ‘zij’ dus — wordt aangekondigd in het werkwoord ‘wordt’, dat alvast het suffix ‘-t’ krijgt. Dat de titel niet lukraak is gekozen, bewijst het feit dat hij al opduikt in de roman Maskerade (2016).Daar zegt het personage Ben Boëtius: ‘Ja Bob, ik ben aan het “worden”. Ada Brink heeft mij bemoedigd. Ik wordt.’

Het oeuvre van Harry Vaandrager vormt namelijk een groot weefsel. Zijn teksten zijn steeds variaties op dezelfde thema’s. De Beckettiaanse stemmen van zijn personages cirkelen altijd rond een gemis, een stilte of leegte. Die leegte neemt verschillende vormen aan: de zinloosheid van de wereld, eenzaamheid en het menselijk tekort, het ongrijpbare ik en het falen van de taal. De monologen van Vaandragers ik-vertellers zijn afwisselend agressief bijtend en elegisch klagend over dit gemis. In Ik wordt borduurt Vaandrager voort op het thema van de leegte. Naast continuïteit is dynamiek echter essentieel om het werk van een oeuvrebouwer niet eentonig te maken. Vaandrager weet in Ik wordt de monotonie te vermijden door nog sterker dan in zijn vorig werk de klemtoon te leggen op het problematische ik.

De smid vertelt ons op een gegeven moment hoe Kiki viermaal aan hem verscheen: ‘En bij iedere ontmoeting sprak ze een andere taal. Talen die nauwelijks meer gehoord worden’. Sterker nog, Kiki nam bezit van hem: ‘haar stemmen suizen nog aldoor in mijn kop. “Stemmen”, “schimmen”, u hoort het goed, meervoud. Ja, want Kiki bestond uit velen.’ De identiteit van de ik-verteller is instabiel en meervoudig:

Over mijn ikken dus. Stel u voor: op twee november om middernacht komt er vanuit het duister een stem tot mij. En dat, zoals gezegd, al twintig jaar lang. Ik trek dan als het ware een nieuwe ik aan.

De smid laat vervolgens de stemmen van zijn andere ikken aan het woord, onder wie een beeldend kunstenaar, een verzekeringsagent en een dierenliefhebber. In bovenstaand citaat herkennen we een van de twee motto’s van Ik wordt: ‘Een stem komt tot iemand in het donker. Stel het je voor.’ Ook in Company (1979)van de Ierse romancier, dichter en toneelschrijver Samuel Beckett (1906-1989) hoort het personage — een onbepaald ‘jij’ —stemmen die tot hem spreken. Op het einde van die tekst lezen we echter:

The fable of one with you in the dark. The fable of one fabling of one with you in the dark. And how better in the end labour lost and silence. And you as you always were.

Alone.

Enerzijds lijkt het personage te zijn opgesplitst in verschillende stemmen. Anderzijds ontstaat de mogelijkheid dat die andere stemmen slechts fabeltjes zijn, projecties van het personage om zijn eenzaamheid te verdrijven. Ook in Ik wordt lijkt dat het geval te zijn. Op het einde zegt de ik-verteller: ‘Alle twintig ikken zijn door mij tot zwijgen gebracht. Door mij gedood, zo u wil’. Eerder vraagt hij zich af of Kiki wel bestaat: ‘Of was het alleen mijnerzijds een poging om aanwezig te maken wat ontbrak?’. Het proza van Vaandrager gaat steeds over het menselijk tekort, ‘het verlangen, naar wat blijvend ontbreekt’. Zijn personages weigeren zich daar echter bij neer te leggen. Zo spoort de smid ons aan: ‘Kom, vergrijp je aan het onmogelijke.’

Een van de onmogelijke zaken waarnaar de personages van Vaandrager verlangen, is te ontsnappen aan de beperkingen van de taal: ‘Een gevangene te zijn, opgesloten in de woorden, is mijn lot’. Ze willen een paradoxale taal van de stilte, een taal die het negatief vormt van de alledaagse logische taal. Zo betoogt de smid: ‘het dagelijkse gebekblaf, mijne heren, verbergt meer dan het meedeelt. Het ontbeert muziek.’ Hij stelt daar als smid ‘de taal van staal’ tegenover met ‘een eigen grammatica […] die niet door iedereen begrepen wordt’. Wat hem vooral ontroert, is ‘de tedere onverschilligheid van staal voor de logica’.

Een goeie smid laat snaren in het staal trillen. Gevoelige snaren wel te verstaan. Zo’n smid geeft staal het woord. Dat is een heikele zaak, want staal kan verschillende eigenschappen of karakters bezitten.

Het is niet moeilijk om hier een poëticaal zelfportret in te zien (dus toch een signalement?). Harry Vaandrager is een taalsmid die zijn proza op zijn aambeeld in korte, elliptische, gebalde zinnen slaat om die vervolgens lyrisch om te smeden in allerlei onmogelijke krullen en arabesken. Zijn taal is een barokke mengelmoes van verschillende stijlfiguren en -registers en zijn tekst staat bol van de carnaveleske omkeringen, paradoxen en oxymora. Het groteske, absurde universum dat hij daarmee evoceert, doet denken aan dat van zijn collega bij uitgeverij het balanseer, C.C. Krijgelmans, en aan het paraproza van Gust Gils.

Laat mij u zeggen: het normale delft uiteindelijk het onderspit en wordt ten grave gedragen door de a-logica. Da’s zo logisch als iets.

Er mogen wat mij betreft meer ambachtelijke taalsmeden zoals Vaandrager opstaan. Zijn vuurtaal doet plastieken gemeenplaatsen smelten. Niets is zo veelzeggend als de stilte die hij hoorbaar poogt te maken. ‘Negeer de woorden’, zegt zijn personage op het einde, maar die negatie is een affirmatie van wat echt telt: verlangen.

het balanseer, Gent, 2018
ISBN 978 90 7920 2515
72p.

Geplaatst op 30/03/2019

Tags: 2018, Gent, Harry Vaandrager, het balanseer, Ik wordt, Tonnus Oosterhof

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.