Proza, Recensies

Sterven gaat niet vanzelf

De wateraap

Mariken Heitman

‘Stierf een vos zomaar?’ Elke vraagt het zich af wanneer ze op een ochtend samen met haar oudtante Ko het levenloze lijf vindt van het dier dat ooit hun kippenren teisterde. ‘Een vos, zomaar dood’, zonder uiterlijke tekenen van ziekte of geweld. Bij een weiland graaft Elke een put waarin ze de overleden vos neerlegt. ‘Ik stapte eruit, de klomp bleef achter.’ Haar waarneming van het landschap is gedetailleerd, haar beschrijving ervan beeldrijk. Het ‘zaadpluis’ van de populieren vormt ‘een wit dekbed’ op het gras, Elkes longen vullen zich als ‘kussenslopen (…) met het dons.’ In de bovenste grondlaag die ze weggraaft, ‘kierden dikke, bloedeloze wormen’, terwijl dieper in de aarde ‘wormen ontbraken’.

Met dit voorval opent De wateraap, de debuutroman van Mariken Heitman. De ik-verteller Elke studeert biologie en brengt de zomer door bij Ko, de kinderloos gebleven zus van haar overleden oma, in een landelijk gelegen huis bij een dijk, met een moestuin die ze gezamenlijk bewerken. Na de zomer, neemt ze zich voor, begint ze aan een afstudeeronderzoek over de fruitvlieg, een diertje ‘dat voor biologen het perfecte model van de werkelijkheid was’. De werkelijkheid, dat wil zeggen: erfelijkheid, evolutie, adaptatie. Het is de ‘overerfbare rekbaarheid’ van de fruitvlieg die de bioloog boeit. Elke deelt deze belangstelling niet. Haar grote liefde geldt de wateraap, een vermeende voorouder van de mens die in het water leefde.

De wateraaphypothese (die in de wereld buiten het boek vooral door de Welsche schrijver Elaine Morgan werd verdedigd) veronderstelt in de evolutie van aap naar mens een tussenstadium waarin de aap zich in de zoektocht naar een vruchtbare leefomgeving aanpaste aan een bestaan in het water. In haar opleiding wordt de theorie afgedaan als pseudowetenschap, maar Elke hecht zich al snel aan ‘dit onbewezen wezen zonder bestaansrecht’, dat ze als haar gelijke en ‘bondgenoot’ beschouwt en in haar vertelling geregeld liefdevol in de tweede persoon aanspreekt. De wateraap belichaamt Elkes zelfbeeld en levensgevoel: een tussenvorm die voor een afgrondelijke keuze staat – ‘aan land gaan of uitsterven’. In plaats van de fruitvliegen jaagt Elke na de zomer haar wateraap na, in de persoon van de Weense biologe Lena, die als beginnend onderzoeker een populariserend boek wijdde aan de theorie. Een jeugdzonde, zo blijkt, waarop Lena met enige schaamte terugkijkt. Haar huidige onderzoek, waaraan ze haar positie dankt, gaat over een ander, beter gedocumenteerd zeezoogdier dat wel in het water is gebleven, de zeekoe, en dan vooral een uitgestorven soort daarvan.

Uitsterven of voortbestaan, deze motieven zijn fraai uitgestrooid over Ko’s moestuin, waarin Elke de composthoop benijdt omdat die niet hoeft te kiezen en ‘[nooit] capituleerde’: deze ‘compostgolem’ bleef ‘altijd in die schemertoestand tussen ontluikend leven, broei en dood’. Het eeuwig moes, waarmee Ko de hele moestuin wil bedekken, onttrekt zich op een andere manier aan de logica van leven en dood. Deze steriele koolachtige plant draagt geen vruchten maar sterft niet, de planten zijn ‘hun eigen nageslacht’. Net als de berenklauw in de tuin, waarvan ze de zaaddoosjes nooit openbreekt, vreest Elke ‘overgeslagen’ te worden in de cyclus van het leven. Haar volwassenwording kan ze moeilijk accepteren, want die dwingt haar in een lichaam en een gender die haar niet passen. ‘Binnen in mij wachtte iemand anders’.

Elkes fascinatie voor de wateraap is dan ook geen frivool gedachte-experiment, maar een existentiële nood. Zoals de wateraap leeft Elke slechts als ‘een theorie, een veronderstelling’, in de eerste plaats de veronderstelling dat ze een vrouw is, en algemener – zo suggereert de roman – dat ze een beminbaar wezen is volgens de normen waarin de samenleving de liefde codeert. Het is me uit het hart gegrepen, het verhaal van de wateraap – niet zozeer de wetenschappelijke hypothese als wel Elkes gehechtheid eraan ontroert me. Die drukt bovenal uit hoezeer ze in de tastbare wereld beelden mist om zich aan te spiegelen, mensen om zich aan te verbinden. Dat het spectrum van subjectposities de voorbije jaren is verbreed, neemt haar schaamte niet weg maar lijkt haar deze veeleer te ontzeggen. Lesbisch is ‘een woord dat dwong tot emancipatie en me bijgevolg vervreemdde, niet radicaal, maar zeer subtiel’.

Dat Lena aan een spreekwoordelijke oogopslag genoeg heeft om de grond van Elkes fascinatie te doorgronden, mag een cliché heten. ‘Onbewust raakte ze de kern’ en voelt ze aan wat de studente in haar jeugdwerk zoekt: ‘een reden voor de wateraap om, als een van de weinige, het water te verlaten’. Een reden om verder te gaan met het leven, om de wereld waarin je gewrongen zit in afgegrensde categorieën te verkiezen boven de relatief ongedifferentieerde wereld van de kindertijd, moeizame sociale relaties boven de verbondenheid van een vegetatief bestaan met al wat leeft en sterft. Lena lijkt de wateraap te zijn die wel aan land is gegaan en zich een positie heeft bevochten in een wereld die haar dwong tot adaptatie. De intensiteit van deze wederzijdse herkenning – een toekomstbeeld voor de ene, een onwillige herinnering voor de andere – revitaliseert de topos van de ontluikende docent-studentrelatie met een onnadrukkelijke maar in mijn leeservaring indrukwekkende kracht.

Die intensiteit krijgt tekstueel vorm door de consistent volgehouden natuurbeelden en biologische analogieën. Zo talrijk zijn ze dat ze sommige lezers misschien na een tijdje gaan vermoeien, maar ze maken invoelbaar hoe gesloten Elkes sociale en imaginaire wereld is, hoe vergeefs het streven om in de plantenwereld de affectieve vervulling te vinden die ze in de mensenwereld mist. Wanneer Lena haar tijdens hun ontmoeting in een Weens natuurhistorisch museum aanraakt, voelt Elke haar hele wezen heropleven als een plant: ‘Ik raakte bedekt met stengel en blad’ – slechts een zin uit een lang uitgesponnen metafoor. Toch zijn haar natuurmetaforen doordrenkt van tristesse en alluderen ze even vaak op steriliteit en onvoldragen groei als op leven en bevruchting. Anders dan de komkommerplant kunnen Elke en Lena niet ‘zomaar en zonder bevruchting, zaadloze vruchten [vormen]’. Haar eigen levenspad stelde Elke zich graag voor als dat van een ‘kronkelwortel’ die om obstakels heen groeit; ‘nu wist ik dat ik zo’n stomp, kort geval was. Gewoon gestopt waar ik niet verder kon.’ De gesprekken die ze met Lena voert, draaien steeds weer om dieren, hun aanpassing en voortbestaan. Of om dieren die met voortbestaan meer moeite hebben, zoals de vlinders die ‘helemaal niet flexibel’ zijn en het zwarte konijn in een met sneeuw overdekt landschap. Diversiteit en variatie, jazeker. ‘Er viel niets te selecteren als alles hetzelfde was.’ Schrale troost als je zelf geselecteerd wil worden.

Een laatste, fraai voorbeeld: in een Weense kroeg vertelt Elke iemand dat ze graag boer wil worden, en maakt zich daarbij de volgende bedenking:

 

Ik verzweeg hoe het was om op je knieën sla te oogsten. Wanneer je met een blikkerend mes de krop los van de aarde sneed, bleef het bittere melksap nog even doorstromen, de voldongen feiten tartend. Maar het was vooral de aanblik van een leeg geoogst bed dat ik slecht verdroeg. Er was de nabloedende, in de grond achtergebleven stronk met daaromheen slordige plantenresten, het iel opgeschoten, plots niet meer aan het oog onttrokken onkruid, en dat alles in een decor van droge, nu ineens vruchteloze aarde.

 

En ja, sommige metaforen staan er wat verloren bij, zoals de gedachte die ‘tevoorschijn [ploft] als het zaad van springbalsem’. Toch dragen ook die wildgroeiers in hun onbeholpenheid bij aan het verlangen en de troosteloosheid die de tekst evoceert, en aan de intense toewijding die de schriftuur uitdrukt. Aan het einde van de roman gaat deze toewijding enigszins op de tekst drukken, waardoor de lucht er een beetje uit dreigt te verdwijnen. Deze leeservaring accordeert met de vermoeidheid waarmee Elke, na het overlijden van Ko en haar plotse vertrek uit Wenen, zich uiteindelijk te ruste tracht te leggen in het water bij Ko’s huis. Net als Elkes gemoed, dat vervloeit met de natuur die haar omgeeft, vertroebelt de stijl hier, waardoor onbeschroomd pijnlijke zinnen des te explicieter klinken. ‘Zo lang had ik mijn best gedaan en nu was ik moe. Uitgerekt.’ ‘Ik kon terug naar het water, het maakte niet uit wie het wel of niet verlaten had.’ En de slotzin: ‘In dit water was ik niet alleen.’

Ik wil dan ook niet suggereren dat ik op deze prachtige roman niets aan te merken heb. Zo heb ik ook wat moeite met de symbolische verschijning van een dichter die bij de eerste ontmoeting een bebaarde man is, bij een tweede een vrouw lijkt, en net als een terugkerende wateraap zijn lichaamshaar (baard) verliest en in het water (de Donau) verdwijnt. (Waarom vindt Elke in zijn colbert een lippenstift precies zoals degene die ze eerder uit Lena’s huis wegnam? Het boeit me niet zo.) Ik denk dat dit boek voor mij werkt omdat het, paradoxaal, met toewijding voor de omweg kiest, voor de analogie en het beeld, en tegelijk het geheim dat dit personage met zich meedraagt, en dat haar tot een leven in haar eigen schaduw dwingt, allerminst in een wolk van schimmige suggestie hult. Wat Elke als onuitspreekbaar ervaart, is daarom niet onbenoembaar. Ze kan haar ervaring trefzeker onder woorden brengen, alleen kan ze die niet delen. De belemmering is affectief, niet epistemologisch.

Heitman weet deze affectieve beleving in haar metaforische schriftuur op te roepen. Ze legt in deze bewonderenswaardige debuutroman haar kaarten op tafel, ze verbergt haar literaire strategieën niet en relativeert haar ernst niet in ironische kwinkslagen. Bovenal slaagt ze erin de singulariteit van dit verhaal te bewaren, het niet te nivelleren tot een statement, haar protagonist niet uit te kleden tot een handpop in een maatschappelijk theater.

‘Dan komt het sterven, het afnemen. Iedereen denkt maar dat het vanzelf gaat. Zo is het niet. Snap je dat?’ Dat vraagt Ko in het begin van de roman aan Elke, wanneer ze in afwachting van de herfst eeuwig moes verstekken. Ik weet niet zeker of ik het snap. Sterven gaat gelukkig niet vanzelf, en een roman schrijven ook niet. De moeite is soms tastbaar in dit verhaal, dat op indringende wijze een onuitspreekbaar verlangen uitdrukt om er niet te zijn.

Atlas Contact, Amsterdam, 2019
ISBN 9789025453107
172p.

Geplaatst op 02/07/2019

Tags: De wateraap, Dood, Evolutietheorie, Mariken Heitman

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.