Geschiedenis, Recensies

Cultuur in Duitslands voortuin

Tussen utopie en crisis

Nederland in het interbellum 1918-1940

Frits Boterman

Poëzie over het naar binnen gekeerde, tijdloze Nederland in het interbellum behoort tot de bekendste van de canon. Bijna iedereen kent de eerste paar regels van Hendrik Marsmans (1899-1940) bekendste gedicht: ‘Denkend aan Holland / zie ik breede rivieren / traag door oneindig / laagland gaan.’ Draag de eerste zin voor en de kans is groot dat iemand in het gezelschap de strofe afmaakt. De afkeer van dit verstilde land spat bij de rusteloze scheepsarts en dichter J.J. Slauerhoff (1889-1936) van het papier in zijn gedicht ‘In Nederland’: ‘In Nederland wil ik niet blijven, / Ik zou dichtgroeien en verstijven. / Het gaat mij daar te kalm, te deftig, / Men spreekt er langzaam, wordt nooit heftig.’ Wie deze gedichten leest, kan niet anders dan denken aan een land dat buiten de geschiedenis staat, waar de trekschuit nog steeds door paarden wordt voortgedreven, waar geen veranderingen plaatsvinden, behalve met het doel om alles bij hetzelfde te houden. Een onschuldig, naïef land, een tikkeltje saai en zelfvoldaan, dat door de Duitse invasie op 10 mei 1940 ruw de twintigste eeuw in werd getrokken. Maar zien wij, gescheiden door een eeuw, hetzelfde als zij die toen leefden?

Frits Boterman betoogt in zijn nieuwste boek Tussen utopie en crisis. Nederland in het interbellum 1918-1940 (2021) dat dit beeld ernstig aan revisie toe is. De emeritus hoogleraar Moderne Duitse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam zet zijn tanden in de visies van wijlen collega’s als Hermann von der Dunk en Loe de Jong. De eerste noemde het Nederland tussen de wereldoorlogen ‘een meisjesinternaat’, gekenmerkt door cultureel provincialisme en een inwaartse blik, terwijl de nationale tweedewereldoorlogchroniqueur beweerde dat Nederlanders voor 1940 geen idee hadden van de Jodenvervolging in Duitsland. Onzin, stelt Boterman. Hoewel de massaslachting van de Eerste Wereldoorlog aan Nederland voorbij was gegaan, stopten de gevolgen van de strijd niet bij de grens. De ‘oercatastrofe’ van het conflict van 1914-1918, met zijn vernietiging van de idee van de westerse beschaving en de vooruitgang, heeft ook Nederland de twintigste eeuw in gelanceerd. ‘De oorlog had het apocalyptische gevoel gevoed dat de mensheid op een tweesprong stond, of terugval in chaos en barbarij of de komst van een nieuwe mens en maatschappij’, schrijft Boterman om de ervaringen van de Europese loopgraven te vatten.

In een imponerende doch lichtelijk afschrikwekkende zevenhonderdzeventig pagina’s (inclusief omvangrijk notenapparaat en literatuurlijst) staat de cultuurcrisis van de modernisering, democratisering en internationalisering centraal. Wat blijft er over van het leven na de dood van God en de onttovering van de wereld? Bedreigt het algemeen stemrecht, dat voor Nederlandse burgers in 1919 werd ingevoerd, de bestuurbaarheid van het land en brengt het de ongecontroleerde massa aan de macht? En wat was de rol van Nederland en de nationale identiteit in deze steeds sneller veranderende wereld? Boterman duikt in de denkwereld van de culturele elite en toont aan hoe zij de wereld om zich heen probeert te begrijpen en te vormen. Deze visie op cultuurgeschiedenis, een vorm van geschiedschrijving waarin wordt gekeken naar zingevingsmechanismen en opvattingen over moraal, schoonheid en macht, is een terugkerend thema in het oeuvre van Boterman: in zijn oratie uit 2004, gepubliceerd als Weimar revisited, breekt hij hiervoor een lans en weegt en passant de vloer aan met de in zijn ogen sociaalwetenschappelijke geschiedschrijving waarin materialistische factoren dominant zijn.

Wat is cultuur dan in dit land?    

In Tussen utopie en crisis neemt Boterman de lezer mee door het sterrenstelsel van schrijvers, kunstenaars, wetenschappers, schilders, essayisten, journalisten en andere cultuurmensen die in Nederland rondliepen. En om eerlijk te zijn: de namenlijst is indrukwekkend. Weinigen zullen nog nooit van Menno ter Braak, Theo van Doesburg, Carry van Bruggen, Edgar du Perron, Simon Vestdijk, Clara Wichmann, Johan Huizinga en Jan Jacob Slauerhoff hebben gehoord, maar ook aan namen die verder zijn weggezakt in het collectieve geheugen besteedt Boterman makkelijk meerdere pagina’s. Het anarchistische avant-gardetijdschrift i10 van historicus en schrijver Arthur Lehning (1899-2000) bijvoorbeeld, waarvoor onder anderen Walter Benjamin, Ernst Bloch en Wassily Kandinsky schreven. Schrijver Jef Last (1898-1972) is door de eerder dit jaar verschenen biografie Bestaat er een raarder leven dan het mijne (2021) door Rudi Wester tijdelijk aan de vergetelheid onttrokken, maar komt in dit werk meerdere malen aan bod. De ideeën van dichter en hoogleraar Anton van Duinkerken (1903-1968) worden in het bredere kader van de katholieke emancipatie geplaatst, een geschiedenis die door de ontkerkelijking en het verdwijnen van het Rijke Roomse leven langzaam maar zeker onder een dikke laag stof belandt. En mochten er weer schreeuwerige stemmen in het publieke debat opduiken die wensen dat de Partij van de Arbeid teruggaat naar haar seculiere wortels, dan kan met dit boek in de hand de dilettant in kwestie worden gewezen op het religieuze socialisme van Willem Banning 1888-1971 en de invloed van dit gedachtengoed op de vooroorlogse Sociaal-Democratische Arbeidspartij. Gelukkig heeft Tussen utopie en crisis een uitgebreid namenregister, want door de eindeloze opsommingen van tijdschriftentitels, de in vergetelheid geraakte polemiekjes tussen Jan Engelman en Albert Kuyle en andere zijdelingse uitstappen waarmee Boterman het boek opvult tot de kloeke baksteen die het is geworden, verdwijnt de overzichtelijkheid die kenmerkend is voor een geslaagd handboek.

Na de marathonlezing over Menno ter Braaks Nietzsche-interpretatie, Johan Huizinga’s essays over de positie van Nederland in de wereld en Theo van Doesburgs netwerkactiviteiten in Weimar beklijft wel de vraag wat Boterman onder cultuur verstaat. In de inleiding zet hij zijn visie uiteen:

Cultuur wordt hier op een brede manier opgevat en bevat, naast artistieke en intellectuele uitingen (van literatuur tot beeldende kunst, van filosofie tot geschiedwetenschappen), ook beschouwingen over cultuur en samenleving, en wetenschappelijke verhandelingen op het gebied van filosofie en kunst- en literatuurkritiek.

Een gniffel valt moeilijk te onderdrukken bij zijn ‘brede opvatting’. Tussen utopie en crisis draait om de ideeënwereld van een geleerde elite, een interessant onderwerp waar al zeer veel over geschreven is, zoals Boterman in zijn opsomming van secundaire literatuur laat zien, maar de auteur vertelt zeer weinig over cultuur als een breder fenomeen. En dat terwijl er zo veel onder kan vallen. Wat lag er op het bord of zat in het glas van Nederlanders in deze periode? Hoe dacht men over het Rijkswegenplan uit 1927, de blauwdruk van de snelwegen? In het Futuristisch Manifest (1909) bracht Filippo Marinetti ‘een hymne aan de man achter het stuur’, hij stak de loftrompet over de auto. Dit was een ideale mogelijkheid voor Boterman om een brug te slaan tussen de avant-gardecultuur en het alledaagse leven. Ik had graag willen weten hoe in het interbellum werd gedacht over het lichaam, over seksualiteit, over gender. De Olympische Spelen van 1928 vonden plaats in Amsterdam en vormen daarmee een ideaal haakje om meer te vertellen over sport en vermaak. Niets van dit alles echter in het boek. Boterman had een open horizon van cultuurgeschiedenis voor zich en was tevreden met een herhaling van zetten door het verhaal over een kleine elite dat algemeen bekend is nogmaals op te schrijven.

Over de grens, maar niet te ver

Tussen utopie en crisis heeft, naast de cultuurhistorische pijler, een tweede fundament. ‘De Nederlandse geschiedenis is bovendien tot nu toe, uitzonderingen daargelaten, te veel vanuit een nationaal en te weinig vanuit een internationaal perspectief bekeken’, stelt Boterman. Geschiedschrijving die niet wordt ingekaderd door de grenzen van de natiestaat zorgt voor verbreding en verkruimelt de mythes van geïsoleerde eilanden in een kolkende zee. Transnationale geschiedenis, waarin de uitwisseling van mensen, goederen en ideeën centraal staat, is het laatste decennium in opkomst en het is zeer te prijzen dat Boterman bij deze ontwikkeling aanhaakt. Tenminste, als hij dat had gedaan. Vanaf de eerste pagina betoogt hij dat Duitsland een essentiële rol speelde in de Nederlandse cultuur en richt hij zich op wat er bij de oosterburen gebeurde. ‘Duitsland kan dienen als spiegel, als parallellie, als contrapunt, als kristallisatiepunt, als schrikbeeld, of als “Nederlands probleem”.’ Als emeritus hoogleraar Duitse geschiedenis met een specialisatie in de Weimarcultuur weet Boterman ontzettend veel van het land van dichters en denkers; dit boek is het kleinere broertje van zijn meer dan duizend pagina’s tellende magnum opus Cultuur als macht (2013), een cultuurgeschiedenis van Duitsland sinds 1800. In Tussen utopie en crisis toont hij dat kunstenaars van De Stijl en Bauhaus ideeën uitwisselden, dat de schilders van de Groningse groep De Ploeg voor inspiratie naar Duitse expressionisten keken en dat vragen over de aard van het nazisme het publieke debat in Nederland in de jaren dertig domineerden. Daarnaast wijdt hij een heel hoofdstuk aan Exilliteratuur; werk van schrijvers die voor de nazi’s vluchtten en in Nederland een onderkomen vonden en publiceerden. Werken van Joseph Roth en Bertolt Brecht verschenen bijvoorbeeld bij uitgevers als Querido en Allert de Lange. De eerste gaf ook het emigrantentijdschrift Die Sammlung uit, een publicatie die onder leiding stond van Klaus Mann, de zoon van de bekende auteur Thomas Mann. Duitse cultuur deed er ontegenzeggelijk toe in Nederland. Toch knaagt er iets in Botermans boek.

In het hoofdstuk ‘Nederland en de avant-garde: De Stijl, Bauhaus, dadaïsme, constructivisme en het nieuwe bouwen’ toont de schrijver aan de hand van de carrière van culturele duizendpoot Theo van Doesburg (1883-1931) de Duitse invloed op de Nederlandse avant-garde: allemaal zeer gedegen gedocumenteerd en weer wordt de lezer ondergedompeld in een overstromend bad van namen en jaartallen. Dan komt de schilder Piet Mondriaan (1872-1944) in het vizier. ‘Van Doesburg ergerde zich bovendien aan de Duitslandfobie van Mondriaan en diens voorkeur voor Frankrijk en Parijs.’ Er waren dus andere bronnen waar Nederlandse kunstenaars uit putten dan Duitsland. Mondriaan stond niet alleen in zijn voorkeur voor Parijs: ook Ter Braak gaf de voorkeur aan die stad boven Berlijn. In een ander hoofdstuk noemt Boterman ook Moskou als een knooppunt van het Europese avant-gardenetwerk en in de conclusie poneert hij de verder niet uitgewerkte stelling dat katholieke intellectuelen zich vooral op Frankrijk en Italië oriënteerden. Kwam dus niet alles uit Duitsland? Over wat er in die andere landen gebeurde, komt de lezer niets te weten. Het is Duitsland boven alles. Zodra het over het kunstgenre film gaat, maakt Boterman het nog bonter. ‘Vanaf 1934 kwam 17 procent van de vijfhonderd geïmporteerde films uit de Duitse filmindustrie.’ Prima, maar waar kwam die andere 83 procent vandaan? Boterman geeft het antwoord niet. Wel weet hij te vertellen dat Ter Braak ageerde tegen de Amerikaanse filmkomiek Charlie Chaplin en dat ‘de Nederlandse Filmliga met een manifest kwam waarin een vlammend protest stond tegen “de kudde, het commerciële regime, Amerika, Kitsch”’. Dit geeft haast het vermoeden dat Amerikaanse cultuur ertoe deed!

In het hoofdstuk over Exilliteratuur krijgt de stelligheid waarmee Boterman Duitsland centraal stelt karikaturale trekjes. ‘De literaire kritiek in De Tijd was voornamelijk Frans georiënteerd […]. Nog veel minder, zelfs marginaal, werd er in het protestant-christelijke dagblad De Standaard […] aandacht besteed aan Duitse schrijvers, dit in tegenstelling tot de Engelse literatuur.’ Hoeveel woorden besteedt Boterman aan de receptie van, ik noem maar een paar namen, T.S. Eliot, Virginia Woolf of Louis-Ferdinand Céline in Nederland? Nul. Enkele pagina’s later stelt hij dat er in Nederland

veel vraag was naar de overheersende Amerikaanse en Engelse amusementsliteratuur, maar deze werd meestal niet besproken. Afgezien van de serieuze Engels- en Franstalige literatuur gingen veel recensies en signalementen in de literaire tijdschriften over Nederlandse vertalingen van Duitse literatuur en over Duitse exilromans.

Afgezien van de literatuur uit de Verenigde Staten, Frankrijk, Engeland en andere landen, was Duitsland de levensader van de Nederlandse cultuur. Boterman negeert de voorbeelden die aantonen dat hij een van de centrale stelling van Tussen utopie en crisis moet herzien, zich niets aantrekkend van zijn eigen tunnelvisie.

Dat Boterman beseft dat zijn exclusieve fixatie op Duitsland onhoudbaar is, komt ook naar voren in de conclusie. ‘Er ontstond een amusementscultuur met films, dansrages, revues, jazzmuziek, reclame, een vrijere seksuele moraal en mode, vooruit uit Amerika.’ In Tussen utopie en crisis betekent muziek het Concertgebouworkest onder leiding van Willem Mengelberg (1871-1951) die het Mahlerfestival in Amsterdam opzette, geen woord wordt er gerept over Louis Armstrong (1901-1971) of andere jazzartiesten. Langzaam maar zeker vormt zich in het boek een beeld dat het Boterman helemaal niet te doen is om een cultuurgeschiedenis van Nederland vanuit een internationaal perspectief te schrijven, maar dat hij graag zijn stokpaardjes over Duitsland wil berijden.

Een waarlijk internationale blik op de Nederlandse cultuurgeschiedenis zou een goed idee zijn geweest als het goed was uitgevoerd, maar helaas heeft Boterman de lat van een overzicht binnen het Koninkrijk der Nederlanden al niet gehaald. De koloniën Suriname en Nederlands-Indië worden in het boek niet eens genoemd. Wie onbekend is met de Nederlandse geschiedenis zal zich afvragen wat het marineschip De Zeven Provinciën in 1933 voor de kust van Sumatra deed; Boterman schrijft enkel over de betekenis van de muiterij op het schip voor de Haagse politiek, zonder daarbij de koloniale context te noemen. Het is een gemis dat dit onderwerp geheel wordt genegeerd in Tussen utopie en macht, vooral omdat het aansluit bij Botermans hoofdpunten over democratisering en de positie van Nederland in de wereld. Hij had bijvoorbeeld Anton de Koms (1898-1945) antikoloniale aanklacht Wij slaven van Suriname uit 1934 en de Nederlandse ontvangst van zijn ideeën kunnen bespreken. Hoe werd er over de koloniale rijksgenoten gedacht? Dit is bij uitstek een cultuurhistorische vraag, maar Boterman stelt hem niet. Noch heeft hij het over de Indonesische studentenvereniging in Nederland, Perhimpoenan Indonesia, waarvan onder andere Mohammed Hatta (1902-1980), een van de leiders in de Indonesische dekolonisatieoorlog, lid was. Hoewel het een kleine organisatie was, biedt het onderwerp de mogelijkheid om te reflecteren op de positie van Nederland in de wereld. ‘Hoe beoordelen intellectuelen, wetenschappers en kunstenaars Nederland in deze periode en de positie van Nederland in Europa en de wereld?’ Uitstekende onderzoeksvraag, maar dan moet Boterman wel buiten zijn gebaande pad richting Berlijn durven treden als hij een compleet antwoord wil.

Met de introductie van de tropische delen van het koninkrijk gaat ook zijn premisse over de oercatastrofe wankelen. ‘Het negentiende-eeuwse rationale en liberaal-burgerlijke wereldbeeld was door vier jaar oorlog aangetast,’ stelt hij en vervolgt verderop dat de Eerste Wereldoorlog het idee verspreidde dat ‘de menselijke beschaving moreel failliet was’. Mijn vermoeden is dat de inwoners van Atjeh, waar aan het eind van de negentiende eeuw onder leiding van commandant in het Koninklijk Nederlansch-Indisch Leger Jo van Heutsz (1851-1924) een brute koloniale veroveringsoorlog werd gehouden, al niet erg onder de indruk waren van die westerse beschaving; om over andere volkeren die waren onderworpen door Nederland, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk of Frankrijk nog maar te zwijgen. Van Heutsz, de slachter van Sumatra, overleed in 1924, maar werd in 1927 herbegraven in een met fascistische ornamenten versierd mausoleum op De Nieuwe Ooster in Amsterdam na een ceremonie vol grandeur die werd voorgezeten door koningin Wilhelmina. Boterman had vanuit zijn aangedragen invalshoeken (democratisering, nationale identiteit) kunnen reflecteren op deze bijzondere gebeurtenis, maar onderzoekt liever leunstoelfilosofie dan straatrumoer. ‘De moderne wereld had een geschonden gezicht. Het kapitalisme zorgde niet meer voor economische stabiliteit en welvaart’, schrijft Boterman om de schokervaring van de loopgravenoorlog te duiden. Maar de vraag blijft voor wie de vreselijke slachtpartijen aan de Somme, in Ieper een schok waren? Om de Indiase onafhankelijkheidsstrijder Mahatma Gandhi (1869-1948) te parafraseren: de westerse beschaving? Dat zou een uitstekende uitvinding zijn.

Boterman heeft een reputatie als onverschrokken houwdegen als het aankomt op sociaalwetenschappelijke geschiedschrijving. Vooral kritische historici die naar marxisme neigen, neemt hij op de korrel: zo stelt hij in zijn eerdergenoemde oratie dat de Bielenfelder Schule deterministisch en teleologisch is en dat ze theoretisch te zwaar aanzet. Maar hoe brengt hij het er zelf vanaf? ‘Democratisering en de komst van de moderne wereld waren onvermijdelijk geworden.’ Het is lastig om anderen van determinisme te beschuldigen als je zelf zulke redeneringen hanteert. Over de mislukte revolutie van Troelstra in 1918: ‘Voor revolutie waren we niet in de wieg gelegd.’ Platvloers essentialisme en een persiflage op geschiedwetenschappelijke argumentatie. Over racisme en antisemitisme schrijft hij dat ze ‘niet goed in de Nederlandse tradities [pasten], ook vanwege ons koloniaal bezit in Nederlands-Indië’. Pardon? Alsof kolonialisme niet tot in zijn haarvaten verbonden is met witte suprematie. En als de NSB een meer nationaalsocialistische koers gaat varen, noemt Boterman de partij ‘on-Nederlands’. Maar de partij wás Nederlands, er waren Nederlanders met nationaalsocialistische ideeën: dit is een rare retorische kunstgreep om Nederland te zuiveren van elementen die niet bevallen. Om het falen van de fascistische bewegingen te verklaren wijst Boterman op het ontbreken van een ‘echte crisis’. Opzienbarend en opportunistisch, want zijn cultuurhistorische visie draait om de perceptie van een gebeurtenis of periode als een crisis, niet om de materialistische omstandigheden. Hij speelt dus als het hem uitkomt leentjebuur bij de historici die hij ter vuur en te zwaard bestrijdt. Tot slot is het lachwekkend als Boterman de invloed van de ‘meesters van de achterdocht’ Darwin, Nietzsche en Freud bespreekt, maar uit opgekropt antimarxisme de naam van de oervader van het communisme niet uit zijn pen krijgt, hoewel hij enkele regels later wel rept over vervreemding, een kernbegrip in Marx’ vroege werk.

Langzaam maar zeker verkruimelt het bouwwerk van Boterman door zijn vooringenomenheid over wat cultuur is en zijn liefde voor Duitsland. Het is gemakkelijk en flauw om een boek te bekritiseren op wat het niet is. In dit werk is het echter Boterman zelf die de verwachting schept van een overzichtswerk met een brede insteek en deze niet nakomt. Verwacht dus geen alomvattend handboek cultuurgeschiedenis van Nederland tijdens het interbellum. Tussen utopie en crisis is meer een meanderend collegetraktaat van Botermans interesses en hobby’s met hier en daar uitvoerige herhalingen. Vernieuwend noch spannend, maar wel best leerzaam.

Een recensie over Tussen utopie en crisis. Nederland in het interbellum 1918-1940 van Frits Boterman door Teun Dominicus.

Arbeiderspers, Amsterdam, 2021
ISBN 9789029543682
768p.

Geplaatst op 12/10/2021

Tags: cultuurgeschiedenis

Categorie: Geschiedenis, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.