Uitgestoten, opgesloten, neergeschoten

Compartimenten van vernietiging. Over genocidale regimes en hun daders

Abram de Swaan

Ter voorbereiding van zijn boek Hitler Strikes Poland. Blitzkrieg, Ideology and Atrocity (2003) analyseerde de Amerikaanse historicus Alexander Rossino een vierhonderdtal zogenaamde Erlebnisberichte. Het waren korte verslagen van Duitse soldaten en officieren uit het laatste trimester van 1939, waarin ze terugblikten op de ervaringen die ze tijdens de septemberveldtocht in Polen hadden opgedaan. Die campagne kostte niet enkel het leven aan 66.300 Poolse en 10.500 Duitse militairen, maar leidde ook tot de executie van naar schatting 12.000 burgers, onder wie een aanzienlijk percentage Poolse Joden (Halik Kochanski, The Eagle Unbowed. Poland and the Poles in the Second World War (2012); Rossino, Hitler Strikes Poland). Rossino was vooral geïnteresseerd in de wijze waarop Duitsers hun Poolse tegenstrevers in die berichten afschilderden. Zijn analyse geeft aan dat de schrijvers Polen en Joden verantwoordelijk achtten voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Ze beschreven hen niet meer als mensen, maar als ‘levende dingen’ met afgetekende dierlijke gedragspatronen. De architectuur van de Poolse woningen en steden illustreerde hun culturele inferioriteit, zo meenden de aanvallers. Bovendien bleek uit de wijze waarop Polen zich op het slagveld gedroegen dat ze verraderlijk waren, laf, niet geneigd de confrontatie rechtstreeks aan te gaan. Die beeldvorming was niet nieuw, beargumenteerde Rossino. Ze was in de loop van twee eeuwen gegroeid, aanzienlijk versterkt door de Duits-Poolse grensconflicten die in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en het Verdrag van Versailles plaatsvonden, en sterk uitvergroot door het nationaalsocialistische regime, zijn paramilitaire partijinstellingen (vooral de SA) en het sterk genazificeerde scholennet (waar atlassen, excursies en lessen de nationaalsocialistische ideologie weerspiegelden).

Rossino’s onderzoeksresultaten sluiten op heel wat punten aan bij de studie die de Nederlandse socioloog Abram de Swaan (1942) onlangs aan het brede publiek voorstelde. Het onderwerp van zijn Compartimenten van vernietiging is massale vernietiging, een fenomeen dat volgens de auteur gekenmerkt wordt door de geringe afstand tussen de dader en zijn slachtoffer, door de grootschaligheid van het geweld en door de onmiskenbare geweldasymmetrie (in tegenstelling tot de meeste oorlogen is er dus sprake van een duidelijk machtsonevenwicht tussen wie het geweld pleegt en wie het ondergaat).

Dit massale doden vindt niet willekeurig plaats, betoogt De Swaan, maar hangt samen met de nauwkeurige afbakening (identificatie) van ‘mijn groep’ (familie, stam, clan, en vanaf de negentiende eeuw ook staat) en het groeiende afstand nemen (desidentificatie) van ‘de andere groep’. De symbolische compartimenten die op die manier ontstaan, worden soms geïnstitutionaliseerd – ‘andere’ kinderen vinden dan geen plaats meer op ‘onze’ scholen, ‘andere’ volwassenen geen werk op ‘onze’ arbeidsmarkt, ‘andere’ zieken geen bed in ‘onze’ ziekenhuizen.

Die erg reële compartimenten maken fysiek contact tussen de twee subgroepen, voorafgaand aan de eigenlijke vernietiging, erg moeilijk, en in sommige gevallen zelfs onmogelijk. Heersende vooroordelen, uitvergroot door malafide propagandamakers, kunnen op die manier worden versterkt. ‘Projectieve identificatie’ (het toekennen van negatieve eigenschappen aan anderen, die we bij onszelf niet willen (h)erkennen) kan de vermeende slechte karakteristieken van de ander ‘essentialiseren’. Het negatieve gedrag van de ander is dan geen uiting meer van zijn zelfgekozen houding, maar behoort schijnbaar tot zijn onveranderlijke natuur. Wat hij ook doet om uit zijn compartiment te breken, de kleine verschillen geven voldoende aan dat hij anders én slecht is, en zijn pogingen om dit te verhullen illustreren enkel zijn inherente slechtheid. Eenmaal gedefinieerd, geïsoleerd en geëssentialiseerd is het slachtoffer klaar om te worden geliquideerd.

De Swaan onderscheidt vier vormen waarin het massale dodelijke geweld zich kan manifesteren. Naast de razernij van de overwinnaars (zoals de massamoord op de Herero door de koloniserende troepen van Lothar von Trotha) en de heerschappij door terreur (waarvoor Mao Zedongs China en Jozef Stalins Sovjet-Unie als typevoorbeelden fungeren), merkt hij op hoe het vooruitzicht op een naderende nederlaag soms tot ‘autodestructieve destructie’ kan leiden – de dader bundelt dan alle krachten om zijn slachtoffer te vernietigen, zelfs als dat zijn eigen einde versneld dichterbij brengt. Een vierde vorm is de megapogrom, waarbij tienduizenden mensen in een bottom-up proces kunnen worden omgebracht, met slechts een indirecte deelname van het betrokken staatsapparaat.

Compartimenten van vernietiging is een eerlijk boek. De auteur stelt dat het behandelde thema complex is, dat veel schuchtere antwoorden nieuwe – nog moeilijker – vragen oproepen en dat hij niet de ambitie heeft alle kwesties definitief te beantwoorden. Hij realiseert zich dat hij zich niet in mentaliteit van de (historische en actuele) dader kan verplaatsen en dat zijn benadering dus altijd ten dele speculatief blijft. Ten slotte streeft hij niet naar het volledig loskoppelen van de wetenschapper en de mens. ‘Per slot van rekening,’ schrijft hij, ‘kan ik op geen enkele manier mijn afschuw van de rampen die mensen hebben aangedaan ontkennen. Maar dat is ook helemaal niet nodig.’

De Swaans analyse is tevens erg degelijk. De bibliografie bevat meer dan 300 werken van doorgaans gerenommeerde wetenschappers. De wijze waarop hun onderzoek in zijn tekst geïntegreerd is, is indicatief voor de grote belezenheid van de auteur. De geraadpleegde studies komen bovendien uit meerdere sociaalwetenschappelijke disciplines (geschiedenis, filosofie, psychologie, sociologie) en behandelen erg uiteenlopende voorbeelden van massaal geweld uit verschillende delen van de wereld. De hoge frequentie aan grootschalige gewelduitbarstingen, alleen al in de twintigste eeuw (het tijdperk waaruit het gros van de voorbeelden komt), bemoeilijkt een omvattende behandeling van het thema, en de keuze om dit type geweld te bestuderen getuigt ontegensprekelijk van een grote academische moed.

Het model dat De Swaan opbouwt berust niet zozeer op uitgebreid empirisch (of archivalisch) onderzoek. Het is een vrij uitgebreide typologie, gebaseerd op bestaande sociaalwetenschappelijke interpretaties. In het boek wordt een poging ondernomen om het individuele gedrag te verklaren vanuit grote maatschappelijke ontwikkelingen (macro-sociologisch), sociale codes op het niveau van de staat (meso-sociologisch) en de imperatieve werking van lokale instellingen (micro-sociologisch). Dergelijke rationalistische verklaringen houden het risico in de grote diversiteit in het handelen van individuen met eenzelfde maatschappelijke achtergrond te veronachtzamen. Het is een grote verdienste van De Swaan dat hij een poging onderneemt om die ‘persoonlijke disposities’ (de psycho-sociologie) aansluiting te laten vinden bij zijn overige verklaringsniveaus.

Anderzijds blijft de vermeende link tussen de omgevings- en persoonlijkheidsfactoren erg problematisch. ‘Wie, zoals ik, pleit tegen een zuiver situationisme en voor een analyse in termen van situatie zowel als dispositie,’ beargumenteert De Swaan, ‘moet proberen verschillen in persoonlijkheid tussen daders aan te tonen, en ook tussen de meeste daders en andere mensen van hun generatie en nationaliteit’. Samengevat luidt zijn these dat mensen zich in gelijke omstandigheden gelijk gedragen, tenzij hun persoonlijkheid (het substraat van aangeboren factoren en opgedane ervaringen) hen ertoe aanzet zich afwijkend te gedragen. Wat daders op dit strikt individuele niveau gemeenschappelijk hebben, stelt de auteur, is een verzwakt Über-Ich (de mogelijkheid om de eigen driften te beteugelen), een gebrek aan agency (het besef van de rol die men in de gebeurtenissen speelt) en de gedeeltelijke afwezigheid van empathie. Dit is echter een weinig verhelderende cirkelredenering: het gebrek aan empathie, dat de auteur afleidt uit de handelingen van de dader, wordt als motief voor datzelfde handelen gepostuleerd. Niets uit het bestaande empirische onderzoek bevestigt echter de aanname dat gebeurtenissen uit de vroegste levensjaren dit verschil in dispositie zouden kunnen verklaren. Integendeel, alle beschikbare gegevens (het onderzoek van Michael Wildt naar de hoofden van het RSHA, dat van Christian Ingrao en Jens Banach naar de leiders van de SD, Bernd Wegners prosopografie van de Waffen-SS, Hilary Earls en Alexander Rossino’s analyses van de Führer van de Einsatzgruppen en Einsatzkommando’s) wijzen uit dat de grote diversiteit in de sociale achtergrond van de daders hun vaak gelijklopend gedrag, en de soms toevallig convergerende achtergrond de verschillen in hun gedrag moeilijk kunnen verklaren.

Een tweede bedenking betreft de afbakening van het studiedomein. ‘Massavernietiging’ is een erg breed begrip, dat zich in tal van uitingsvormen manifesteert. De term valt niet samen met ‘genocide’, betoogt de auteur, hoewel hij vaak verwijst naar genocidale regimes (zoals de Turkse overheid tijdens de Eerste Wereldoorlog) en hij zijn boek de ondertitel ‘over genocidale regimes en hun daders’ heeft meegegeven. De slavenhandel en de slavernij waren dan weer geen genocides, stelt De Swaan, omdat er geen sprake was van ‘systematische vernietiging’ (waardoor het onderscheid tussen genocide en massavernietiging opnieuw vervaagt). De grootschalige afslachting van de Armeniërs, de judeocide, het massale moorden in de Afrikaanse kolonies, het decimeren van de Noord-Indiaanse bevolking door ‘grove onachtzaamheid’ of ‘schuldige nalatigheid’, of het massale geweld dat ‘niet de opzet, maar een neveneffect’ van een landbouwbeleid was; het zijn allemaal voorbeelden van ‘massavernietiging’ – bijgevolg kunnen ze ook op een soortgelijke manier worden behandeld.

Toch dringt de vraag zich op of aan die op het eerste gezicht vergelijkbare fenomenen geen ontisch onderscheid ten grondslag ligt, of het met andere woorden niet gaat om misdaden van een wezenlijk andere aard. Genocide lijkt immers een ander type misdaad dan massamoord, en hoewel het massale sterven van de Vietnamese burgerbevolking in het kwarteeuw na de Tweede Wereldoorlog niet meer of minder laakbaar is dan het bloedbad dat Anders Breivik in 2011 in Noorwegen aanrichtte, zijn het naar hun aard toch twee verschillende vormen van massaal geweld. Omdat aan elk van die misdaden mogelijk andere motieven, emoties en (ten dele) verschillende maatschappelijke processen ten grondslag kunnen liggen, lijkt het moeilijk ze als meerdere verschijningsvormen van eenzelfde type geweld te behandelen.

Niettemin heeft Compartimenten van vernietiging een groot verklarend potentieel. Het is een diepgravend overzichtswerk, dat voor een breed publiek toegankelijk blijft. Het poogt sociologie te verzoenen met beginselen uit de psychologie. De lezer dient het niet door te nemen voor de radicaal nieuwe inzichten of uitdagende standpunten, maar doet er goed aan te bedenken dat het boek vanuit een specifieke sociologische invalshoek werd geschreven. Dat is zijn sterkte – en meteen ook zijn gebrek.

Links

Prometheus Bert Bakker, Amsterdam, 2014
ISBN 9789035140813
311p.

Geplaatst op 13/07/2014

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.