Recensies, roman

Van Bildung tot Gently en als hangjongere terug uit sprookjesland

Lanny

Max Porter

Lanny is de tweede roman van een auteur die alom geprezen wordt voor zijn Hercules-klus twee schitterende romans op rij uit te brengen. In Verdriet is een ding met veren (2016) richtte Max Porter zich nog op een duidelijk sentiment: verdriet daalt in de vorm van een kraai neer op de vensterbank van een gezin waaruit moeder de vrouw werd gerukt. Lanny is minder gestoeld op een boodschap of levensles, maar wordt vooral geprezen om zijn structuur en opzet: een ‘vreugdevol opgeroerde heksenketel van woorden’, of om The Guardian verder te citeren:

Lanny is similarly remarkable for its simultaneous spareness and extravagance, and again it is a book full of love. It plays pretty close to the edge over which lie the fey and the kooky; anyone allergic to green men may need to take a deep breath. But Porter has no truck with cynicism and gets on, bravely, exuberantly, with rejuvenating our myths.

Wat in het eerste deel begint als een dubbele Bildungsroman — Dode Papa Scheurwortel, een schimmig boswezen, versus Lanny, een kind in een semi-artistiek gezin (mama schrijft thrillers, papa is nooit thuis) — loopt uit op een zoektocht die qua sfeer herinnert aan een Britse politieserie, om uiteindelijk te eindigen zoals alle verhalen onder volwassen lijken te eindigen: na de storm mondt het uit in een status quo waarin wederzijdse verwijten aan de geest blijven kleven.

Dode Papa Scheurwortel ontwaakt in het bos van een dorpje nabij Londen, vormt zich een lichaam met takken, mos en vuilnis, luistert naar de wereld als vulling voor zijn bewustzijn. De taal, onomatopeïsch naar het luisteren in een gekrulde bladspiegel opgesteld, valt volledig samen met het ontwaken, het ontwarren van omgevingsgeluid en zijn eigen bewustwording: het geluid is even vreemd voor hem als voor de lezer. De associatie met de levende vuilniszak Oogie Boegie uit Tim Burtons The Nightmare Before Christmas is niet ver weg, maar Porter verruilt diens cartooneske griezeligheid bij Dode Papa Scheurwortel voor morele ambiguïteit. Want is het cruciale aan een Bildungsroman niet het moment waarop de hoofdfiguur stopt met luisteren naar de wereld, en hij of zij zich zonder toestemming van buitenaf tevreden stelt met de verworven inzichten? Mens- en wereldbeeld is in evenwicht, de worsteling met het bestaan duurt voort, natuurlijk, maar is minder puberaal, dat wil zeggen: leefbaarder. In die zin siert het Porter dat hij van zijn antagonist geen sardonisch plaksel maakt dat enkel het plot duwt: Scheurwortel lijkt omwille van zijn ongecontroleerde (taal?)groei overal en nergens te zijn; in ieders dagdromen, en lijkt net als iedereen te twijfelen tussen goed en kwaad. Het is het eerste cruciale element van de spanningsopbouw, want Porter zet met Scheurwortel de perfecte jager neer voor de prooi naar wie de roman is genoemd.

Evenwijdig met de bewustwording van Scheurwortel groeit Lanny op tussen zijn schrijvende moeder, zijn in de eigen lust en frustratie gekeerde vader en een tekenleraar op leeftijd aan wie hij de vragen stelt die hij niet aan zijn vader durft te stellen. Belangrijk voor Porter is dat Lanny niet in het centrum van zijn omgeving staat. Porters collagetechniek (we springen van verteller naar verteller, van moeder, naar tekenleraar, naar vader, naar het luisteren van Dode Papa Scheurwortel) suggereert een heleboel bewegende figuren rond Lanny die de nadruk eerder leggen op hun eigen activiteiten dan op het bestaan van hun kind (want het geldt vooral voor Lanny’s ouders). Het kneedt Lanny tot een nieuwsgierig, jongensachtig goedmoedig en solitair padvindertje.

En dan verdwijnt hij, nagenoeg spoorloos.

Met het wegvallen van de kern van zijn roman (en Dode Papa Scheurwortel die als Lanny’s schaduw in het tweede deel verdacht wegblijft) trekt Porter de collagetechniek door. Waar de vier vertellers in het eerste deel onze verwachtingen met een eigen kleur en beleving injecteren, raast het tweede deel vooruit als een opeenvolging van flarden informatie die het verloop van het verhaal documenteren. Wie de versnipperde zinnen precies uitspreekt wordt duidelijk dankzij het register (‘Theo, heb jij Lanny na school gezien?’) of is simpelweg indifferent (Ík mag haar niet, meteen al. Vindt zichzelf heel wat.’). Het gaat om de argwanende sfeer in het dorp, over iedereen die iedereen bekijkt, bestudeert, beoordeelt, met de zoektocht naar Lanny als een goed excuus om de wortels van het kwaad in het dorpje uit te roeien. De lezer wordt geacht mee te gluren.

Of evengoed mogelijk gaat het tweede deel om de invulling van onze door televisie ingebrande  verwachtingen. Deze keuze brengt echter met zich mee dat de binnenwereld van de personages uit het eerste deel jammer genoeg systematisch wordt afgeplat tot een schakel in een communicatief schema, tot nog ineen te puzzelen brokjes van het sjabloon uit bijvoorbeeld Inspector George Gently: de verdachte, de tweede verdachte, het slachtoffer, het tweede slachtoffer, de getuige. Met de typisch fragiele interactie tussen hen allen vertelt Porter niks nieuws. En erger: de opbouw van Dode Papa Scheurwortel wordt gedemythologiseerd tot een verhaaltrucje. Het mythische wezen is geen sardonisch plaksel , neen, maar een excuus dat Lanny’s verdwijning rechtvaardigt, die op zijn beurt gerechtvaardigd wordt door de Westerse aantrekking tot de mythe.

Lanny vindt de mythe niet opnieuw uit, maar gebruikt de mythe als schrijftrucje en ontneemt haar op die manier van iedere inherente, universele zeggingskracht. Het tweede deel voelt erg lang en elastisch aan, ondanks de snelheid die de scenario-vorm met zich meebrengt. Porter lijkt al schrijvend tot de vaststelling te komen dat hij zijn eigen sporen heeft uitgewist, dat zijn structuur, of beter: de drukkende kracht van Lanny’s verdwijning, het wezenlijke van zijn personages eerder wurgt dan botviert. Eigenlijk heeft Porter Lanny’s verdwijning, dé gebeurtenis van de roman, niet nodig.

Waar Porter in het begin leeslust weet op te wekken met Dode Papa Scheurwortel, voelt zijn in het derde deel opgerakelde versie stoffig en makkelijk aan. Alsof alles nu geoorloofd is. De zeggingskracht van een luisterend boswezen verslapt tot ongerichte symboliek die suggereert dat al het leven in het dorpje met elkaar verbonden is, dat Lanny’s verdwijning in de sterren stond geschreven. Tja, waarom dan een roman schrijven? Alles ophangen aan de verduistering van een bewustzijn als dat van Dode Papa Scheurwortel, terwijl de goddelijke auteur al van bij het begin beter wist, is valse spanning, een half drama. Een lezer die zich afvraagt hoe de personages — over wie elke roman uiteindelijk iets te zeggen hoort te hebben — hun eigen menselijkheid overstijgen, komt uitgehongerd uit. Ligt er meer in Lanny verscholen dan de voor de hand liggende boodschap dat kleine dorpjes hun eigen mythes en roddels beginnen te spinnen met ‘desastreuze’ gevolgen? Ik zou Porter het voordeel van de twijfel willen geven, maar in ieder geval lijkt mij het laatste oordeel van het plot: ‘de ouders laten hun kind toch echt wel vrij’ te zwak om als fundament te dienen voor onoverkomelijke drama’s waaraan de literatuur rijk is.

Hun eigen menselijkheid overstijgen? In het eerste deel komt het voor. Personages breken uit hun door het plot opgelegde categorieën; ze kijken niet zomaar glazig voor zich uit om vervolgens te ontdekken wat hen overkomt; ze staan niet altijd machteloos tegenover hun eigen leven (dat dan, zoals in het geheel van de roman, wordt goedgebabbeld met Dode Papa Scheurwortel als spook dat in hen oprispt). Lanny’s moeder bijvoorbeeld, spuwt haar eigen ingeslikte agressie ineens uit wanneer ze een egel vastgeklemd in een afvoerput tot bloederige moes knipt (pp. 69-70). Dit zijn de beste passages van de roman. Porter vist er onomwonden het slechte uit zijn personages, werkt uit hoe die personages geen weg weten met hun eigen machteloosheid en verveling, belooft ermee dat hij met zijn personages nieuw, duister terrein verkent:

Een soort van moorddadige automatische piloot nam bezit van me. Ik deed mijn rubberhandschoenen aan en pakte een vleesmes. Ik ging naar buiten, knielde boven de afvoerput en stak de egel herhaaldelijk in zijn lijf en kop, mijn best doend niet te kijken en niet te diep adem te halen.
(…)
En hoe voel je je nu? vroeg ik aan mezelf. Ik voelde me goed.
(…)
Jij en ik hebben vanaf nu een geheimpje samen, zei ik tegen het lemmet.

Tegelijkertijd schrikt Porter meteen terug, want al snel haakt hij Lanny’s moeder weer aan de leiband om haar naar haar plaats in het plot te begeleiden. Jammer, in het licht van bovenstaande passage voelt het plot van de roman aan als een mantel die de ware inhoud bedekt (het nest waarin een nieuwsgierige persoonlijkheid als die van Lanny kromgroeit?). Porter lijkt zijn lezer te laag in te schatten, en verzandt daarmee in een stijl die de lezer zo duidelijk en ‘experimenteel’ mogelijk informeert over wat de personages overkomt. En hij maakt de inschattingsfout dat dat wat hen overkomt — de verdwijning van Lanny en de gevolgen ervan — veel minder interessant is dan dat wat hij van zijn personages heeft gemaakt.

Ten slotte werd Porters taal vaak ‘krankzinnig’ genoemd, maar wat is er precies zo krankzinnig aan? Porter wortelt Lanny in een theatertekst, een scenario en het ontwaken van een grote boze vuilniszak van uitdrukkingen.

Die afwisseling van op zich gelijkende stijlen wekken de indruk op van een structuur, een vooruitgang en een houvast. Wanneer Porter zijn voet even uit dat vierkantje durft zetten, dient de lezer zijn evenwicht terug te vinden, maar heeft dat al bij al geen drastische gevolgen voor de realistische achtergrond van de roman. Eerder dan oprispingen van krankzinnige taal die zichzelf noodzakelijk moet heruitvinden om het over de kasseien in de magen van de personages te hebben, voelde het lezen van het ‘krankzinnige’ Lanny aan als zwemmen met het wateroppervlak aan je enkels: voor de auteur is het absoluut noodzakelijk dat de lezer zich kan oriënteren, dat de taal het plot documenteert, terwijl hij daarbij soms voorbij lijkt te gaan aan de complexiteit van de gewaarwordingen van zijn moeder- en vaderfiguren:

Lanny’s vader

Ik zit op kantoor in de stad en het idee dat hij bestaat, zestig minuten sporen hiervandaan, en zijn leventje leeft in het dorp, met die rare hersenspinsels in zijn kop, lijkt totaal onvoorstelbaar. Het lijkt onwaarschijnlijk, hier op mijn werk, dat wij een kind hebben en dat Lanny dat is.

Over hoe het is om naar je kind te zoeken en de wanhoop die ermee gepaard gaat, ving ik uiteindelijk slechts clichématige glimpen op die ik me evengoed voor de geest kon halen door, zonder roman, op mijn zetel te zitten en te denken wat er met mijn tante of oom zou gebeuren, mocht mijn neefje in een diepe put vallen:

Als ik geen hoofdrol speelde in het drama van zin vermissing, zou het me dan in wezen iets kunnen schelen dat hij weg is? Is deze gedachte taboe? Is dit een schandelijke waarheid over mezelf? Het is verschrikkelijk, dit geheim. Het is misschien wel voor het eerst dat ik zo’n heldere gedachte heb, hier in de tuin, alleen met mijn door verlies gekwelde vrouw, terwijl we die griezelige spreuken of plannen of wat het ook zijn lezen die Lanny voor ons heeft achtergelaten. Ja, zeg ik tegen mezelf, dit is de waarheid. Mijn gedachten zijn helder. Het is een voorrecht dat ik dit nu weet, over ons mensen.   Niemand van ons geeft in wezen iets om een ander. We doen maar alsof.

Herkenbaar, ja, maar is dat in deze context een compliment voor de roman? Lanny is leesbaar — erg vlot leesbaar als je enkel de oneven pagina’s van het tweede deel leest! — en weet bij momenten de spanning strak te trekken, maar bij het dichtklappen vraag ik me af wat het me heeft bijgebracht, welk kleverig gevoel Porter met zijn uitgestrooide zak technieken in mijn borststreek wilde toveren. Dat het leven best geleid wordt door de verhalen in mijn omgeving te vertrouwen, of net te wantrouwen? Of wilde hij me helemaal niks leren; zoals een voyeur zich in eerste instantie voorneemt van zijn gluren te genieten?

Er zijn boeken waarbij ik mij volgende vraag nooit hoef te stellen: ‘waarom bestaat deze roman eigenlijk?’. Dergelijke boeken gebruiken technieken als herkenbaarheid en stijlontwrichting om iets complexer uit te vouwen, iets wat niet in een simpele boodschap te vatten is. Het effect daarvan is dat de vertelling mij iets duidelijk maakt wat mij enkel in die vertelling duidelijk gemaakt kan worden, een sluimerend besef waarvan de auteur bij het schrijven soms glimpen van opving, en waarmee ik tijdens het lezen wordt ‘beloond’: ik bevind me in een kamer waarin de noodzaak van de roman aanwezig is, want de aanwezigheid van een ander universum maakt zich kenbaar. Zonder techniek (speelt de roman nu op herkenbaarheid of stijlontwrichting,  of op allebei) is het waarschijnlijk dat ik nooit toegang krijg tot dat nieuwe universum, maar anderzijds begint fictie pas bij het slagen van de techniek. Bij Lanny ligt het anders. Lanny eindigt er. Eerder dan dat ik beloond word, voelt het leesproces aan alsof Porter mij van zijn techniek en benadering wil overtuigen een verdwijning van een padvindertje neer te zetten, met als arrogant idee dat de lezer het boek niet slecht kan vinden vanwege de zwaarte van het onderwerp. Het zou misdadig zijn het onderwerp te relativeren, want dan valt de lezer samen met het amorele dorp. Maar uiteindelijk… wat kan mij Lanny schelen? Als de techniek op geen enkele noodzaak gestoeld is, en de roman niet breder gaat dan zijn eigen techniek, wat valt er voor mij als lezer dan eigenlijk te lezen? Hoe jammer is het dat Porter slechts glimpen uitstuurt van een agressief mens- en wereldbeeld , waarna hij de gekleurde confetti snel weer in het pistool propt.

De Bezige Bij, Amsterdam
ISBN 9780571340286
208p.
Prijs: 13,99
Meer info: debezigebij.nl/boeken/lanny/ p.

Geplaatst op 03/10/2019

Tags: 2019, Giuseppe Minervini

Categorie: Recensies, roman

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.