Filosofie, Recensies

Van pogrom tot Shoah

Antisemitisme

Hannah Arendt

Als Hannah Arendt (1906-1975) in 1924 voor de universiteit van Marburg kiest om er filosofie te studeren bij Martin Heidegger en theologie bij Rudolf Bultmann, gaat haar interesse in eerste instantie uit naar existentiële vraagstukken. Tot haar favoriete lectuur behoren de Belijdenissen (398) van Augustinus en het oeuvre van Sören Kierkegaard. Niets duidt er op dat moment op dat ze later bekendheid zou verwerven met een controversiële politieke theorie. Naar het eind van de jaren twintig wijzigt haar houding radicaal: door de politieke ontwikkelingen in Duitsland, met name door de groeiende populariteit van de NSDAP en de toenemende vijandelijkheden tegenover de Joodse bevolking, voelt Arendt zich verplicht om het geweer van schouder te veranderen. Van nu af gaat ze resoluut de confrontatie aan met de politieke werkelijkheid, hoe gruwelijk en mensonterend die ook is. Dat resulteert (meer dan) twintig jaar later in haar monumentale studie The Origins of Totalitarianism (1951), waarvan het eerste deel Antisemitism nu in Nederlandse vertaling voorligt.

In haar studie bestrijdt Arendt een aantal taaie vooroordelen, die zowel Joden als niet-Joden eropna houden. Om te beginnen bestaat er voor haar niet zoiets als een eeuwenoud, onveranderlijk antisemitisme, dat begonnen zou zijn met de Babylonische ballingschap en leidde tot de diaspora na de tweede verwoesting van de tempel in het jaar 70, tot de kruistochten en de middeleeuwse pogroms, tot de maatschappelijke discriminatie in de moderne tijd en uiteindelijk tot de Endlösung onder de nazi’s. Tussen al deze vormen van antisemitisme bestaan volgens haar grote verschillen. Zo waren de middeleeuwse pogroms religieus geïnspireerd, en stoelt de Jodenhaat vanaf de moderne tijd vooral op raciale argumenten, en ook tussen deze op Jodenhaat gebaseerde discriminatie en de beslissing van de Wannsee-conferentie om het Joodse volk uit te roeien gaapt nog een enorme kloof. Arendt verwerpt dus de gangbare opvatting dat de Shoah de voorlopig laatste fase zou zijn van een ‘eeuwig antisemitisme’. Een beroep op het eeuwige, aldus Arendt, is al te comfortabel – terreur is van alle tijden, de wereld is altijd al beheerst door geldhonger … – maar heeft nog nooit één historische gebeurtenis verklaard. Als Arendt in haar geschiedschrijving al één principe hanteert, dan is het dat recht gedaan moet worden aan de uniciteit van het gebeurde, dat de geschiedenis behoed moet worden voor boventijdelijke algemeenheden.

Ten tweede rekent Arendt af met het vooroordeel van de zondeboktheorie. Een zuivere zondeboktheorie veronderstelt dat om het even wie kan worden geofferd of verbannen om het kwaad te bestrijden: de zondebok is een willekeurig gekozen, onschuldige persoon of groep. Maar op het moment dat de Joden als zondebok worden aangewezen, geeft men altijd redenen op waarom precies zij aangewezen worden: ze hebben de zoon van God vermoord, ze weigeren zich te integreren, het zijn woekeraars, enzovoort. Een interne inconsistentie ondergraaft dus de theorie: het willekeurige in de keuze van de zondebok botst met de verantwoording.

Een derde vooroordeel is de overtuiging dat het Joodse zelfbewustzijn louter en alleen een product zou zijn van het antisemitisme – een vooroordeel waarvan Sartres existentialistische interpretatie van de Jood die door anderen wordt beschouwd en gedefinieerd als Jood, een recent voorbeeld is. Arendt wijst erop dat de Joden zelf, vanaf het begin van de moderne tijd, hun Jood-zijn raciaal duiden. Ze vervangen de religieuze uitverkorenheid, waarop ze voorheen hun eigenheid en verschil met niet-Joden baseerden, door psychische en raciale kenmerken.

Door in te stemmen met vooroordelen zoeken Joden niet meer naar een specifieke verklaring voor de penibele situatie waarin ze hier en nu terecht (ge)komen (zijn). Door zich te beroepen op de simpele dooddoener van het eeuwige antisemitisme, wentelen ze zich in het slachtofferschap en weigeren ze elke verantwoordelijkheid voor wat hun overkomt. Maar precies in deze weigering schuilt volgens Arendt een verpletterende verantwoordelijkheid. Ze heeft het herhaaldelijk over de ‘wereldloosheid’ en het gebrek aan oordeelsvermogen, die beide deel uitmaken van de Joodse geschiedenis – de geschiedenis van een volk dat al tweeduizend jaar niet over een eigen territorium of vaderland beschikt.

Arendt heeft altijd de stelling verdedigd dat ‘wie als Jood aangevallen wordt, zich als Jood moet verdedigen’. Daarom heeft ze zich in de jaren dertig aangesloten bij de zionistische beweging: ze beschouwde het zionisme toen als het enige politieke antwoord op het antisemitisme. Daarom ook heeft ze in de jaren veertig gepleit voor de oprichting van een Joods leger, dat effectief zou participeren aan en strijd zou leveren in de oorlog tegen nazi-Duitsland. Daarom ten slotte steunt ze de oprichting van de staat Israël als een thuisland voor de Joden. Alleen constateert ze tot haar ergernis dat de meest rabiate zionisten het pleit gewonnen hebben. Met de jaren neemt ze een alsmaar kritischer houding aan tegen de concrete gedaante die de staat Israël heeft aangenomen, want van meet af aan was ze voorstander van een multinationale staat, met gelijke burgerrechten voor Joden en Palestijnen, voor Joden, moslims en christenen…

Zelf maakt Arendt duidelijk dat de zogenaamde Joodse kwestie op een politieke stand van zaken berustte. Ze wijst erop dat de Joden als geen andere bevolkingsgroep hun lot verbonden hadden met de opkomst en de bloei van de natiestaat. Zij vormden een klasse: niet in de gewone zin, want de Joden waren grotendeels uitgesloten uit de maatschappij (society), maar in zoverre zij zich als financiers met de nationale staat identificeerden. De nadrukkelijkheid waarmee ze dat deden, onderscheidde hen volgens Arendt van alle andere klassen. Het gevolg hiervan was dat elke groep of klasse die in conflict kwam met de nationale staat, automatisch ook in conflict kwam met de Joden. Ze vergelijkt hun positie met wat de aristocratie overkomen is. Ze laat zich hierbij inspireren door Alexis de Tocqueville, volgens wie de aristocratie na het ancien régime niet gehaat werd om haar macht, maar juist om haar machtsverlies. De haat bereikt een toppunt op het moment dat de aristocratie haar maatschappelijke rol verliest en alleen haar rijkdom behoudt. Iets gelijkaardigs heeft zich volgens Arendt met de Joden voorgedaan: rijkdom zonder functie en verdienste wekt haat op. Hitler heeft deze stand van zaken niet in het leven geroepen, maar wel onderkend, en er op een ongehoord criminele manier misbruik van gemaakt.

Arendts boek wordt fel bekritiseerd. Soms is dat terecht. Haar boek is inderdaad niet evenwichtig opgebouwd: zo wordt een onevenredig groot aantal bladzijden gewijd aan de Dreyfus-affaire. Venijniger is de kritiek als zou Arendts boek zelf doordrongen zijn van antisemitische argumenten. Men neemt het Arendt erg kwalijk dat ze de door Joden gepleegde geschiedschrijving van het Joodse volk ondermaats vindt, ontdaan van elke wetenschappelijkheid en onpartijdigheid. Bovendien verdraagt men niet dat Arendt de Joden niet vrijpleit en ze medeverantwoordelijk acht voor de geschiedenis waarvan ze deelgenoot geworden zijn. Deze moeilijk verteerbare gedachte duikt telkens opnieuw in Arendts oeuvre op: slachtofferschap en onschuld vallen niet samen. Of: slachtoffers zijn niet onschuldig, ze zijn verwikkeld in het lot dat hen treft. Zonder enige twijfel ontleent Arendt deze gedachte aan de Griekse tragedie: Oedipus bijvoorbeeld werkt mee aan zijn eigen ondergang. Maar misschien leggen ook de oude Joodse verhalen over de aartsvaders getuigenis af van een dergelijk, moeilijk te dragen vermoeden. Het verwijt een antisemiet te zijn zal haar blijven achtervolgen en een climax bereiken na de publicatie (in 1963) van Eichmann in Jeruzalem, waarin ze eens te meer de Joodse leiders (gedeeltelijk) aansprakelijk maakt met de opmerking dat ze het de nazi’s te gemakkelijk gemaakt hebben – onder meer door de Joden aan te raden een Davidsster te dragen.

Arendt is in, er is buitengewoon veel aandacht voor haar gedachtegoed. Maar vaak wordt daarbij vergeten wat voor een weerspannige of stekelige denker ze in feite is, hoeveel pijnlijke angels in haar oeuvre verstopt zitten.

Boom, Amsterdam, 2021
Vertaald door: Willem Visser
ISBN 9 789024 432530
280p.

Geplaatst op 31/10/2021

Tags: Antisemitisme, Hannah Arendt, Joden, Shoah, Zionisme

Categorie: Filosofie, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.