Proza, Signalement

Verder leven als nummer twee

Waar ik liever niet aan denk

Jente Posthuma

De Nederlandse schrijver Jente Posthuma debuteerde in 2016 met Mensen zonder uitstraling (Atlas Contact), dat genomineerd werd voor de Dioraphte Literatour Prijs, de Hebban Debuutprijs en de ANV Debutantenprijs. Vier jaar later is er een nieuwe roman, Waar ik liever niet aan denk (Uitgeverij Pluim), waarin een jonge vrouw terugblikt op haar relatie tot haar tweelingbroer die zichzelf om het leven bracht. Door de fragmentarische opzet en de laconieke beschrijvingen van zware thematiek leest het als een vervolg op haar debuut. Het weet echter minder te boeien.

Waar in Posthuma’s debuutroman de naamloze ik-persoon met mentale problemen kampt vanwege het commentaar en de verwachtingen van haar excentrieke, jong overleden moeder, is de ik-persoon in Waar ik liever niet aan denk niet in staat een eigen leven te leiden, vanwege schuldgevoelens over het feit dat ze haar depressieve tweelingbroer niet heeft kunnen redden. ‘Het is zo makkelijk om je kind een trauma te bezorgen dat ze soms bijna in de verleiding raakte,’ denkt de hoofdpersoon van Mensen zonder uitstraling wrang grappend wanneer ze eenmaal zelf een kind heeft. In het universum van Posthuma is het duidelijk dat relaties tot anderen er alles toedoen.

‘Ervaringen veranderen de hersenen, letterlijk, zei een neuropsychiater op tv. Ieder gesprek slaat neer in de hersenen en verandert ze. Op basis van nieuwe informatie neem je andere beslissingen.’ Deze anekdote van de eveneens naamloze ik-verteller die de hele roman aan het woord is, wordt al vroeg in Waar ik liever niet aan denk aangehaald. Het illustreert een terugkomend besef in Posthuma’s romans: het besef hoezeer we worden gevormd door gebeurtenissen in ons verleden en door contacten met anderen. Daarmee past haar werk in de stroming van het zogenaamde radicaal relationisme: het gaat in deze romans om het bewustzijn dat ‘voor onze identiteit het in relatie zijn met anderen een voorwaarde is’.

Eén en Twee

In Waar ik liever niet aan denk wordt dit besef tot het uiterste opgerekt. De lezer leert de ik-persoon eigenlijk nauwelijks kennen. Ze is alleen te definiëren als tegenhanger van haar tweelingbroer. ‘Mijn broer noemde zichzelf Eén en mij noemde hij Twee, omdat hij drie kwartier eerder werd geboren dan ik,’ lezen we al in het begin. Zoals zo vaak bij tweelingen is ook in dit geval een van de twee groter en sterker en dat is de broer. Het leidt ertoe dat de ik-persoon, Twee, altijd de volger is, en Eén de gangmaker, de trendsetter. Althans, zo in steen gebeiteld ziet de hoofdpersonage hun band wanneer ze terugblikt na zijn zelfmoord. Een verhaal, enkel verteld vanuit háár perspectief, dat ze zich voorhoudt en waar ze niet uit lijkt te kunnen breken.

Impliciet wordt de vergelijking gemaakt met de Twin Towers: de noordtoren, 1 WTC, was net twee meter hoger dan de zuidtoren, die 2 WTC werd genoemd. In de opgehaalde jeugdherinneringen aan het instorten van de torens op 9/11 klinkt de voorbode van het ‘instorten’ van de tweelingband. De lezer mag erbij bedenken dat als eerste de noordtoren werd geraakt, parallel aan broer Eén die zelfmoord zal plegen, waarna een kwartier later ook op de zuidtoren werd ingevlogen.

Wat ben je nog als nummer Twee, wanneer nummer Eén wegvalt? In dit boek niet veel. Ground Zero. Na de dood van haar broer begint de ik-persoon steeds minder tijd in haar eigen appartement door te brengen en slaapt ze steeds vaker in dat van haar broer. Ze draagt zijn kleding, heeft een soort fantoom-maagpijn omdat hij dat ook had. ‘Misschien moet je maar gewoon in het huis van je broer gaan wonen,’ zegt haar vriend Leo op een gegeven moment. ‘Hij is nu tweeënhalf jaar dood en nog steeds ben je daar vaker dan hier. Hoe vaak moet je die dagboeken nog lezen?’

Dat vraagt de lezer zich ook af. Het is moeilijk je in te leven in het hoofdpersonage, het is moeilijk invoelbaar waaróm ze zo gehecht was aan haar broer en nauwelijks persoonlijke interesses of eigen ambities lijkt te hebben. Dat maakt het lastig het hele boek geboeid te blijven lezen, ondanks dat het slechts 237 pagina’s telt. Waar de aaneenschakeling van herinneringen in Mensen zonder uitstraling op subtiele wijze een steeds beter inzicht in het innerlijk leven van het hoofdpersonage biedt, raak je in deze tweede roman met dezelfde opzet soms juist het spoor bijster. Daarbij komt dat de roman doorspekt is met door de ik-persoon opgerakelde anekdotes en feitjes rond doodgaan en zelfmoord, waarvoor het hoofdpersonage al een ongezonde fascinatie heeft vóór haar broer een einde aan zijn leven maakt. Beroemde zelfmoorden (Sylvia Plath, Mark Madoff…), de Holocaust en nazi-arts Josef Mengele passeren de revue. De functie hiervan blijft onduidelijk, de stukjes vallen niet op hun plek.

Stijl en sfeer

Gedachten, dialogen en gebeurtenissen treffend optekenen lijkt voor de schrijver belangrijker dan het plot. Daar is ze ook goed in. In haar debuut onderstreepte ik vele memorabele zinnen zoals ‘Dit zijn de beste jaren van mijn kont, dacht ik weemoedig, en ik doe er zo weinig mee.’ Een voorbeeld van de subtiele humor waar Posthuma in uitblinkt, met steeds een pijnlijke laag onder de oppervlakte: de ik-persoon is nog geen twintig als ze dit denkt, en de gedachte toont haar dwangmatige focus op vrouwelijke schoonheid en de vergankelijkheid daarvan die ze dankzij haar moeder geïnternaliseerd heeft.

In dat vermogen om een beklemmende sfeer op luchtige wijze des te harder binnen te laten komen, doet Posthuma denken aan auteurs als Jaap Robben en Lize Spit. In Waar ik liever niet aan denk komt dit vermogen minder naar voren, hoewel er wel degelijk goede vondsten zijn. Zo probeert de ik-persoon in navolging van haar broer achter de bar te werken, maar na een week krijgt ze van de manager te horen dat ze niet het juiste karakter voor de horeca heeft. ‘Welkom in de echte wereld, zei ze, maar het was de bedoeling dat ik er niet meer terugkwam.’

Een van de laatste zinnen van het boek is eveneens treffend en betekenisvol: ‘Op lege momenten, als ik op de tram sta te wachten bijvoorbeeld, voel ik mezelf in mijn lichaam landen. Het is niet hetzelfde als vallen, ik voel eerst mijn benen, dan mijn voeten, dan de grond. En dan sta ik, stevig, als iemand die weet wat ze op de wereld doet.’ De eigen individualiteit, het eigen lichaam, is na lange tijd teruggevonden; ze bestaat weer, ook zonder Eén. Had Jente Posthuma de lezer maar meer meegenomen in de weg naar dat inzicht. Het hoofdpersonage blijft onkenbaar. Of was dat de bedoeling?

 

Signalement: Waar ik liever niet aan denk van Jente Posthuma door Anne Sluijs.

Pluim, Amsterdam, 2020
ISBN 978-94-929284-8-1
239p.

Geplaatst op 16/10/2020

Tags: Anne Sluijs, Jente Posthuma, tweeling, tweelingbroer, zelfdoding

Categorie: Proza, Signalement

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.