Wat Walschap naliet (en waarom dat niet erg is)

Metten Marten

Gerard Walschap

Er blijft altijd wel iets te wensen over, maar soms stuit je op iets wat je niet meer had verwacht. Wie had immers gedacht dat er bijna vijfentwintig jaar na zijn overlijden nog een roman van Gerard Walschap zou verschijnen? En toch werd onlangs in Antwerpen Metten Marten gepresenteerd, een schelmenroman van de hand van Walschap, geschreven in de periode waarin ook Zwart en Wit (1948), Zuster Virgilia (1951) en Oproer in Congo (1953) ontstonden. In dit nagelaten werk heeft Walschap veel nagelaten, maar juist het onvoltooide karakter van dit boek biedt voor de hedendaagse lezer onvermoede mogelijkheden.

Helemaal onbekend was Mette Marten niet. In 1949 en 1951 waren er al wat hoofdstukjes van deze roman gepubliceerd in De Vlaamse Gids en het Vlaams-Congolese tijdschrift Band. Walschap liet de redacteur van het laatste periodiek destijds weten:

Metten Marten, moet een groot historisch verhaal in twee delen worden. Ik heb er reeds een vierde van, tien of elf hoofdstukken die allemaal als afzonderlijke verhalen kunnen doorgaan, dus anders geschreven dan mijn romans, in ‘prentjes’ zoals we dat noemen. Ik werk er aan als ik eens lust heb, soms met lange tussenpozen. Het moet een echt leesboek voor klein en groot worden, goed vakmanswerk.

Veel vaart heeft Walschap blijkbaar nooit achter het project gezet. Hij werkte eraan als het andere werk even kon blijven liggen, maar tegelijkertijd was Walschap heel wat van plan. Het eerste deel zou handelen over de jeugd van Metten Marten, vanaf het moment dat hij van huis wegloopt tot het punt waarop hij in Brest besluit om deel te nemen aan een expeditie van koning François I naar Amerika. Het tweede deel zou over Mettens avonturen in de nieuwe wereld gaan. Zo ver zijn Walschap en zijn schelm echter nooit gekomen. In de overgeleverde tekst verlaat Metten Vlaanderen zelfs nooit.

Het blijft speculeren over de vraag waarom Walschap zijn ambitieuze plan nooit helemaal heeft uitgevoerd. Want zoveel is duidelijk: Metten Marten is niet af. De hoofdstukken die in extremis in de nalatenschap zijn aangetroffen vormen geen afgerond verhaal. Het boek bestaat uit vijftien hoogst vermakelijke schetsen van het leven van de geniale deugniet Metten Marten die door de subversieve schilder Wouter de Keyzer wordt voorbereid op een leven als vagebond en wereldreiziger. Voorzichtig filosoferend over wat ze allemaal willen bereiken in het leven (Metten droomt ervan om als admiraal terug te keren naar zijn geboortestreek) trekken de twee – soms vergezeld door de Duitse studenten Hans en Caspar en het bonte theatergezelschap van Jan Oppas – van dorp naar dorp en van stad naar stad, zonder dat ze in deze inleidende beschietingen al écht iets bewerkstelligen. In Antwerpen beleven ze de opkomst van de op economisch en cultureel gebied ‘gouden’ zestiende eeuw, in Dendermonde bedwingen ze de pest en in Gent stoeien ze wat met de nog jonge keizer Karel V, maar het is nog betrekkelijk onduidelijk waar dit allemaal toe had moeten leiden.

Toch stoort het besef dat Metten Marten nog lang niet is voltooid de leeservaring nauwelijks. Je voelt je als lezer sowieso al bevoorrecht om deelgenoot te mogen zijn van een roman in wording; een roman die je niet meer had verwacht en die dus ook geen verwachtingen heeft gewekt. Deze vijftien verhaaltjes zijn fascinerend in hun onvoltooidheid, zoals ook het nooit afgewerkte album Kuifje en de alfa-kunst dat is. Het boek biedt de mogelijkheid om eindeloos te fantaseren over wat het had kunnen en – veel essentiëler – wat het volgens de lezer had moeten worden. Wat dat betreft is het een goede zaak dat Walter van den Broeck het verzoek om de roman te voltooien, heeft afgeslagen. De lezer is en blijft op die manier aan zet.

Tegendraads

Elke (goede) historische roman is ook een commentaar op de tijd waarin het tot stand is gekomen. Louis Paul Boon schreef zijn De bende van Jan de Lichte niet alleen om zijn licht te laten schijnen over de sociale verhoudingen in de jaren 1750; hij schreef deze roman vooral om de mensen in de jaren 1950 aan te sporen om wat mondiger te worden. Ook Walschap had opstandige bedoelingen met zijn boek. Niet dat hij zijn lezer wilde oproepen tot verzet, maar hij maakte wel heel duidelijk welke functie de kunst volgens hem moest vervullen in tijden van vernieuwing. De eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog waren wat dat betreft niet anders dan het ontstaan van de ‘nieuwe tijd’ in de vroege zestiende eeuw.

Het is bijvoorbeeld bepaald niet toevallig dat Metten Marten een kompaan en mentor vindt in de kunstschilder Wouter de Keyzer. Hoewel de lezer uiteindelijk de wereld zal bekijken door de ogen van de titelheld van het verhaal is het aanvankelijk vooral de kunstenaar die het vizier scherp stelt. ‘De schilder was een hoveling, nu is hij een muiter,’ zegt hij bijvoorbeeld op het moment dat Wouter wordt geïntroduceerd en hij laat daar op volgen:

Hij heeft er genoeg van heiligen te schilderen voor mensen die hun godsdienst met de lippen belijden maar leven gelijk beesten. Al wat hij nog doen kan is portretten schilderen van mensen die niet beter verdienen dan zo rap mogelijk vergeten te worden in plaats van vereeuwigd.

Wouter zegt dit in het bijzijn van de abt van de abdij van Hemissen (Hemiksem) wiens portret hij op dat moment aan het schilderen is. Deze abt heeft echter een zwak voor eigenzinnige types (vandaar dat hij ook Metten Marten heeft ondergebracht in zijn abdij) en barst in lachen uit. ‘Word mijn hoveling,’ zegt hij tegen Wouter.

Deze inleidende scène is grappig en veelzeggend tegelijk. Walschap laat immers meteen zien dat opstandige opvattingen alleen niet genoeg zijn. Geen mening zo tegendraads of zij kan weggelachen worden door de bezittende klasse. De schilder en de schelm zullen er dus op uit moeten trekken om de dunne lijn te bewandelen tussen het tegendraadse en het moreel verwerpelijke; een lijn waarop Metten overigens een aantal keer vervaarlijk wankelt. Maar zoals dat gaat in een schelmenroman krijgt de held in zijn ontwapenende eerlijkheid altijd het gelijk aan zijn kant.

Oningevuld

Veel blijft echter onduidelijk. Met welk doel worden Metten en Wouter er bijvoorbeeld door Walschap op uit gestuurd? Welke facetten van de Nieuwe Tijd moeten zij precies ontmaskeren? Als lezer krijg je het idee dat Walschap daar zelf eigenlijk nog niet helemaal uit was. Wat bijvoorbeeld te denken van de scène aan het hof van Keizer Karel in Gent? Wouter houdt de monarch eerst voor dat hij hoopt dat de jonge keizer Europa naar een ‘gouden eeuw van welvaart, vooruitgang en beschaving’ zal leiden, om vervolgens met hem in een bitsige discussie te verzanden over de moderne Vlaamse schilderkunst. ‘De ouden schilderden de rust, wij de beweging,’ zegt Wouter en voegt eraan toe dat hij denkt dat ‘de mens altijd omhoog en vooruit moet’. Maar Karel is niet overtuigd: ‘En ik denk dat ze [de mensheid] met al uw beweging achteruitgaat in plaats van omhoog en vooruit’. Even lijkt de discussie te ontsporen. Karel dreigt (speels) om Wouter aan banden te leggen door hem te dwingen om aan zijn hof te blijven schilderen. Maar dan proest Karel het uit en moedigt hij Wouter aan om de wereld in te trekken en een vrij man te blijven.

Hoewel Metten Marten en consorten later zeggen te walgen van het gratuite machtsmisbruik van de keizer, wordt Karel afgeschilderd als een behoorlijk verlicht vorst. Had deze heerser, die Walschap al te voortvarend omschrijft als een Gentenaar en een Vlaming, moeten dienen als contrastmaatstaf tegen François I of tegen de koloniale heersers op het Amerikaanse continent? Of zou Karel ondanks zijn machtswellustige trekjes model moeten staan voor een gematigde bruggenbouwer die als voorafspiegeling moest gaan functioneren voor een Europees ideaal? Niets is uitgesloten, aangezien de twijfelende auteur nog geen beslissing leek te hebben genomen.

Het staat de lezer natuurlijk vrij om die beslissing zelf te nemen, om te bepalen of het verhaal uiteindelijk vooral een vrijbuitersmoraal zou hebben uitgedragen, of dat Walschap er toch een constructieve visie op het naoorlogse Europa in zou hebben verwerkt. Het boek vraagt er bijna om. En omdat de ideeën deels onuitgewerkt bleven, staat de tekst zelfs heel open voor allerhande ingrepen van de lezer in deze tijd. Walschap had immers nog geen kans gezien om zijn verhaal op een duidelijke manier te verankeren in zíjn tijd en dus lijkt zijn tekst zijn klauwen af en toe te zetten in de onze. De uiteenzetting van de bibliothecaris van de abdij van Hemissen over de teloorgang van de westerse cultuur als gevolg van de introductie van de boekdrukkunst is bijvoorbeeld bijzonder hilarisch tegen de achtergrond van de doemscenario’s die nu worden geschetst naar aanleiding van de opkomst van het e-boek. Cultuurpessimisme is van alle tijden, maar soms zijn zogenaamde universele waarden wat meer van toepassing dan anders.

Walschap heeft de komst van het e-boek natuurlijk niet voorzien, maar dit soort onbedoelde betekenissen zijn inherent aan de uitgave van onaffe teksten. Een nadeel is dit geenszins. Eerder integendeel: Metten Marten biedt een inkijkje in het schrijfproces van een auteur die een poëtica hanteerde die in de huidige letteren veeleer zeldzaam is. Walschap probeerde om vanuit zijn verbeelding het gevecht aan te gaan met de wereld, de geschiedenis en zijn tijd. En omdat dat schrijfproces nooit echt op gang is gekomen, ziet de lezer de auteur in volle kwetsbaarheid. Hij ziet een auteur die begint met het idee dat een goed verteld verhaal meer duidelijk kan maken dan een historisch accuraat relaas, maar die al gauw stuit op de weerbarstige historische realiteit. Op welke manier zou de guitige schelm zich immers tot Karel V moeten verhouden? Wat is de actuele betekenis van de vroege zestiende eeuw? Het zijn vragen die Walschap niet beantwoord kreeg. Maar omdat hij in zekere mate faalde in zijn opzet, liet hij wel een boek na dat na meer dan vijftig jaar onvermoede (en ongetwijfeld onbedoelde) vragen kan oproepen. Want hoe plaatsen wij onszelf eigenlijk in de geschiedenis? En welke plaats reserveren we voor de literatuur? Het zijn vragen die des te pregnanter zijn als de schrijver er niet in is geslaagd om een antwoord te formuleren.

Links

Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen, 2012
ISBN 9789460011634
240p.

Geplaatst op 05/07/2012

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.