Proza, Recensies

Een zoenafdruk van de duivel

Weekdier

Hans Depelchin

Een bizar schouwspel in een bedompte kelder. Is dit een voorstelling of een ritueel? Wie is de ik-figuur die de deur op slot draait? Waarom zit er een kusvormige schimmelplek op de buik van de actrice? Wat wordt er nu precies gevierd? Wacht, is dit een uitvaartplechtigheid? Wie is er overleden? Hoezo is er rumoer op straat? Loopt de kelder nu echt vol met water?

De proloog van Weekdier, de debuutroman van Hans Depelchin, roept een flink aantal vragen op. De prangendste: hoe gaat de schrijver deze ingezette spanningsboog op een succesvolle manier inlossen?

Bevrijdingslaan

Waar speelt dit alles zich af? Dat is zo ongeveer het enige wat de proloog direct benoemt, en wel in de eerste zin. De Bevrijdingslaan is een straat in een onbenoemde stad en staat bekend als een ‘broedplaats’ vol opkomend talent op het gebied van de kunsten. In elk van de vier lange, novelleachtige hoofdstukken leren we een van de straatbewoners annex kunstenaars uitgebreider kennen.

Uitgebreider, want alle vier komen al voor in de proloog. De fotograaf, de pianist, de beeldhouwer en de actrice zijn allemaal op een bepaalde manier betrokken bij de raadselachtige bijeenkomst. Maar ze hebben meer met elkaar gemeen. Allen zijn rond de dertig jaar oud. Bovendien zijn ze elk ooit gerecenseerd door Mathilde, die ook op de Bevrijdingslaan woont. De buren zijn zich vaag bewust van elkaars bestaan, maar hebben elkaar nooit ontmoet en spelen geen rol in elkaars levens of hoofdstukken.

De onbeholpenheid zelve

De eerste van de artistieke beloftes is fotograaf Franky, die de wijkende haargrens van een vijvenveertigjarige heeft maar wel een typisch millennial levensmotto: ‘Ik maak er een zooitje van. Ik weet niet hoe het moet.’ Hij is de onbeholpenheid zelve, zo wordt alleen al duidelijk uit de oorsprong van dat motto. Toen Franky nog single was en op zoek was naar een ‘haalbaar’ meisje, gebruikte hij steevast diezelfde woorden om op te biechten dat hij niet zo goed was in bed.

Inmiddels is hij vijf jaar samen met zijn vriendin Olga – een van de weinige vrouwen die niet door zijn bekentenis was afgeschrikt – maar hij is nog steeds een even grote stumper. Om de een of andere reden kan Franky niet zwemmen en dus dwingt Olga hem zwemlessen te nemen. Als ze informeert of hij daadwerkelijk is geweest, weigert hij uit schaamte om dat te bespreken in het bijzijn van hun hond: ‘Wolf kan ons horen. Wolf voelt dingen aan.’

Franky heeft gelijk dat de hond meer doorheeft dan je zou denken. Tijdens het uitlaten blijft Wolf dralen voor het huis waar de proloog zich afspeelt. Franky kan een heleboel redenen bedenken waarom hij dit doet, maar hij sluit niet uit dat zijn hond hem op deze manier probeert te vertellen dat er in dat huis iets raars staat te gebeuren. Op opzichtige wijze wordt je als lezer herinnerd aan alle vragen van het begin. Als Franky kort daarna getuige is van een bijna-botsing tussen een tram en een tienjarig jongetje op de fiets, voel je de bui al hangen. Franky kent het jochie, dat hij regelmatig door de straat ziet fietsen: ‘Straks zal hij dezelfde weg in de andere richting afleggen.’ Halverwege het eerste deel vallen de puzzelstukken al op hun plaats.

Spontaan applaus

Nets als Franky komt in het tweede hoofdstuk actrice Colline steevast in kolderieke situaties terecht, bijvoorbeeld als ze haar Mini Cooper voor reparatie naar de garage brengt. Als ze in een vinnige discussie met de automonteur een gevatte opmerking maakt, geven de andere wachtende autobezitters haar spontaan applaus. Het en-toen-begon-iedereen-te-klappen-moment is op zichzelf al een meme en daar komt bij dat Colline deze reactie verwacht en zelfs buigt voor haar ‘publiek’. Haar verhaal wordt ronduit een klucht als ze bij thuiskomst een huwelijksaanzoek krijgt van haar stomdronken partner. Ze accepteert, maar onder een aantal voorwaarden. Colline, die in een uitvoering van Ibsens Een poppenhuis (1879) een geëmancipeerde vrouw speelt, eist onder andere dat hij stopt met opiniestukken schrijven waarin hij traditionele man-vrouwverhoudingen verdedigt. Hij stemt daarmee in.

Het deel over pianist Alberich, ook wel Briekje genoemd, gaat door op het thema gender. Vroeger was Briekje een ‘androgyn godenkind’ dat zijn eerste natte droom beleefde toen fantaseerde over ‘een hybride wezen, mannelijk én vrouwelijk’. Ook als volwassene is hij niet het toonbeeld van een traditionele man en hij identificeert zichzelf als biseksueel. Hij krijgt met de nodige vooroordelen te maken, bijvoorbeeld van barvrouw Kelly, die een geslachtsoperatie blijkt te gaan krijgen. Daarmee komt ze aardig in de buurt van zijn natte droom. Tijdens hun gesprek trekt ze hem dicht naar zich toe: ‘Een biseksueel in de armen van een vrouw die een man wordt.’ Briekje en Kelly lijken in de roman niet veel meer te zijn dan hun gender- en seksuele identiteit. Dat is een gemiste kans om deze niet-hetero en niet-cisgender personages, die nog steeds uiterst zeldzaam zijn in de (Nederlandstalige) literatuur, meer diepte te geven.

Gelukkig is er toch ook ruimte voor enige nuance. Aan het denken gezet door Kelly’s aanstaande geslachtsverandering zegt Briekje tegen een van zijn sekspartners dat hij wel eens voelt dat hij een vrouw wil zijn. Zij antwoordt daarop: ‘Geloof me, daar heb je niet goed over nagedacht.’ Met één zin wordt de ongecompliceerdheid waarmee gender tot dan toe is behandeld in de roman op zijn kop gezet en komt er een nieuw spanningsveld bloot te liggen. Dat is echter van korte duur. Uiteindelijk trekt Briekje een jurk aan in wat een onvermijdelijk sluitstuk lijkt van zijn verhaallijn: de niet-helemaal-man voelt zich pas zichzelf als hij verkleed is als vrouw, en een andere optie is er natuurlijk niet. Daarmee wordt het vermoeden dat door de eerdere twee hoofdstukken is opgewekt, bevestigd. Deze mensen zijn geen personages maar karikaturen.

Een interdisciplinaire performance

Een verademing komt in de vorm van de intermezzo’s. Na elk hoofdstuk komen we terug bij recensent en mislukt schrijver Mathilde, de ik-verteller uit de proloog. ‘Mijn verhaal is niet spannend,’ benadrukt ze voortdurend. Dat geldt dan misschien voor haar voorgeschiedenis, maar ze is vastbesloten om daar verandering in te brengen: ‘Ik zou er alles voor overhebben om groots te zijn. De dood, bijvoorbeeld, is groots.’ Onderdeel van dat onheilspellende plan is dat ze de kunstenaars uit de straat verenigt voor wat ze ‘een interdisciplinaire performance’ noemt. Samen met haar man treft ze de voorbereidingen, en ze maken tegelijkertijd plannen voor hun eigen verdwijning direct na de bijeenkomst. Mathilde heeft namelijk iets op haar geweten. Hoewel al snel overduidelijk is wat precies, wordt daar tot de daadwerkelijke onthulling aan het einde geheimzinnig over gedaan. En dat is jammer, aangezien het al zo weinig verhuld was. Desondanks maken haar motivatie en haar rol in het verhaal Mathilde in het kleinste aantal pagina’s tot het hoofdpersonage dat het meest tot leven komt. De anderen zijn slechts haar pionnen; zij zet alles in gang en daardoor worden alleen haar beweegredenen daadwerkelijk voelbaar.

Dat neemt niet weg dat het plot van de roman ietwat vergezocht is. Het is bijvoorbeeld moeilijk te geloven dat de vier kunstenaars die Mathilde benadert allemaal in dezelfde straat wonen en door haar gerecenseerd zijn, maar tegelijkertijd haar én elkaar niet kennen. Goed, dat kun je Depelchin nog vergeven. Sebastiaan Kort schrijft in zijn recensie in NRC: ‘Paradoxaal genoeg maakt juist het onaffe van debuten ze soms zo opwindend.’ Van een debutant vraagt hij geen volleerd vakmanschap maar bovenal iets avontuurlijks, iets spannends, iets nieuws. Volgens hem is Weekdier ‘zo’n roman die je tekort zou doen door er droogstoppelig de gebreken van op te sommen’.

Noem me Droogstoppel, maar in deze roman vind ik de gebreken te groot en het avontuur te klein. Dat heeft vooral te maken met de literaire ambitie die uit het verhaal spreekt maar niet echt wordt waargemaakt. Ondanks enkele geslaagde momenten, zoals het reeds genoemde huwelijksaanzoek, slaat Depelchin in veel scènes de plank net mis; wat overblijft zijn vlakke, ietwat clichématige personages met wie je niet echt meevoelt, hoe hoog de spanning ook wordt opgevoerd. Tegen het einde komt echter een aangename wending: in het vierde hoofdstuk, over beeldhouwer Siffer, verdwijnt de schertsende toon en krijgen de personages wat ademruimte. Het verhaal wordt kundig afgerond met een laatste stuk verteld door Mathilde, dat erin slaagt op niet-kitscherige wijze een strik te plakken op het grillige geheel.

Allemaal bij elkaar

Depelchins literaire ambitie blijkt ook uit de vele motieven die hij inzet. Een belangrijke is de vorm van een halfopen mond, die voor het eerst gezien wordt op de buik van Colline en steeds in het verhaal blijft opduiken. Deze motieven zijn misschien net te overdadig maar wel degelijk intrigerend, bijvoorbeeld wanneer die mond wordt beschreven als een zoenafdruk van de duivel. Nog vaker tref je verwijzingen aan naar – hoe kan het ook anders – weekdieren. Schelpen(vergelijkingen) zijn alomtegenwoordig: de decoratie op de bar, de korst over een gezwollen oog, de vuile lakens van een bed, de inham in een steen… En het begint al bij een stuk tekst, nog voor de proloog, dat los lijkt te staan van het de rest van de roman maar wel degelijk de toon zet. Een mossel probeert zich te verzetten tegen een zeester maar verliest. Hem wacht een gruwelijk lot: opgeslurpt door zijn belager blijft zijn schelp achter, slechts een van de vele op het strand.

Wat wil dit zeggen over de bewoners van de Bevrijdingslaan? Ze zijn allen zoekende, schijnbaar vooral naar seks, en een bevredigende vondst lijkt er voor bijna niemand in te zitten. Oftewel, typische figuren uit de millennialliteratuur zoals Hans Demeyer en Sven Vitse die kenmerken: ‘personages voelen zich niet verbonden met de ander, en evenmin met zichzelf en met de tijd en de ruimte waarin ze zich bevinden’. Als een van Briekjes bedpartners week en wankel wordt genoemd, merkt hij op: ‘We zijn allemaal wankel.’ Als lege schelpen liggen ze stuk voor stuk bij elkaar in het zand.

Deze recensie over Weekdier van Hans Depelchin door Thijs Joores werd mede mogelijk gemaakt door het Algemeen Nederlands Verbond (ANV).

De Geus, Amsterdam, 2020
ISBN 9789044543551
336p.

Geplaatst op 30/03/2021

Tags: Hans Depelchin, kunstenaars, weekdier

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.