Filosofie, Recensies

Geweldig geloof

Geloof in geweld

Hans Achterhuis

Wie Hans Achterhuis (1942) leest, leest een lezer. Pagina na pagina leidt hij je met minzame eloquentie door een woud van boeken. Een voor een presenteert hij die aan jou, het ene al wat zorgvuldiger dan het andere, en haalt er keurig datgene uit wat hij voor zijn thema nodig heeft. Het is leerzaam zwerven in dit woud, ook als je verdwaalt. En dit laatste is niet ondenkbaar, want Achterhuis houdt ervan zijn lezer met regelmaat vuistdikke exemplaren voor te schotelen. Maar waar je de weg kwijtraakt, vind je die ook snel terug, want wat kort gesteld heeft Achterhuis maar één thema: geweld. Of iets scherper: het geweld in datgene wat zich profileert als een remedie ertegen. Zo was het in zijn eerste bestseller, De markt van welzijn in geluk (1981). En zo ging het, duidelijker nog, in De erfenis van de utopie (1998), in Met alle geweld (2008) en in De kunst van het vreedzaam vechten (met Nico Koning, 2017) – om slechts een minieme greep uit zijn bibliografie te doen.

 

1. Geweld …

En zo gaat het ook in Geloof in geweld, zijn pas verschenen boek. Telkens onderzoekt Achterhuis hoe en waarom boodschappen van vrede en geluk in staat zijn zoveel geweld te genereren. In Geloof in geweld zoomt hij in op ‘religie’: religies in de gangbare zin van het woord, zoals christendom, islam, hindoeïsme en boeddhisme, maar evengoed in wat hij (met Erik Voegelin) seculiere religies noemt, nazi-fascisme en sovjetcommunisme bijvoorbeeld. Al deze grote discoursen waarin massa’s mensen een uitweg zien uit een toestand vol onheil en geweld, blijken op de een of andere manier zelf potentiële dragers van onnoemelijk veel geweld.

Achterhuis hoeft niet ver te zoeken om de actualiteit van die observatie te illustreren. Het religieuze fundamentalisme woedt inmiddels al decennia over de planeet, en heus niet alleen van moslimzijde. Denk aan de christelijke fundamentalisten in de Verenigde Staten die al lang geen ‘silent minority’ meer vormen. Evangelicals gaan er vandaag de dag gewapend ter kerke en het is geen uitzondering, zo citeert Achterhuis uit diverse bronnen, dat hun predikant, vroom over christelijke naastenliefde mijmerend, onder zijn liturgisch gewaad een geladen pistool schietklaar heeft.

Religie heeft iets met geweld. Al hoeft dat geweld niet per se negatief te zijn, voegt Achterhuis er graag aan toe. Het kan ook emancipatorisch, bevrijdend, zelfs tolerant zijn. Denk aan de bevrijdingstheologie van de jaren zestig, zegt hij dan, of aan het middeleeuwse Cluny waar, autoriteiten en tijdsgeest geweld doend (we zijn in volle kruistochtentijd), de Koran in het Latijn werd vertaald. ‘Als tegenhanger van mijn kritische-negatieve oordeel over het meeste religieuze geweld, zal ik af en toe graag naar zulke zaken verwijzen’, schrijft hij aan het begin van zijn boek. Maar zijn focus ligt duidelijk op het geweld dat religies wel degelijk genereren en waarin ze, in weerwil van wat ze beweren, toch blijken te ‘geloven’.

Vaak is religie een ideologische dekmantel, daar is Achterhuis zich zeer bewust van. Dit neemt echter niet weg dat ook authentiek geloof gewelddadig uit de hoek kan komen. Christenen als Francisco Pizarro en de zijnen, verantwoordelijk voor massale slachtpartijen onder de Inca’s, waren zonder meer oprechte gelovigen, overtuigd van de goddelijke zegen die op hun ‘bekeringswerk’ rustte.

Evenzo is het geweld in de oorsprongsverhalen van de vele religies moeilijk te negeren. Mohammed levert met zijn ‘vijftien officiële vrouwen’ geen voorbeeld van vrouwenemancipatie. De man op wie het christendom teruggaat, had wel degelijk nauwe banden met de toen aanzwellende golf van gewapende opstanden tegen de Romeinse bezetting. Niet toevallig lezen we in het evangelie van Lucas (22:36) dat Jezus, in de dagen vóór zijn terechtstelling, zijn leerlingen opdracht geeft hun mantel te verkopen om voor dat geld zwaarden aan te schaffen. Het geweld is uit de geschiedenis van christendom, islam, hindoeïsme en boeddhisme (alle vier uitvoerig besproken in het boek) onmogelijk weg te filteren. Achterhuis rapporteert het allemaal uitvoerig.

Ook al zijn de grote ideologieën geen religies in eigenlijke zin, hun aantrekkingskracht wordt door velen als ‘religieus’ geduid en die duiding geeft het geweld waarvoor ze verantwoordelijk zijn steevast een extra boost. Geloof in geweld verwijst bijvoorbeeld (om het bij dat ene voorbeeld te houden) naar een studie van Nicolaj Berdjajew die een treffende vergelijking uitwerkt tussen Lenin en de laatste patriarch vóór de Oktoberrevolutie, Pobiédonotjev. Het militantisme waar beiden toe oproepen, teert met succes op al dan niet onderdrukte ‘religieuze’ aspiraties.

 

2. … begrijpen

Maar Achterhuis wil meer dan rapporteren. ‘Ik wil begrijpen’, citeert hij een beroemde uitspraak van Hannah Arendt, die hij uitdrukkelijk zijn ‘leidsvrouw’ noemt. Het is zaak om het religieuze geweld onbevooroordeeld en in zijn volle complexiteit te benaderen, de ruimere context in acht te nemen, ook historisch. En dus, zo herhaalt Achterhuis een paar keer, moet je religie niet louter als een zaak van kennis zien, maar ook en vooral van sociale en culturele praktijken. Wie religies louter op hun rationele waarheidsclaim beoordeelt, komt niet echt aan begrip toe. De gekende atheïstische fundamentalismecritici als Paul Cliteur en Richard Dawkins hebben er in zijn ogen niet veel van ‘begrepen’.

Maar slaagt Achterhuis er dan wél in het geweld dat in religie huist te begrijpen? Waarin bestaat zijn ‘begrijpen’ dan? Bij nader toezien moet ik constateren dat zijn vuistdikke boek nu ook weer niet zoveel elementen aanlevert om die vraag helemaal bevredigend beantwoord te krijgen. Als ik het goed voorheb, leunt zijn ‘begrijpen’ vooral op drie basisschema’s.

Een eerste en belangrijkste ontleent hij aan René Girard. Die stelt, zoals bekend, dat religie teruggaat op een zondebokmechanisme en daarom, ook onder haar vredelievendste gedaanten, inherent gewelddadig is. Uitgangspunt is dat onder mensen onvermijdelijk geweld heerst, en dit omdat ze mimetisch op elkaar betrokken zijn. Elkeen bouwt zijn identiteit op door zich met een ander te identificeren. Zodra echter die identificatie dreigt te lukken, zodra iemand echt identiek aan een ander dreigt te worden, wordt die ander een obstakel dat hij uit de weg moet ruimen, wil hij inderdaad ‘echt’ zichzelf kunnen zijn. Mimetisch op elkaar betrokken, staan mensen noodzakelijk gewelddadig tegenover elkaar. Dat ze toch in staat zijn een min of meer vredige gemeenschap te vormen, komt doordat ze hun onderlinge geweld overhevelen op één (of enkelen) van hen, de zondebok(ken), die ze vervolgens verbannen of uit de weg ruimen. Op die manier houden ze het geweld buiten de eigen gemeenschap. Althans tijdelijk, wat betekent dat ze op gezette momenten opnieuw met een zondebok voor de dag zullen moeten komen.

Dit is wat vanouds religie doet. Met het sacrale bakent ze streng een domein af waar een gemeenschap, via een geofferde zondebok, haar geweld – haar zonden – kan dumpen. De samenleving is dus in oorsprong religieus en religies zijn in hun kern wreed en gewelddadig omdat ze het geweld dat de samenleving anders zou vernietigen ‘kapitaliseren’ en beheersbaar maken.  Zo ‘begrijpt’ Girard, en men hem Achterhuis, religieus geweld.

Het Bijbelse monotheïsme, aldus Girard, vormt daarop een uitzondering in de zin dat daar het zondebokmechanisme gethematiseerd en dus blootgelegd wordt. De zonden die Christus op zich neemt, zijn niet de zijne, maar de onze: in tegenstelling tot andere religieuze teksten laten de evangelies daarover geen misverstand toe. In die zin biedt de christelijk religieuze cultuur op haar manier een uitweg uit het religieuze geweld.

Dit laatste is Girards overtuiging. Achterhuis is hierover veel minder optimistisch, omdat hij ziet hoe het zondebokeffect door de hele christelijke geschiedenis heen is blijven doorwerken en dit ook vandaag nog doet. Die religie is al even gewelddadig als alle andere, en in weerwil van Girards stelling, biedt diens ‘zondebokmechanisme’ ook voor het religieuze geweld van christelijke zijde een adequaat verklaringsmodel, aldus Achterhuis.

Een tweede basisschema dat Achterhuis’ analyses leidt, is wat hij de ‘wij-zij-exclusie’ noemt. Religie versterkt het wij-gevoel door anderen uit te sluiten. Het geweld waarmee de anderen uitgesloten worden, is omgekeerd evenredig met de vrede die binnen de wij-groep geconsolideerd wordt. Dit mechanisme, zo geeft hij aan, vloeit naadloos samen met dat van de zondebok: de zij-groep kan rustig worden beladen met alle zonden die de wij-groep bij zichzelf niet wil erkennen.

Die twee basisschema’s worden in Achterhuis’ ‘begrijpende’ analyses vaak ondersteund door een derde, dat van de ‘overdeterminering’, een concept dat hij naar eigen zeggen aan Freud ontleent. De wij-zij-exclusie is niet per se religieus. Ook in andere domeinen waar dit soort exclusie huishoudt, kan religie echter wel een rol spelen, en dit door in de wij-zij-tegenstellingen bepaalde elementen te ‘overdetermineren’. Religie kan items markeren als ‘heilig’, als absoluut, als onbetwistbare waarheid, en op die manier de betreffende items tot een splijtzwam in de discussie maken. In het abortusdebat bijvoorbeeld speelt religie vaak die rol en draagt er op die manier toe bij dat de wij-zij-exclusie – al dan niet ondersteund door een zondebokmechanisme – een explosieve bron van geweld vormt.

 

3. Waarheid

Om het geweld dat van religie uitgaat te begrijpen, is dus ook ‘waarheid’ een factor. Voor Achterhuis speelt die een rol in de religieuze ‘overdeterminering’. Maar hij hanteert ‘waarheid’ niet als een zelfstandig basisschema om religieus geweld te begrijpen. Dit is merkwaardig, omdat hij een paar keer met instemming verwijst naar een denker die dat wel doet: Jan Assmann, Duits egyptoloog en auteur van een ophefmakende monotheïsme-theorie. Voor Assmann is monotheïsme geen ‘oorspronkelijke’ (of, in zijn termen, ‘primaire’) religie. Het is een ‘secundaire’ religie, want resultaat van een aanhoudende kritiek op een bestaande ‘primaire’ religiositeit. Die kritiek impliceert dat die laatste aan het criterium van de waarheid wordt onderworpen. Een god kan alleen god zijn als hij waar is. Goden die dat niet zijn, zijn vals, onecht, onbestaand. Vandaar monotheïsme, ééngodendom. De waarheid is wat ze is, ze is onveranderlijk zichzelf, dus één, en daarom voor iedereen geldig. Derhalve kan ook het goddelijke niets anders zijn dan één en universeel geldig. Het kan in elk geval niet die warrige veelheid aan goden en godinnen zijn waar heidense, ‘foute’ religies het over hebben.

Ziehier meteen waarom waarheid – in casu religieuze, monotheïstische waarheid – een bron van geweld is. De manifestatie van de godheid gaat hier noodzakelijk gepaard met het nietig verklaren – en de facto vaak ook vernietigen – van alle andere, foute, heidense goden. Lees er de oudtestamentische verhalen op na waarin koning Josia godenbeelden, altaren, tempels en complete religieuze culturen laat vernietigen in het oude Israël (2 Koningen 23). Of, recenter, denk aan de vernieling van de Boeddhabeelden in de Bamiyanvallei (Afghanistan) door de Taliban in 2001.

Het is niet zo, zoals Achterhuis stelt, dat volgens Assmann in het polytheïsme een ‘zwakke idee van waarheid’ geldt. Niet-monotheïstische goden luisteren in het geheel niet naar het criterium ‘waar versus vals’. Ze worden waar noch vals genoemd. Of, wat op hetzelfde neerkomt, ze zijn waar en vals tegelijk. Nu eens is Zeus een stier, dan een gouden regen en dan weer een slingerende bliksem. Ook in dit soort religies heerst geweld, en om dit te begrijpen kom je met Girard een heel eind. Maar het specifieke geweld dat inherent is aan het monotheïstische waarheidsprincipe laat zich niet girardiaans begrijpen. Het monotheïstische waarheidsprincipe is, anders dan Girard veronderstelt, niet alleen maar bevrijdend. Het pretendeert dat wel te zijn, maar slaat daarbij wel alles wat leugenachtig en vals is stuk. Het vernietigt al wat mensen graag voor goden houden, want alleen God is God.

Als de titel van Achterhuis’ boek, Geloof in geweld, ergens op van toepassing is, dan zeker op die monotheïstische waarheid. En typisch eraan is dat het hier een geloof in een ‘laatste’ geweld betreft, een geweld dat, juist omdat het in naam van de waarheid uitgeoefend wordt, pretendeert alle bestaande geweld uit de wereld te helpen. Zonder het als zodanig te noemen, brengt Achterhuis dit soort ‘waarheidsgeweld’ wel ter sprake, met name wanneer hij het over het geweld heeft dat in allerlei apocalyptische fantasma’s onze hele geschiedenis heeft beheerst, zeker met en na de komst van het christendom.

Naast het zondebokmechanisme, de wij-zij-exclusie en de overdeterminering is ook de waarheidsclaim een factor op zich, wil men, zoals Achterhuis zich voorneemt, het geweld dat religie kan ontketenen ‘begrijpen’. Zeker in de moderne tijd, waarin het aandeel van monotheïstische religies op het politieke wereldtoneel aanzienlijk is, en ook boeddhisme en hindoeïsme behoorlijk door het ‘waarheidscriterum’ geïnfecteerd blijken. En dat geldt evengoed voor ‘seculiere religies’. De waarheidsclaim die in de diverse geweldhaarden op onze planeet in het spel is, dient een aparte behandeling.

‘De cirkel is rond, het boek is af’, schrijft Achterhuis in de slotbeschouwing. Niet dus. ‘Waarheid’ – dat criterium dat sinds de zesde eeuw voor onze tijdrekening met het monotheïsme, samen met de filosofie, onze cultuur is gaan domineren – heeft een intrinsieke band met geweld: ook na Achterhuis’ boek wacht die problematische band zeker nog op reflectie.

Dit wordt vast een moeilijke, hoogst filosofische klus, al was het maar omdat het de meest axiomatische aannames van het westerse denken raakt. Wat als de waarheid reeds op zich een geweld in zich draagt? Wie zich aan dat soort vragen waagt, komt al snel in aporieën terecht waarmee, om slechts enkele namen te noemen, Nietzsche in zijn ‘hamerende’ filosofie of Adorno en Horkheimer in hun Dialectiek van de verlichting (1944) hebben geworsteld. En hij moet ook nog eens bij de Italiaanse filosoof Agamben langs, voor wie het spreken over de waarheid van het leven, over het leven ‘op zich’ – het ‘naakte leven’ zoals hij het noemt – een geweld over dat leven impliceert dat zo oud is als de filosofie zelf, maar zich de laatste tijd manifesteert in de ‘naakte levens’ waarvoor wij op Lesbos of Lampedusa kampen bouwen. Ook daar wordt ‘geloofd in geweld’.

En, voor wie het nog niet doorheeft, die laatste beschouwingen zijn niet als kritiek op Achterhuis’ boek bedoeld maar, wie weet, wel als aankondiging van zijn volgende boek.

 

Lemniscaat, Rotterdam, 2021
ISBN 978 90 477 1340 1
472p.

Geplaatst op 22/06/2021

Tags: Geloof in geweld, Hans Achterhuis, Religie, René Girard

Categorie: Filosofie, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.