‘Ach, zat hij nog maar in de buik’

Ik kom je halen als het zomer is

Hans Münstermann

‘Veel emotie toont Joachim niet, terwijl ikzelf overvallen word door gevoelens en het nog steeds niet kan geloven.’ Ik kom je halen als het zomer is is in deze zin samengebald. De ik-figuur, Andreas Klein, begrijpt zijn oudste broer niet – hij begrijpt hem eigenlijk nooit. Joachim is ‘anders’, zoals het in het boek steeds heet: hij heeft, zo blijkt aan het slot, tijdens zijn geboorte een hersenbeschadiging opgelopen. Overigens wordt die diagnose die in het boek niet zo expliciet gesteld. Om tot een vorm van begrip van Joachim te komen die aan de medische wetenschap ontstijgt, gaat Andreas terug in zijn herinneringen aan Joachim: elk hoofdstuk, gemarkeerd door een jaartal, correspondeert met een specifieke herinnering, die soms de duur van een vakantie heeft en dan weer beperkt blijft tot een middagje familiebezoek. Op driekwart van het boek volgt een reconstructie van het leven van Joachim voor Andreas’ geboorte; een reconstructie aan de hand van de verhalen van hun beider vader, zoals de korte inleiding op de drie laatste hoofdstukken vermeldt.

Slordig

De geciteerde zin is ook representatief voor Münstermanns stijl. Aanvankelijk dacht ik dat het houterige, onprecieze en soms (‘overvallen door gevoelens’) clichématige taalgebruik correspondeerde met het weinig vlotte karakter van Andreas. In de laatste drie hoofdstukken echter laat Münstermann het perspectief van Andreas los, maar wordt dezelfde stijl gebruikt. Men zou daarin nog welwillend de hand van een reconstruerende Andreas kunnen herkennen, maar Münstermann hanteert dat perspectief nergens consequent: in de hoofdstukken voor de reconstructie verruilt hij het subjectieve perspectief van Andreas al steeds meer voor een vertelinstantie die niet aan een personage gebonden is. De inleiding op de laatste drie hoofdstukken wekt de indruk van een noodgreep, ingevoegd nadat ontdekt werd dat Andreas uit het boek verdwenen was.

Münstermann gaat dus niet erg bewust om met vorm en compositie. Nu zijn er apert slordige schrijvers die toch heel mooie dingen hebben gemaakt – denk aan Slauerhoff. Maar Münstermann bewerkstelligt met zijn slordigheid geen sublieme verwarring. Daarvoor maakt hij het de lezer net iets te vaak net iets te gemakkelijk. Zo eindigt het hoofdstuk waarin de vader van de beide broers overlijdt met een scène waarin Andreas zich maar af blijft vragen waarom Joachim dolblij is met de dood van zijn vader. Waarom dat zo is, wordt gaandeweg het hoofdstuk echt wel duidelijk. Toch laat Münstermann Andreas nog een keer concluderen: ‘Waarom zou hij vader missen? De vader die hem zo vaak heeft laten voelen: jij kunt het niet. Hij kan zich nu bewijzen, nu zijn vader er niet meer is.’

Dat het autoritaire karakter van die vader een paar hoofdstukken verder wordt neergezet door hem letterlijk te laten brullen dat híj de baas is, laat ook weinig aan de verbeelding over. En bij de volgende passage, uit het hoofdstuk over Joachims wedervaren op een katholieke kostschool, vroeg ik me af hoe serieus Münstermann zijn lezers neemt: ‘[Joachim] is bang om te slapen en iets te dromen dat de broeder niet bevalt. Bang dat broeder Simon hem wakker zal schudden om hem te straffen, midden in de slaapzaal, met alle jongens er lachend omheen: moet je die zien! Gelukkig is het zijn verbeelding.’ Over de ongetwijfeld grappig bedoelde namen die Münstermann aan een aantal bijfiguren geeft – Etter, Mosterd, Haverkort, Calvé en, jawel, broeder Ignatius – heb ik het maar liever niet.

Publiek

Ik vind het belangrijker me af te vragen waarom Münstermann ondanks de bovengenoemde bezwaren een succesvol auteur is. Zijn naam is, zoals de website van zijn uitgever trots vermeldt, ‘een merk geworden’ – er is een lezerspubliek, een aanzienlijk lezerspubliek zelfs, dat met Münstermann wegloopt. Wat is dat voor een publiek? In ieder geval moet het een publiek zijn dat het bovengenoemde niet als bezwaarlijk opvat en het misschien wel zo prettig vindt dat Münstermann geen al te groot beroep op de verbeelding doet. Het moet een publiek zijn dat het niet knullig vindt dat de autoritaire vader, die ervan droomt zijn zoon in uniform te zien en ‘prehistorisch’ kan brullen, uitgerekend de Duitse nationaliteit heeft. Dat zich niet ergert aan de boutade over de gesubsidieerde kunst die Münstermann Andreas in de mond legt. En het moet een publiek zijn dat achteloos doorleest wanneer Münstermann de vermaningen van een Arabische vrouw aan haar ongehoorzame zoon fonetisch weergeeft als: ‘Kef kef! Kefferdiekef!’

We hebben dus te maken met een publiek dat zich door literatuur niet al te zeer wil laten uitdagen en dat ideologisch weinig sensibel is. Münstermann bedient dit publiek ook in zijn representatie van het verleden. Dat lijkt namelijk vooral omwille van zichzelf te worden gerepresenteerd: Andreas gaat terug in de tijd om zijn broer te kunnen begrijpen, maar wat hij daar aantreft wordt niet als inzicht naar het heden vertaald. In de representatie van het verleden is herkenbaarheid bovendien het belangrijkste doel. Zo rookt Andreas in het hoofdstuk ‘1969’ een joint, woont hij op een boot en praat hij de hele tijd over seks.

Ook de manier waarop de naoorlogse secularisatie in het boek is verwerkt, wekt de indruk dat Münstermann een werkelijkheid wil voorschotelen die zijn lezers vertrouwd is. Zo maakt de Duitse pappa op zijn sterfbed een geloofscrisis door, zonder dat diens geloof voor zijn karaktertekening in de roman een wezenlijke rol speelt. Maar het is herkenbaar, want al veel vaker vertoond. Ook Joachims kostschoolavonturen zijn niet bijster origineel. Als Joachim bovendien aan het slot van de kostschoolepisode te maken krijgt met broeder Ignatius, die wel begrip voor hem opbrengt en hem liefdevol als misdienaar aanstelt, krijg ik de indruk dat Münstermann ook nog zoiets als ‘de goede kant van het katholicisme’ er bij wil slepen, en daarmee een soort heimwee naar een verloren gegane geborgenheid aan wil spreken. Want die heimwee is in trek.

Family matters

Ik wil op dit publiek niet het etiket mainstream plakken, maar ik denk wel dat er in Ik kom je halen als het zomer is bepaalde tendensen bediend worden die in de mainstream actueel zijn: gebrek aan verbeelding, intellectuele gemakzucht, erosie van het politieke bewustzijn, fixatie op het verleden – een verleden dat bovendien tot een al te gemakkelijk consumeerbaar beeld wordt uitgevlakt. Ik vind dat bedenkelijke tendensen. En er komt nog een zeer bedenkelijke maatschappelijke tendens bij, namelijk de reductie van de sociale omgeving tot de familie. Münstermann laat het thema familie zijn boek domineren: er wordt hier niet gewerkt, er wordt niet over voetbal gepraat, er wordt niet over politiek nagedacht. Zijn personages zijn alleen maar bezig met hun verhouding tot de andere familieleden, waarbij die familie beperkt blijft tot het kerngezin.

Andere sociale interactie en de manier waarop de mens zich tot de maatschappij verhoudt, raken door de dominantie van dit thema uit zicht. Het bedenkelijke zit evenwel niet alleen in die dominantie, maar ook in datgene wat de familieverhoudingen symboliseert. Zoals gezegd, wordt het conflict tussen Joachim en diens autoritaire vader nogal expliciet uitgelegd. Ook is overduidelijk dat die vader de maatschappij representeert: hij haalt in de loop van de roman alles overhoop om Joachim tot een ‘normaal’ mens te maken en reageert steeds weer met agressie als Joachim niet aan die normaliteit wil of kan voldoen.

Tegenover de figuur van de vader staat de moeder, die wel bereid is om Joachim te nemen voor wat hij is. Anders dan bij de vader wordt haar een emotionele integriteit aangemeten: niet in staat om met de pasgeboren Joachim om te gaan, brengt ze hem naar de kostschool, maar er wordt wel uitgebreid beschreven hoezeer dit haar aan het hart gaat. Dat mamma zacht en warm en menselijk is, wordt er steeds weer dik opgelegd. Hoe geforceerd die karaktertekening is, blijkt uit de passage waarin Andreas zijn moeder op een verjaardagsfeest observeert: ‘Zij krijgt iets griezeligs met die dot grijs haar, streng gekapt, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is volledig aanwezig en aandachtig, of dat lijkt zo. Ik zie nu hoe zacht ze is, en lieflijk, zo innig tevreden, dicht bij haar kinderen.’ Even lijkt het alsof Andreas zijn moeders nabijheid ervaart als gevaar: ze is griezelig, ze is steng en ze is dominant. Maar deze waarneming wordt direct gecorrigeerd door weer een verzekering van haar innige goedheid.

Het zo ontwikkelde schema is in de roman absoluut: aan de ene kant de wereld van de vader, van de boze maatschappij die aanpassing eist, aan de andere kant de veilige wereld van de moeder, wier onzelfzuchtige liefde dwangmatig wordt benadrukt. Alle figuren buiten de familie worden volgens dit schema opgedeeld: alle vrouwen zijn empathisch, lief en vol begrip, alle mannen zijn tough – behalve broeder Ignatius, maar die is er dan ook om de goede kant van de moederkerk te representeren.

Mogelijk verklaart het absolute karakter van dit schema het compositorische probleem dat ik eerder aanduidde, namelijk dat gaandeweg de roman het subjectieve perspectief van Andreas wordt losgelaten, ten faveure van een vertelinstantie die niet aan een personage gebonden is en die zich vooral op Joachim concentreert. Andreas wordt namelijk onder dit schema verpletterd: hij durft het conflict met zijn vader niet aan en durft ook niet toe te geven aan zijn verlangen om voor de grote, boze wereld troost te zoeken in mamma’s schoot. Het is geen toeval dat hij de vrouwen in zijn leven – stuk voor stuk klonen van zijn moeder – op grote afstand houdt, ook als hij getrouwd is.

Joachim daarentegen is de rebel: hij heeft lak aan de eisen van zijn vader en de conventies van de maatschappij. Zonder enige aarzeling geeft hij zich over aan zijn verlangen naar een moeder die altijd van hem houdt, hem altijd begrijpt en hem altijd beschermt. Daarin ligt Joachims aantrekkingskracht voor Andreas, een aantrekkingskracht die Münstermann ook op zijn lezers over wil brengen. Joachims rebellie wordt evenwel heel duidelijk als een heilloze zaak gepresenteerd. Al in het tweede hoofdstuk wordt hij verliefd op een Mariabeeld, waarmee de onmogelijkheid van zijn verlangen duidelijk wordt. De rest van het boek is één grote illustratie van Joachims buitensluiting, uit het gezin en uit de maatschappij. Uiteindelijk concluderen zowel Andreas als zijn moeder dat het maar beter was geweest als Joachim nooit de baarmoeder had verlaten.

Resignatie

Dat maakt Ik kom je halen als het zomer is tot een resignatief boek: het stelt de aanpassing aan de maatschappelijke werkelijkheid voor als onvermijdelijk en het verlangen als onbevredigbaar. Het is een angstige gedachte, maar ik vrees dat juist daarin de verklaring van Münstermanns succes te vinden is. Zoals gezegd bevestigt de werkelijkheid die hij oproept alle bedenkelijke neigingen die in de huidige culturele mainstream actueel zijn: gemakzucht, oppervlakkigheid, ideologisch simplisme en de ‘Rückzug ins Private’. Maar bovenal voedt Münstermann de idee dat de wereld nou eenmaal geen krentenbol is en dat daar helemaal niets aan te doen valt.

Mijn kritiek op Ik kom je halen als het zomer is is niet dat die tendensen gereproduceerd worden. Het probleem is dat Münstermann ze onbewust reproduceert, waardoor het onmogelijk wordt tot een verhouding ten opzichte van de genoemde tendensen te komen en de impasse zodoende alleen maar wordt versterkt. Die impasse is niet alleen een intellectueel maar ook een emotioneel probleem. We staan er niet best voor als we op het kwaad in de wereld reageren door terug de baarmoeder in te willen vluchten. De onmogelijkheid van dat verlangen zal de impasse alleen maar vergroten. Het is daarom hoog tijd voor helden wier verzet niet als ontroerende, heilloze curiositeit wordt neergezet. Maar het is vooral tijd voor verlangens die meer omvatten dan veilig en warm en lief.

Links

Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2010
ISBN 9789046807842
240p.

Geplaatst op 22/09/2010

Deel:

Reacties

  1. Rovers

    Net als bij de recensie van Heleen van Royens laatste boek een scherp morele, zelfs bewust moralistische recensie. Ik vind dat van moed getuigen; een oordeel dat ook de ideologie van de auteur bij het oordeel betrekt, en zo het effect dat hij met zijn tekst heeft willen teweegbrengen / teweegbrengt op waarde schat. Dat lef, het lef ook van de criticus om de eigen overtuigingen (ethiek, politiek) bij een oordeel te betrekken, zien we (ik dus) te weinig in de vaak tot smaakoordelen gereduceerde literaire kritiek in de bijlages. Moeite echter heb ik met het feit dat de kritiek hier met name in de afsluitende alinea’s erg algemeen blijft (‘oppervlakkigheid’ bijvoorbeeld, zo’n breed verwijt dat je het naast je neer kunt leggen) en uitmondt in een advies (‘we hebben behoefte aan helden’) waarvan ik me alleen maar een uitwerking in een kitscherige variant kan voorstellen. Ik weet niet of literatuur voortkomt uit iets waar we ‘behoefte’ aan hebben, dat levert wellicht eerder een product op, of wellicht zelfs een politieke beweging. Literatuur kan daarom misschien alleen maar anti-helden opleveren, wat niet wil zeggen personages van wie al hun pogingen en plannen mislukken, zoals in naturalistische romans en de boeken van Thomas Rosenboom, maar anti-helden in de zin dat die zogenaamde helden altijd ingebed zijn in een familie, een gemeenschap, een klasse, een land, een taal, een wereld. De onze.

    Beantwoorden

  2. Gijsbert Pols

    Mijn bezwaar tegen Münstermann is dat in de werkelijkheid zoals hij die oproept de weigering tot aanpassing alleen maar heilloos, meelijwekkend en pathologisch is. Dat impliceert dat betekenisvol verzet voor hem niet bestaat. Wat Münstermanns werkelijkheid voor mij nog bedenkelijker maakt, is dat de droom van de onaangepaste in de baarmoeder gesitueerd is. Daarmee is het verlangen naar een andere wereld gedevalueerd tot een soort pre-oedipaal affect.

    Dit alles zou overkomelijk geweest zijn, het had zelfs intrigerend kunnen zijn, als Münstermann er op de één of andere manier blijk van zou hebben gegeven zich van datgene wat hij oproept bewust te zijn. Maar dat is hij zich niet. Wat ik hier expliciteer behoort tot het domein van de ‘unknown knowns’ (Žižek), de geloochende mogelijkheden en vooronderstellingen die zijn werkelijkheid onbewust als een soort natuurwetten vormgeven.

    Wat ik met mijn opmerking over helden beoogde was zeker niet een door mij waargenomen, in maatschappelijke zin breed gedragen behoefte. Ik probeerde slechts een tegenbeeld op te roepen van een andere fictieve werkelijkheid. Dat hier de uitwerking daarvan in een roman alleen als kitsch kan worden voorgesteld, lijkt mij er evenwel op te duiden dat de ‘unknown knowns’ van Münstermann in onze wereld, in onze taal, in ons land, in onze klasse, in onze gemeenschap en vermoedelijk ook in onze families dominant zijn. Dat maakt explicitering en kritische reflectie des te noodzakelijker, vind ik.

    Het zou zeker waar kunnen zijn dat literatuur alleen maar anti-helden kan opleveren. Maar er zijn legio anti-helden in de literatuur die wel reflectie afdwingen. Dergelijke reflectie mondt niet noodzakelijk in één politieke beweging. Maar bijvoorbeeld de figuur van Frits van Egters is wel de bron geweest van tal van politieke én emotionele mouvements die uiteindelijk ook tot maatschappelijke realiteiten konden worden. Müstermanns hoofdfiguur daarentegen is opium van het leesvolk.

    Žižeks betoog over de ‘unknown knowns’ is overigens te vinden onder de volgende link: http://www.lacan.com/zizekempty.htm

    Beantwoorden

  3. nico van der sijde

    Alle complimenten en grote waardering voor de goed geschreven en goed doordachte recensies van Gijsbert Pols, ook nu weer op Munsterman. Mooi stuk, dat veel te denken geeft. En toch zijn een paar van zijn stellingnames in mijn beleving discutabel.

    Ten eerste: hoe kan hij nou vaststellen dat Munsterman zich niet bewust is van wat hij oproept? Hoe WEET Pols dat nou zo zeker?

    Ten tweede: hoe weet hij nou zo zeker dat betekenisvol verzet voor deze auteur niet bestaat? Misschien heeft Munsterman een personage in het leven geroepen die niet tot productief verzet valt te bewegen, maar dat is nog iets anders dat de GENERIEKE stellingname dat productief verzet niet bestaat.

    Ten derde: wat brengt Pols op het idee dat productief verzet WEL bestaat, en welke mooie literaire voorbeelden ziet hij in deze?

    Ten vierde: is het niet een leuk idee om precies DAT soort literaire voorbeelden in recencies uit te diepen? In plaats van recensies waarin Munsterman en Van Royen worden ‘ontmaskerd’? Zou Pols ons dus niet kunnen opzwepen met allerlei prachtstukken waarin dat betekenisvol verzet in positieve zin centraal staat, aan de hand van romans enzovoort die dit verzet tonen, demonstreren, vorm geven!?

    Beantwoorden

  4. Gijsbert Pols

    Allereerst hartelijk dank voor de mooie complimenten. Op de discussiepunten van Van der Sijde ga ik puntsgewijs in.

    Ad 1: Natuurlijk kan ik niet in het brein van Münstermann kijken om vast te stellen waar hij zich al dan niet bewust van is. Maar alleen al de slordigheid in de vormgeving van zijn roman wijst er voor mij op dat Münstermann niet beschikt over een sterk ontwikkeld bewustzijn van de keuzes die de werkelijkheid bepalen zoals hij die in de besproken roman oproept. In de context van Münstermanns succes, dat mede te verklaren moet zijn doordat er een breed lezerspubliek in die door hem opgeroepen werkelijkheid mee kan, heb ik er (bewust) voor gekozen mijn explicitering van die keuzes met een zekere stelligheid te formuleren. Soms zullen formuleringen door die stelligheid, zeker in mijn reactie hierboven, enigszins onprecies uitvallen.

    Ad 2: Dit lijkt me enigszins het eerste punt te overlappen: nogmaals, het gaat me in de eerste plaats om de in het boek opgeroepen werkelijkheid en daarin zijn geluk en succes onverenigbaar met de weigering tot maatschappelijke aanpassing. Uit te sluiten dat er voor Münstermann zoiets als productief verzet kan bestaan is vermoedelijk inderdaad te stellig. Aan de andere kant: ik denk dat het niet heel gewaagd is te stellen dat onze maatschappelijke manier van leven regelmatig op een soort wedstrijd in kritiekloze aanpassingkunst lijkt en in dat verband lijkt me mijn stelligheid vergeeflijk.

    Ad 3: Het positieve voorbeeld: hierboven noemde ik al het niet erg originele voorbeeld van ‘De avonden’. Ik kan het op deze plek niet afdoende onderbouwen, maar ik zou wel willen zeggen dat ‘De avonden’ door de manier waarop de roman is vormgegeven mogelijke inzichten biedt in het waarom van Frits’ onvermogen zich met zijn omgeving te verzoenen. Welke inzichten dat precies zijn, hoe die precies kunnen worden gegenereerd, welke implicaties die met zich meebrengen enz. daarover kan van mening worden verschild. Maar de receptie van ‘De avonden’ laat voor mij wel zien dat dit boek ertoe aanzette tot een bewustzijn te komen van de problematiek die het opriep, wat bij Münstermann naar mijn idee niet het geval is. En Frits’ ervaring van een andere wereld (in de dromen, aan het slot) is, hoe extatisch ook, inspirerender dan de vlucht terug de baarmoeder in die bij Münstermann wordt ondernomen.

    Ad 4: Dat is inderdaad een leuk idee en ik zal, zodra ik de mogelijkheid heb, mijn uiterste best gaan doen om een dergelijk stuk te schrijven. Dat neemt niet weg dat ik het van belang vind om, juist bij auteurs die opereren in de literaire mainstream, te proberen ‘unknown knowns’ expliciet te maken.

    Beantwoorden

  5. nico van der sijde

    Okee, beste Gijsbert Pols, bedankt voor de antwoorden op mijn vier vragen. En antwoord drie (de extra uitleg over het betekenisvolle verzet in De Avonden) vond ik erg intrigerend. Dus hoewel ik alle waardering heb voor het streven om ‘unknown knowns’ zichtbaar te maken, hoop ik toch dat er inderdaad nog stukken komen over schrijvers die het betekenisvolle verzet wel expliciteren! Maar ook alle andere stukken zal ik met belangstelling lezen.

    Beantwoorden

  6. Rovers

    Žižeks ‘unknown knowns’ is natuurlijk een wat hippere omschrijving van wat ideologie wordt genoemd, kritiek daarop heet dan ideologiekritiek. En zoals gezegd: ik waardeer het dat Gijsbert Pols de boeken van zowel Münstermann als Van Royen peilt op de ‘unknown knowns’, wat in het geval van de laatste een scherper resultaat oplevert, ook omdat de laatste auteur toch door een zeker rebels, non-conformistisch imago heeft. Daartegenover stelt de recensent zijn ideologie, die uiteindelijk op een zekere moraal berust. (Die kritiek op HvR sluit trouwens, bedacht ik me, aan bij Jos Joostens scherpe ideologiekritische lectuur van Kluun in zijn essaybundel ‘Misbaar’.) Maar goed: ideologie is in Nederland een vies en verdacht woord geworden sinds Wim Kok de ‘ideologische veren’ uit het PVDA-hoofdkussen verving door synthetisch nepdons. (Zozeer zelfs dat Pinokkio er in is geslaagd opinisten onlangs wekenlang te laten discussiëren over de vraag of de islam nu wel of niet een ideologie kan worden genoemd. (Antwoord: nee, het is een religie en ja: natuurlijk, elke religie heeft een ideologische component, in sommige landen zelfs een politieke partij, denk aan het CDA of de SGP)) Ideologie is dus, om een variant op Žižeks lege kruiwagen te bedenken, de kaalgeplukte kip waarop de voormalig sociaal-democraten de race om de kiezer dachten te kunnen winnen.
    Maar om terug te komen op de discussie, waarin Nico van der Sijde oproept vooral die romans te bespreken waarin verzet centraal staat: ik blijf mijn twijfels houden of daar de roman zo’n goed vehikel voor is, en natuurlijk is dat een ideologisch bepaald standpunt. Geen standpunt zonder ideologie, zou ik zeggen. En ik sta er voorlopig voor, dat standpunt, namelijk dat ik, zoals gezegd, me voorlopig hooguit kan voorstellen dat in een roman het ‘verzet’ getoond wordt in zijn futiliteit of zelfs contraproductiviteit. Daarom dus de anti-helden, bijvoorbeeld in ‘De avonden’, of ‘Madame Bovary’, of ‘Infinite Jest’ of ‘Austerlitz’. Moeilijker me voor te stellen dat een schrijver een roman schrijft waarin ‘positief verzet in betekenisvolle zin’ centraal staat. Dat bedoel ik niet cynisch, in de zin dat dergelijk verzet niet mogelijk zou zijn, maar wel dat die in een roman, waar altijd een zekere ironie in vervat zit omdat er afstand bestaat tussen auteur, verteller en personages, op een overtuigende, boeiende, inspirerende manier getoond kan worden. Zinniger lijkt me voor dat doel het essay of de reportage of een combinatie van die twee, denk aan Orwell die in het interbellum de mijnen in Wigan bezoekt, of, recent gelezen, Arundhati Roy die de binnenlanden van India bezoekt en kijkt wat er achter de term ‘maoïstisch verzet’ schuilt. zie daarvoor: http://www.outlookindia.com/article.aspx?264738-0

    Beantwoorden

  7. nico van der sijde

    Rovers oppert dat in een roman het ‘verzet’ getoond wordt in zijn futiliteit of zelfs contraproductiviteit (dus via anti-helden, en hij vraagt zich af of romans wel het goede genre zijn voor ‘positief verzet in betekenisvolle zin’ . Tja, ik denk van wel dus, maar dan niet op de directe manier van de rapportage, maar via de gelaagdheid, ironie en complexiteit die eigen is aan romans. Ik herken dat (terecht of ten onrechte) in ‘Die Blechtrommel’, ‘Gravity’s Rainbow’ , ‘Ulysses’: boeken die door hun zo onconventionele stijl een soort glimp bieden, hoe onaf en onvoltooid ook, op een andere realiteit. Of liever: boeken die uitnodigen om datgene wat we voor de realiteit houden anders te beschouwen. En die ‘andere beschouwing’ zou dan, wellicht, gezien kunnen worden als betekenisvol verzet tegen het wereldbeeld dat ideologieen ons voorschotelen. Dat zou ook kunnen gelden voor b.v. Dostojevski: volgens Bachtin toont Dostojevski ons een oneindig open en dialogische wereld, een polyfonie die zich tegen elke verstarde ideologie verzet. En Rushdie toont ons in ‘De Duivelsverzen’ een wereld die gelaagder, polyfoner en veranderlijker is dan de wereld van de dogmatische islamiet of de dogmatische christen. Dat is wezenlijk anders dan een verzetsdaad die echt tot concrete vernieuwing leidt, en ook wezenlijk anders dan een heldenverhaal over een succesvolle revolutionair: in die zin begrijp ik Rovers’ uistpraak ook wel dat in de roman meestal anti-helden centraal staan. Maar het is ook wezenlijk anders dan alleen maar het tonen van futiliteit en contraproductiviteit van verzet. Rovers oppert (overigens prijzenswaardig voorzichtig) dat in een roman ‘het verzet’ hooguit in zijn futitiliteit of zelfs contraproductiviteit wordt getoond. Ik geloof dat maar ten dele (al zijn er natuurlijk legio voorbeelden waarin dit inderdaad gebeurt): juist de stijl van diverse romans zou ik willen zien als een vorm van betekenisvol verzet tegen allerlei knellende conventie en ideologie. En door die stijl (eerder dan door de onderwerpkeuze) stellen dergelijke romans het ‘betekenisvolle verzet’ naar mijn idee toch centraal. Of praat ik nu langs Rovers heen?

    Beantwoorden

  8. Rovers

    Het is natuurlijk maar hoe je ‘verzet’ definieert, en ik kan Nico van der Sijde, dankzij zijn uitleg, best volgen als hij stelt dat een complexe, polyfone, stilistisch verfijnde roman – hij noemt een paar puike voorbeelden – als een vorm van verzet kan worden beschouwd. Ik wilde in mijn commentaar echter de mogelijkheid openlaten om dat verzet ook letterlijker op te vatten, dat wil zeggen eenduidig verzet op te tekenen, in literaire genres anders dan de roman. Maar ook daar zal, voeg ik dan nog toe, de stijl en de compositie van de tekst doorslaggevend blijken voor de uiteindelijke literaire waarde – de politieke waarde, in de zin van effectiviteit, ligt wellicht in het verlengde daarvan. Nog een nuancering, wat dit betreft: ik zou een romanschrijver wantrouwen die zelf de intentie te kennen geven zich tegen ideologieën as such te verzetten, zeker als dat suggereert dat de auteur daar zelf vrij van is. Interessanter, of misschien: realistischer, de auteur die beseft dat hij niet zonder die in hem huishoudende wereldbeschouwingen kan denken en schrijven – in de hoop, hooguit, dat in de overdracht aan de lezer toch een mogelijkheid op inzicht en verandering (verzet?) duidelijk wordt. Aan de criticus dit te expliciteren.
    Of praat ik nu zelfs lang mezelf heen?

    Beantwoorden

  9. nico van der sijde

    Of Rovers nou langs zichzelf heen praat of niet, ik kan hem prima volgen. Ook verzet in letterlijke zin is binnen romans mogelijk, maar ook dan is het effect zwaar verbonden met stijl en compositie van de tekst. En zijn laatste nuancering kan ik alleen maar beamen: ook verzet tegen de ideologie blijft gebonden aan diezelfde ideologie en wereldbeschouwing, en biedt (als het gaat om verandering en mogelijke perspectieven ‘aan gene zijde’ van die wereldbeschouwing) alleen maar vermoedens, die de criticus (overigens ook alleen in de vorm van hypothesen) kan expliciteren. Verdorie, Rovers en ik lijken het wel eens!

    Beantwoorden

  10. Gijsbert Pols

    Tsja, het blijft altijd wennen als mensen in een internetomgeving op een fatsoenlijke manier met elkaar in discussie gaan en tot een consensus komen – maar het kan, dus. Een opmerking nog bij de veronderstelling van Rovers, namelijk dat het bij de ‚unknown knowns‘ om een hippe omschrijving van ideologie zou gaan. Ik denk dat dat niet helemaal klopt. Žižek omschrijft ze zelf als ‘the disavowed beliefs, suppositions and obscene practices we pretend not to know about, even though they form the background of our public values’. Zogezien liggen de ‘unknown knows’ een niveau onder de ideologie, denk ik.
    Žižek zet zijn voorstelling van ‘unknown knowns’ af tegen de ‘unkown unknowns’, de term waarmee Donald Rumsfeld ooit de gevaren probeerde te omschrijven die van het regime van Saddam Hussein uit zouden (hebben kunnen) gaan. Dat dit hypothetische gevaar voor Rumsfeld c.s. aanleiding was om ten oorlog te trekken, wortelde in hun ideologische discours over veiligheid. Welke ‘disavowed beliefs, suppositions and obscene practices’ die ideologie verhulde, is inmiddels overbekend.
    Terug naar de literatuur. Rovers geeft zelf al aan dat mijn stuk over Van Royen scherper uitviel omdat ik daar kon wijzen op een discrepantie, namelijk die tussen Van Royens steeds weer geënsceneerde ik-doe-lekker-waar-ik-zin-heb-levenshouding en de gapende leegtes van haar bestaan. Die discrepantie is ook te zien als een discrepantie tussen ideologie en ‘unknown knowns’. Een dergelijke discrepantie ontbreekt bij Münstermann, alleen al omdat hij niet zo nadrukkelijk een levenshouding etaleert – wat behalve met een verschil in karakter tussen Münstermann en Van Royen te maken heeft met het feit dat de eerste een roman schrijft en de tweede columns bundelt.
    Het probleem van Münstermann, althans, datgene wat ik problematisch aan Münstermann vind, zit elders. Hij is, in zekere zin, niet ideologisch genoeg. Daarom blijven in zijn roman bepaalde, maatschappelijk naar mijn idee breed gedragen ‘unknown knowns’ onzichtbaar onder de oppervlakte en kunnen zo ongehinderd voortwoekeren. Ik kan me dan ook prima vinden in Rovers wantrouwen jegens de romanschrijver die ideologieloosheid voorwendt. Münstermann lijkt me bij uitstek (mijn vooronderstelling!!!) het type schrijver dat zegt zich verre van de politiek te willen houden en met zijn werk niet één levensopvatting te willen uitdragen. Die houding vraagt om een zelfbewuste ideologische kritiek.
    Ik kan me in het verlengde daarvan ook goed vinden in Rovers pleit voor de auteur die zich van de onontkoombaarheid van de in hem huishoudende wereldbeschouwing bewust is. Het inzicht en de mogelijke verandering die een roman kan bieden – het ‘verzet’ –, resulteert vermoedelijk uit het opdiepen van het ongeweten weten onder de ideologie. Thomas Mann was een burgerlijke schrijver, uit overtuiging. Maar vanuit het bewustzijn van die overtuiging heeft hij wel romans geschreven waarin alle vooronderstellingen, verdrongen realiteiten en obscene praktijken uit het onderbewuste van de burgerlijke orde naar de oppervlakte konden komen – niet in vorm van ideologische kritiek, maar in een veel onverkwikkelijker, confronterender vorm, wat uiteraard alles met de stijl en compositie van zijn romans te maken heeft. Misschien dat daarom zich ook in zijn werk datgene kan manifesteren wat Nico van der Sijde hierboven beschreef als de glimp van een andere realiteit.

    Beantwoorden

  11. Rovers

    wtf: word ik in de categorie consensuszoekers ingedeeld? op consensus zit toch niemand te wachten? of, bedenk ik me tegelijkertijd, is dat verlangen naar polarisatie en profilering dan weer een van de ‘unknown knowns’ van de commentaarcultuur? hoe dan ook, de nuance die gijsbert pols aanbrengt tussen ‘ideologie’ en de ‘unknown knowns’ kan ik volgen, als ideologie een uitgesproken en bewuste wereldbeschouwing is en de ‘known unknowns’ dat wat daaraan impliciet blijft. daarop gaat dan weer de ideologiekritiek in, naar mijn weten, vandaar dat ze, die ‘k.u.’s’en ideologie, in mijn commentaar opgevat als ook dat wat onbewust blijft aan een levensbeschouwing, dicht bij elkaar liggen. of zie ik het toch te simpel? en hoe, vroeg ik me bij het lezen van Gijsbert Pols antwoord af, zou het barthesiaanse begrip van ‘doxa’ en het gramciaanse begrip ‘hegemonie’ zich verhouden tot respectievelijk ‘k.u.’s.’ en ideologie?

    Beantwoorden

  12. Gijsbert Pols

    Ik wilde hierboven slechts aangeven hoe ongebruikelijk het is als een discussie op het internet niet in een domme scheldpartij ontaardt, maar het lijkt me niet onzinnig de tsunami van intimidaties, scheldpartijen en verdachtmakingen die dagelijks via de commentaaroptie het internet binnen stort te analyseren als de obscene praktijk die achter het ideologische vertoog over de vrijheid van meningsuiting schuilgaat. Juist daarom is het de moeite waard om bij ideologiekritiek een onderscheid te maken tussen een bewust en een onderbewust ideologisch niveau, ook al zijn die twee onlosmakelijk verbonden. Wat Gramsci en Barthes van dit alles gemaakt zouden hebben, durf ik zo niet te zeggen.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.