Filosofie, Recensies

Als mannen filosoferen over de vriendschap…

Doodgewone vrienden

Nadenken over vriendschap

Paul van Tongeren

De Nederlandse emeritus hoogleraar wijsgerige ethiek en Denker des Vaderlands Paul van Tongeren wijdt een boek aan de filosofie van de vriendschap. Het werk is historisch opgebouwd, maar het is geen standaardgeschiedenis waarin de opeenvolgende theorieën en standpunten worden samengevat en achter elkaar worden geplaatst. In plaats daarvan wordt er gefilosofeerd over vriendschap aan de hand van een aantal klassieke auteurs, van Plato tot Nietzsche. Al lezend maak je niet alleen kennis met basisteksten van grote filosofen, maar ben je samen met Van Tongeren aan het filosoferen (of leer je het) en word je ingewijd in een manier van lezen: traag en bedachtzaam, zonder direct in het offensief te gaan tegen ongewone uitspraken en met de bedoeling het eigen inzicht te vergroten. Een respectvolle, maar daarom niet onkritische manier van omgang met de filosofische traditie. De blik is niet gericht op het verleden, maar op het nu: wat leren we vandaag voor ons eigen leven wanneer we nadenken over wat ons is voorgedacht?

De behandelde teksten (van Plato, Aristoteles, Cicero, Augustinus, Montaigne, Kant en Nietzsche) vormen een representatieve beknopte selectie van het filosoferen over vriendschap, maar zijn toch vooral gekozen om er een rode draad in aan te tonen, een bepaalde lijn in de geschiedenis die volgens de auteur problematisch is. Het uitgangspunt daarbij is Nietzsche, over wiens nihilisme Van Tongeren eerder al een boek publiceerde, en op de achtergrond speelt Derrida mee als inspiratiebron. Maar anders dan bij Nietzsche, die vaak van leer trekt en apodictische uitspraken doet, is de schrijf- en denkstijl van Paul van Tongeren voorzichtig, aftastend, overwegend en afwegend, wat onder meer blijkt uit het gebruik van woorden als ‘misschien’, ‘eerder’, ‘waarschijnlijk’ en ‘wellicht’.

Het problematische in de geschiedenis van het denken over vriendschap is volgens Van Tongeren de idealisering ervan, waarvan het befaamde essay van Montaigne een hoogtepunt is. Die beschrijft vriendschap als een perfecte relatie die voorbij is, en zonder perspectief op herhaling, iets eenmaligs. Zei Cicero al dat vrienden perfect overeenstemmen, dan maakt Montaigne daarvan: één ziel in twee lichamen. Nietzsche rekent af met dit soort denken, met een knipoog naar een uitspraak van Blaise Pascal: ‘als alle mensen van elkaar zouden weten wat ze over elkaar zeggen, zouden er geen vier vrienden op de wereld zijn’ (Pensées nr. 101). Twee mensen vallen in hun gedachten nooit helemaal samen en niemand is volmaakt, dus komt het erop aan het met elkaar uit te houden en sommige zaken niet te zeggen. Zelfs wat waar is, kan kwetsen en de vriendschap schaden of vernielen.

Daar komt bij dat mensen zichzelf nooit helemaal doorgronden en dat hun zelfbeeld niet samenvalt met wat ze zijn. Ook de relatie met jezelf bevat tegenstrijdigheden, verdringingen en spanningen en ze evolueert. Eén ziel in twee lichamen bestaat niet, maar bovendien bestaat zelfs één ziel in één lichaam niet. Tegenover de idealisering van de vriendschap en van de innerlijke eenheid van de persoon, staat de alledaagse opdracht om voor ogen te houden dat de mensen niet volmaakt zijn, en om de ‘doodgewone vriendschappen zo goed mogelijk te cultiveren en onderhouden’. Vandaar ook de titel van het boek: Doodgewone vrienden. Wat, zo merk je na de lectuur, een ironische toespeling is op de buitengewone, maar dode vrienden die verheerlijkt worden in de filosofische traditie.

 

Mag ik nog een boek bestellen?

Paul van Tongeren schreef een uitstekend boek, doordacht en wijs, met een gedegen concept en een sterke bewijsvoering. Ik wilde echter toch meteen een tweede boek bestellen, al weet ik niet of ik dat bij hem kan doen. Wat mij namelijk verbaast is dat het denken over vriendschap bij hem zozeer losgekoppeld is van sociologie en antropologie, dus van de sociale realiteit en diversiteit. Dat valt meteen op bij de genderkwestie: de zeven besproken auteurs zijn allemaal mannen en de vriendschap lijkt haast uitsluitend iets wat zich tussen mannen afspeelt. Bij de bespreking van Montaigne gaat Van Tongeren daar even op in, omdat die expliciet zijn ideale vriendschap afzet tegen relaties van mannen met vrouwen, van het huwelijk en van de Griekse pederastie, de erotische relaties tussen mannen en jongens. Montaigne acht – in zijn essay over de vriendschap – vrouwen niet in staat tot de vriendschap zoals hij die beschrijft en dat lijkt volgens Van Tongeren ‘een symptoom te zijn van een volstrekt tijdgebonden en voor ons onaanvaardbaar geworden opvatting over vrouwen’. Juist, ja, maar Van Tongeren onderneemt niets om deze kwestie uit te diepen. Is het niet zo dat vele echtgenoten of samenlevende paren prominente voorbeelden zijn van ‘doodgewone vrienden’: mensen die om elkaar geven, graag bij elkaar zijn, elkaar ondersteunen en adviseren en waar nodig ook tegenspreken?

In zijn voorwoord schrijft Van Tongeren: ‘Hoewel sommige auteurs uit het verleden vrouwen ongeschikt achtten tot vriendschap, moge het duidelijk zijn dat steeds waar ik van “vrienden” spreek of de hij-vorm gebruik, dat nooit bedoeld is om vrouwen en vriendinnen uit te sluiten.’ Dat laatste wil ik graag geloven, maar ik blijf zitten met de vraag of wat mannelijke filosofen over mannelijke relaties gezegd hebben universele geldigheid heeft en dus zonder meer kan worden overgedragen op vrouwen. En waarom niet de vrouwen zelf lezen en aan het woord laten? Waarom bijvoorbeeld niet ook eens een blik werpen op het essay De l’amitié (1736) van Madame de Lambert, die ingaat tegen de Montaigne van de Essays (1580): ‘De vraag rijst of de vriendschap kan bestaan tussen personen van verschillend geslacht? Dat is zeldzaam en moeilijk; maar het is de vriendschap die de meeste charmes heeft.’

 

De late Montaigne

En waarom bij Montaigne niet ook iets zeggen over de vriendschap van zijn laatste jaren met Marie De Gournay, uitgeefster van zijn essays en zijn ‘fille d’alliance’, zijn geadopteerde dochter? In de Essays (vertaling door Frank de Graaff) kan je daarover lezen – en dat geeft een heel ander beeld dan wat Van Tongeren brengt – hoe hij op zijn oude dag denkt over zijn relatie met die veel jongere vrouw:

Ik heb het genoegen gehad op verschillende plaatsen te verkondigen hoe hoog mijn verwachtingen zijn ten aanzien van mijn aangenomen dochter Marie de Gournay le Jars, die ik waarlijk met een veel meer dan vaderlijke liefde bemin en in de eenzaamheid van mijn teruggetrokken bestaan koester als een van de beste delen van mijn eigen wezen. Alleen voor haar heb ik nog aandacht in deze wereld. Als de jeugd enige voorspelling toelaat, denk ik dat deze geest eens tot grootse dingen in staat zal zijn, waaronder deze zeer volmaakte, heilige vriendschap, waartoe haar sekse, afgaande op wat we zoal lezen, zich nog niet heeft weten te verheffen.

Uit deze passage (slot van Essays II, 17) spreekt een heel andere visie op de vriendschap tussen mannen en vrouwen dan het misogyne discours dat Van Tongeren aanhaalt, en blijkt dat Montaigne in zijn laatste levensjaren zeer wel in staat was tot vriendschap met een vrouw, en probeert zich los te maken van het gangbare denken over de vrouw als ongeschikt voor de vriendschap.

Overigens schreef Marie de Gournay – een protofeministe en auteur van onder meer het essay De gelijkheid van mannen en vrouwen (Egalité des hommes et des femmes, 1622) – ook enkele essays over de vriendschap. Haar Apologie voor de schrijfster (Apologie pour celle qui escrit, 1626) kan gelezen worden als een aanvulling en correctie op Montaignes idealiserende essay over de vriendschap en Cicero’s even idealiserende dialoog Laelius (44 v.Chr.) daarover. In haar boeiende artikel The economics of friendship: Gournay’s Apologie pour celle qui escrit (1997) merkt Patricia Francis Cholakian op – ik vertaal even:

Cicero en Montaigne dichten de kloof tussen spreker en lezer vaak door de eerste persoon meervoud ‘we’ te gebruiken op zo’n manier dat zowel de personen over wie zij spreken als de personen tot wie zij spreken daarin vervat zijn. Hun teksten circuleerden in een gemeenschap van gedeelde privileges, een gemeenschap die afgesloten was voor de meerderheid van de mensen die leefden in de tijd van de auteurs. Als vrouw kon Gournay geen deel uitmaken van de wereld van juristen en magistraten waarin Cicero en Montaigne vrienden konden vinden die qua vorming en achtergrond meteen bij hen pasten. Alles wat zij wist had zij zichzelf geleerd, in weerwil van een moeder die vond dat de kennis van vrouwen niet verder hoorde te gaan dan het huishouden. ‘Celle qui escrit’ spreekt als een geïsoleerde outsider, afgesneden van de connecties en netwerken die haar voorgangers verbonden met hun vrienden en lezers.

Terwijl Cicero’s en Montaignes vriendschap gesitueerd is binnen de gegoede klasse, die het zich kan permitteren alle materiële beslommeringen uit te sluiten uit de ware vriendschap (en te zwijgen over het sociale kapitaal dat die met zich meebrengt) ontvouwt de armlastige Gournay, die als alleenstaande van haar pen probeert te leven, een heel andere visie. Zij heeft relaties nodig aan het hof om aan financiële steun te geraken, maar daarvoor moet ze die relaties te dineren vragen, met stijl en standing. Zolang zij dat doet, prijzen ze haar. Als haar middelen het haar niet meer mogelijk maken te inviteren, interesseren haar vrienden zich niet meer voor haar, en verspreiden zelfs laster over haar. Die maakt het krijgen van financiële steun aan het hof dan weer uitzichtloos. Een realistisch verhaal dat Cicero’s en Montaignes geïdealiseerde vriendschap volkomen onderuithaalt. Het gaat niet om zielsgemeenschap maar om netwerken om vooruit te komen in het leven of je maatschappelijke positie te verstevigen. Dat is meer de weldoordachte relatiestrategie van een Dale Carnegie (How to make friends and influence people, 1937, een boek waarvan inmiddels meer dan 15 miljoen exemplaren gedrukt zijn) dan de verheven tweezaamheid van Montaigne. Maar Montaignes essay verdoezelt het maatschappelijk functioneren van zijn vriendschap met Etienne de la Boéthie. Die had een hogere status en was bekend als auteur van La servitude volontaire. Door hem als vriend te winnen vergrootte Montaigne zijn sociaal kapitaal. Vandaag is Montaigne een beroemdheid, en wordt de la Boéthie op de tweede plaats genoemd als vriend van de grote schrijver. Maar destijds was het omgekeerd. (Zie daarover het onmisbare boek van Maurice Daumas, Des trésors d’amitié. De la Renaissance aux Lumières, 2011)

 

Misogynie en gender

De ‘doodgewone vrienden’ van Paul van Tongeren lijken te vallen onder informele, min of meer losse relaties. De vriendschap in het huwelijk, toch een veel voorkomende relatievorm, maar met een formeel contract, speelt geen rol. Maar bestaan er dan geen vriendschappen die formeler zijn, contractueler, meer ritueel geregeld dan samen gaan joggen of tennissen of lunchen of in de kroeg zitten kletsen of filosoferen?

Een vrouw van mijn generatie sloot in haar jeugd nog bloedzusterschap met een vriendin: ze kerfden in hun pols en wreven hun polsen over elkaar om het bloed te vermengen. Dat lijkt me als symbool minstens zo krachtig als een trouwring, al hoort die natuurlijk thuis in een publiek ritueel dat de band openbaar maakt en officieel, wat hem op een andere manier krachtiger maakt. Zelf droomde ik van bloedbroederschap toen ik een jaar of dertien was – ik moet het idee gehaald hebben uit de boeken van Karl May – maar ik durfde het niet te vragen aan mijn vriend. Toen ik vele jaren later in een antiquariaat stuitte op het boek van H. Tegnaeus, La fraternité de sang, étude ethno-sociologique des rites de la fraternité de sang notamment en Afrique (Parijs 1954, vertaling van Blood Brothers), kocht ik het meteen.

Zo’n boek is een uitstekende correctie op de neiging om vriendschap uitsluitend of vooral te zien als een privérelatie zonder ritueel of contractueel karakter, vooral gericht op aangename omgang met elkaar. Een ‘doodgewone vriendschap’ kan er zo uitzien: ‘De gewoonste reden voor een private broederschap is het feit dat men dieren toevertrouwt aan de goede zorgen van een vriend. De broederschap wordt dan ofwel gesloten met de persoon aan wie de dieren worden toevertrouwd, of, wat vaker voorkomt, met een buur die zich akkoord verklaart om de kalveren die zullen worden geboren te beschermen enz.’ (a.w. 81) Ook blijkt in veel gevallen dat de bloedbroederschap een politiek pact tussen clans of stammen is, dat moet voorkomen dat ze elkaar bestrijden, een vredesakkoord dus.

Bovendien: treedt in de huidige trend bij jonge mensen om ongehuwd samen te wonen en later al dan niet te huwen het element vriendschap niet nog meer op de voorgrond? Het vervangt het huwelijkscontract of gaat daaraan vooraf. Als filosoof zou je dus de theorieën over het huwelijk en vervangende samenlevingsvormen kunnen onderzoeken op het onderliggende concept van vriendschap. De koppeling vind je bijvoorbeeld in deze uitspraak in een achttiende-eeuws Duits lexicon: ‘Als een huishouden goed moet functioneren, moeten de hoofden ervan het met elkaar eens zijn en de beste vrienden zijn. De huwelijkse staat is dus een van de allerechtste vriendschappen die je in de wereld kan aantreffen.’ Maar ook al in de zestiende eeuw had Erasmus, hoewel zelf ongehuwd, een Lof op het huwelijk geschreven, met daarin bijvoorbeeld deze passage:

Want wat is er leuker dan samen te leven met een vrouw met wie je heel intiem verbonden bent, niet alleen door de banden van de genegenheid, maar ook door de fysieke vereniging? Als we veel geestelijk genoegen halen uit de vriendelijkheid van andere naaste verwanten en kennissen, is het dan niet nog veel aangenamer iemand te hebben met wie je de geheime gevoelens van je hart kunt delen, met wie je kunt praten als met jezelf, op wier loyaliteit je veilig kunt vertrouwen, die haar bezit als het jouwe ziet? Wat een geluk is er in het verbond van man en vrouw – een groter of blijvender is in de hele natuur niet te vinden!

Wat ik hier zeg, ligt in de lijn van Aristoteles. Die heeft het immers in zijn beschouwingen over de vriendschap (Ethica Nicomachea, boek VIII, vii e.v.) ook over de vriendschap tussen vader en zoon, oudere en jongere, echtgenoot en echtgenote, heerser en onderdaan. Relaties tussen ongelijken – de relatie tussen echtgenoten is in de oude Griekse cultuur als vanzelfsprekend gebaseerd op ongelijkheid – die toch ook vriendschappen kunnen zijn. ‘Doodgewone vrienden’, dat zijn ook de gehuwden of de ongehuwd samenwonenden, ook ouders en kinderen, ook meerderen en ondergeschikten. Hoe het zit met de asymmetrie in deze relaties en hoe ze ondanks eventuele ongelijkheid (al dan niet goed) functioneren – dat zou ik ook graag eens lezen in een filosofisch boek over de vriendschap.

Overigens: van Socrates’ echtgenote is alleen overgeleverd dat ze onuitstaanbaar was (maar wat zij van hem dacht, weten we niet en of hij een leuke echtgenoot was evenmin), Cicero scheidde van zijn echtgenote, Augustinus dumpte zijn concubine, de moeder van zijn zoon, Kant was nooit getrouwd, Nietzsche evenmin. De Grote Denkers over de vriendschap – mogen we ons vragen stellen over hun relatie tot de vrouw en het huwelijk, en hoe dat hun denken over de vriendschap beïnvloed heeft?

Het boek van Paul van Tongeren bevat een aanwijzing in die richting waar hij het filosofische even combineert met het biografische naar aanleiding van Nietzsches turbulente vriendschapsbeleving. Nietzsche verbreekt allerlei relaties, behalve één enkele. ‘Eigenlijk houdt Nietzsche slechts één vriend over, de theoloog en hoogleraar kerkgeschiedenis Franz Overbeck, die hij als collega leert kennen in Bazel en met wie hij de eerste jaren daar zelfs een woning deelt.’ Dit is een ‘doodgewone vriend’, die het vaak oneens is met Nietzsche en zich van diens standpunten distantieert, maar die hem wel voortdurend ondersteunt en helpt. Tegenover deze nooit verstoorde, nuchtere relatie, staan Nietzsches verbroken relaties waarover Van Tongeren opmerkt: ‘[hij] raakt teleurgesteld in vriend(inn)en die zich van hem vrijmaken, zoals hij dat ten aanzien van anderen deed (bijvoorbeeld Lou Salomé).’

De enige vriendschap die in Nietzsches leven standhoudt, is die tussen twee mannen, maar dan wel in een onromantische relatie. De vriendschappen met vrouwen zijn niet duurzaam. (Wat niet aan de vrouwen hoeft te liggen, maar met Nietzsches karakter te maken zal hebben.) Wel duikt zo de dimensie gender nadrukkelijk op, die hoognodig in het filosoferen over de vriendschap zou moeten worden opgenomen. De geschiedenis van het westerse denken over de vriendschap is immers nauw verweven met de westerse misogynie.

 

Boom, Amsterdam, 2021
ISBN 9789024438198
192p.

Geplaatst op 05/10/2021

Tags: Aristoteles, Doodgewone vrienden, Friedrich Nietzsche, Gender, Jacques Derrida, Madame de Lambert, Marie de Gournay, Michel de Montaigne, Misogynie, Patricia Francis Cholakian, Paul van Tongeren, Vriendschap

Categorie: Filosofie, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.